Wim
Rhebergen Verpleeghuis ► Home ► Contact: rhegie1@planet.nl |
|
Vreugde,
woede en verdriet in de ouderdom Bewerking van
‘Woede en verdriet in de ouderdom”, geschreven bij het afscheid van Ben Droste, Humanitas, 1993) |
|
|
|
Inhoud Hoofdstuk 1
Ouderdom als deel van een natuurlijk proces Hoofdstuk 2
De betekenis van de levenservaring Hoofdstuk 3
Intermezzo: Koning Saul Hoofdstuk 6
Het verlies van hartstocht, liefde en agressiviteit In 1993 schreef ik een opstel over “Woede en verdriet in de
ouderdom”. Het onderwerp
was aan mij opgegeven door Ben Droste, medewerker van Humanitas, die na jarenlang zich actief te hebben ingezet
voor ouderen en ouderenzorg. afscheid van zijn werk nam De tekst is uitgangspunt voor een nieuw opstel, met als essentieel
verschil dat in de titel de ‘vreugde’ voorop staat. De nieuwe titel brengt meer de volheid van het leven, waarvan de
ouderdom een fase is, tot uitdrukking – een gedachte, die correspondeert met de bedoeling van de
oorspronkelijke notitie, maar nu welbewust is uitgewerkt. Bij het herschrijven heb ik me alle vrijheden veroorloofd om de tekst
beter en kernachtiger te maken. Daardoor is de tekst ingekort en deels
opnieuw geformuleerd. Het resultaat is een geheel nieuwe tekst, waarin ik met
dank aan Cicero’s geschrift
“Over de ouderdom” een visie ontwikkel over deze laatste
fase van het leven (december 2004). |
|
Dit betoog neemt Cicero’s traktaat ‘Over de
ouderdom’ (De Senectute) (1), geschreven 44
jaar voor Christus, één jaar voor zijn dood, tot een leidraad
van een aantal beschouwingen. ‘De natuur is goed’, zegt Cicero, ‘en een wijs man
aanvaardt alles wat de natuur ons schenkt, ook het ‘verval van
krachten’. In het eerste deel van mijn betoog zal ik twee begrippen
tegenover elkaar stellen: ‘verval'
versus de ‘rijkdom van ervaring’. Verval is een begrip uit de filosofie,
die de natuur tot uitgangspunt van haar denken neemt. Verval, aftakeling,
afsterven. De psycholoog Erikson daarentegen ziet de
ouderdom als een emotionele integratie van de voorgaande fasen van het leven.
Een culminatie van de ‘rijkdom van de ervaring’. Wanhoop noemt
hij de keerzijde van deze ‘integratie’. Een intermezzo in mijn betoog is de paragraaf over de bijbelse koning Saul, de eerste koning van het
Israëlitische volk, dat tot zijn kroning geen koningen kende en geleid
werd door richteren van verschillende pluimage, waarbij het aan
continuïteit ontbrak. Het einde van zijn koningschap, zijn waanzin en gewelddadige dood,
is, zo zal ik duidelijk proberen te maken, zijn de opstapeling van
ervaringen, waar de basis al te vinden in zijn kindertijd. Als zodanig
fungeert hij als voorbeeld van wat Erikson zegt als
hij spreekt over de doorwerking van de ervaringen, waarbij het geheel meer is
dan de som van de delen. Onze ervaringen van verlangen en drift, behoefte aan macht en bezit,
ervaringen van winst en verlies maken onze identiteit. In hoeverre is het verhaal van koning Saul archetypisch
en refereert het aan de ontwikkeling van ieder van ons? Verlangen en drift,
macht en bezit zijn in de ontwikkeling van elke persoonlijkheid
essentiële onderwerpen. En vervolgens, wat betekent dat voor de
raadselachtige samenhang van lichaam en geest, welke bij het ouder worden een
hernieuwde actualiteit verkrijgt. Vervolgens zal ik ingaan op de vier door Cicero genoemd redenen, die
de ouderdom een beklagenswaardige periode in het leven doen schijnen, maar
het niet zijn. Wat is de eindconclusie van mijn betoog? Ik wil de lezer bij voorbaat
al waarschuwen. Ouder worden is ‘leven’. Vreugde, woede en
verdriet bij het ouder worden is
‘leven’. Kunnen we met elke krachtige statements het
geheim van het leven blootleggen? Ik neem aan dat u zulks van mij niet
verwacht. Ouderdom als
deel van een natuurlijk proces Mensen willen oud worden, maar niet oud zijn. Marcus Tullius Cicero, die in het turbulente Rome leefde van 106
tot 43 voor Christus en als befaamd advocaat, politicus en redenaar in een
wereld van intrige, verraad en geweld zijn rol speelde, had daarover zo zijn
eigen gedachten en zette die uiteen in zijn notitie ‘Over de
ouderdom’. Een optimistisch
betoog ondanks dat hij politiek al aan de kant was gezet, of misschien moeten
we juist daardoor wel zeggen – een blijmoedige visie op de
ouderdom nadat hij weet dat de
maatschappelijke status van weleer verloren is gegaan, met een saus van
persoonlijke grootspraak en aangemeten onverschilligheid. Hij wilde met deze
notitie zoals hij zelf in zijn aanhef zegt, bevrijden van dat lastige euvel
van de oude dag, die dreigend en
onherroepelijk in aantocht is. Cicero had zich op dat moment gedwongen
teruggetrokken uit het publieke leven en had nu de tijd en de ambitie om zijn
gedachten, die hij door de loop van de jaren zich eigen had gemaakt, op
papier te zetten. Hij schreef de laatste twee jaar voor zijn gewelddadige
dood een groot aantal filosofische boeken, waarvan zijn notitie ‘Over
de ouderdom’ er een is. Hij wilde daarmee de wijsbegeerte voor de
Romeinse lezers toegankelijk te maken, zodat ze niet meer aangewezen zouden
zijn op de Griekse filosofen. Zijn gedachtegoed is gebaseerd op deze Griekse
wijsgeren en zijn beschouwing ‘Over de ouderdom’ is daarop geen
uitzondering. Zijn boodschap staat in de traditie van de Stoa, bij wie een
leven in overeenstemming met de natuur het hoogste goed is. Cicero schetst in zijn geschrift een dialoog tussen de oude politicus
en staatsman Cato (234-149 voor Christus), van wie bekend is dat hij op de
oude dag nog actief was, en twee jonge Romeinen Scipio
en Lelius. Cato, zo zegt Cicero, geeft zijn denken
over de ouderdom weer. En even later laat hij Cato zeggen dat hij in zoverre
wijs is, dat hij de natuur als de beste gids gehoorzaam volgt alsof zij een
godin is. Deze levenshouding
dient men zeker in laatste levensjaren aan te houden, maar in feite
geldt die voor het gehele leven, want de overtuiging goed geleefd te hebben
en de herinnering aan verdienstelijk werk, geeft zeer veel voldoening. In de
verhandeling worden vervolgens vier redenen genoemd, die het beeld van de
ouderdom negatief inkleuren. 1. Met de ouderdom komt een einde aan het werk.
2. Er is een vermindering van lichaamskracht. 3. De ouderdom ontneemt de mens
zijn genoegens, want lust en begeerte verdwijnen. 4. De ouderdom is niet ver
verwijderd van de dood. Maar, zo laat hij Cato blijmoedig zeggen, de
‘last van de ouderdom’ is maar schijn. Ook in andere fasen van
het leven kan een mens het immers moeilijk hebben en is hij soms niet in
staat tot enig levensgeluk. Wat dat betreft is er geen enkel verschil tussen
de ouderdom en de andere periodes in het leven. Sommige mensen ervaren het
leven op hoge leeftijd ook helemaal niet zo slecht en zinloos. Voor hen is
ouderdom een zeer aangename periode van het leven. Bezonnen, opgewekte,
vriendelijke oude mensen valt de ouderdom niet zwaar. De problemen die men
met de ouderdom heeft, komen dus niet zozeer voort uit de leeftijd, maar zijn
verbonden met de persoonlijkheid van de betrokkene. Een wijs mens aanvaardt
de natuur en alles wat de natuur met zich meebrengt. De natuur is goed en
heeft alles prima geregeld. Waarom zou je moeten twijfelen dat dit de laatste
fase van het leven niet meer het geval zou zijn? Met het leven, zo zegt hij, is het net zo gesteld als
met de vruchten van de natuur. Elk rijpingsproces houdt verval in. En later
zegt hij na een uiteenzetting over de onsterfelijkheid van de ziel:
“Mochten wij niet onsterfelijk zijn, dan nog is het te verkiezen dat er
ter rechtertijd een einde aan het leven komt. De natuur heeft evenals alle
andere zaken van het leven een maat.” Groeien,
bloeien, oud worden en dan sterven Groeien, bloeien, verwelken. Lente, zomer, herfst en winter. De zon
komt op, klimt tot zijn hoogste punt en gaat onder. Alles heeft een eind en
keert terug tot zijn beginpunt. Alles heeft zijn plaats binnen de kringlopen
van de natuur. Het model is circulair. Een pasgeboren kind is onschuldig, naïef en onbedorven, heeft
geen geschiedenis, geen ervaringsballast. De minuten rijgen zich aaneen tot
dagen, weken, maanden en jaren. Een kind groeit op, ontwikkelt zich, doet
ervaringen op, leert en bereidt zich voor op de tijd dat het zelfstandig zal
zijn en zijn eigen weg door het leven zal gaan. Wie jong is, voelt zich
sterk, vastberaden, heeft idealen, goede voornemens en verwachtingen van de
toekomst. Eenmaal volwassen geworden is hij, zoals het woord, zegt, volgroeid
en gerijpt, klaar om te tonen wie hij is en wat hij kan. Hij kiest de mensen
uit bij wie hij wil zijn, kiest dat waarmee hij bezig wil zijn, voelt zich
verantwoordelijk voor de keuzes die hij maakt. Hij werkt, vecht, maakt
geschiedenis. Elk mens is daarin verschillend. Dat is een kwestie van
identiteit. Iedereen zet zijn eigen stempel in het leven. Een gezin stichten,
kinderen opvoeden, carrière maken… of niet, iedereen beslist op
eigen wijze binnen de steeds wisselende situaties van het leven. De tijd van
de volwassenheid is een actieve periode, een tijd van bloei. En als de mens oud wordt, komt daaraan een eind. De mens treedt
terug. De maatschappelijke verplichtingen ten aanzien van werk en status
worden minder klemmend. Het lichaam doet zich voelen, en ook geestelijk
verandert er wat., De Prediker De Prediker –
en dat is waarschijnlijk 200 jaar voor Christus -, de schrijver van ‘Er
is niets nieuws onder de zon, somt de kwalen en ongemakken van de ouderdom
op. Gedenk dan uw
Schepper in uw jongelingsjaren, voordat de kwade
dagen komen en de jaren waarvan gij zegt: ik heb daarin geen
behagen, voordat de zon
verduisterd wordt evenals het licht van maan en sterren (vermindering van het gezichtsvermogen en van de geestkracht) en de wolken na de
regen wederkeren op de dag dat de
wachters van het huis (de handen) beven, en de sterke
mannen`(de benen) zich krommen, en de maalsters (de tanden) ophouden, omdat haar aantal
gering geworden is, en zij, die uit de
vensters zien (de ogen) hun glans
verliezen, en de deuren naar
de straat gesloten worden (de storingen in ontlasting en urinelozing), als het geluid van
de molen verzwakt (vermindering van gehoor) en de stem hoog
wordt als die van een vogel en alle tonen gedempt worden (verandering van stemorgaan); op de dag dat men
vreest voor de hoogte (kortademigheid bij het bergopwaarts lopen) en er
verschrikkingen op de weg zijn: de amandelboom
bloeit (het haar sneeuwwit is), de sprinkhaan zich
voortsleept (vermindering van potentie) en de kapperbes
niet meer helpt – want de mens gaat
naar zijn eeuwig huis en de rouwklagers
gaan rond op de straat -, voordat het
zilveren koord losgemaakt (kromming van de wervelkolom) en de gouden lamp
verbroken wordt (hartzwakte); voordat de kruik
bij de bron verbrijzeld en het scheprad in
de put verbroken wordt (lever- en nierinsufficiëntie) en het stof
wederkeert tot de aarde zoals het geweest is en de geest
wederkeert tot God, die hem geschonken heeft).(2) Wie oud is, heeft ervaringen. Het hebben van ervaringen betekent dat
het allemaal ‘gehad’ en ‘geweest’ is, voorbij en
besloten. Gedane zaken nemen geen keer. De geschiedenis is geschreven.
Ervaringen zijn voor de mens nooit neutraal, ze dringen zich op, vragen om reflexie, inpassing en bevestiging, vragen om rekenschap.
De mens met ervaring blikt terug, wikt en weegt, evalueert, probeert zin en
betekenis te ontdekken in de gebeurtenissen van zijn tijd. Een intensief
proces, dat soms moeizaam is en niet ongevaarlijk voor het eigen welzijn. En
als dat gebeurd is, wordt het stil. Alles heeft , zo lijkt het, zijn plaats
gekregen en is opgenomen in een onbenoembare context, niet meer vatbaar. Nog
een enkele herinnering, een relict van vroegere tijden, een schim. Dan is het
klaar, het vuur dooft, de mens kan afscheid nemen, sterven. Het is de
natuurlijke gang van zaken – oude mensen zijn niet bang voor de dood,
ze bereiden zich erop voor en zijn er op een gegeven moment aan toe. “Eens is de
mens moe, moe van alle dagen met de los momenten als toegift. Het leven loopt
op zijn eind, de ervaring is doorgemaakt, er is geen ontdekking meer te doen,
er is geen verwondering meer te beleven. De mens is oud geworden en der dagen
zat. En dan nog één keer een kind op schoot. De mens weet niet
of het kind van de eigen stek is. Het doet er niet toe. Het kind overspant de
dood. Het eigen leven staat in de grote kosmische wentelingen waartoe ook de
goden en engelen, de troost en het verdriet, de vergeving van de schuld en de
heling van het gebrokene behoren. De mens maakt iets af om in iets op te
gaan. Onder te gaan in de onbewustheid is goed als het leven klaar is.”
(3) Cicero vat samen: “De levensloop is een vast gegeven. De natuur
kent maar één weg. Het is heel simpel. Elk levensstadium heeft
zijn eigen kenmerk. De zwakte van de kinderen, de felheid van jonge mensen,
de ernst van de gevorderde leeftijd en de rijpheid van de ouderdom. Zo passen
zij in het natuurlijke schema; men moet er te juister tijd van
profiteren.” Complex Mensen bouwen huizen en wonen in steden, mensen werken om te kunnen
eten en drinken, mensen cultiveren hun land en bouwen dijken tegen het water,
mensen maken machines om de arbeid daarmee te verlichten, mensen fabriceren
auto’s, treinen en vliegtuigen om zich snel te kunnen verplaatsen,
mensen reizen naar de maan en wellicht later ook naar andere planeten, mensen
schrijven verhalen en gedichten, maken muziek, maken schilderijen en
sculpturen, fotograferen en maken films… en zo kunnen we doorgaan. Het
belangrijkste voortbrengsel is van de menselijke geest is besef van
humaniteit, menselijke waardigheid, recht en rechtvaardigheid. De natuur is
niet altijd het paradijs waarvan we dromen en we stellen ons tegen de ongewenste
gaven en wrede willekeur van de natuur te weer en maken een menselijke
wereld. We bouwen een beschaving op. Wetenschap en techniek gaan in onze tijd
daarbij voorop. Wel nu. gezondheidszorg en ouderenzorg zijn belangrijke
verworvenheden van onze cultuur. Het is van grote waarde dat wij ouderen en
zieken niet aan hun lot overlaten, maar ons inzetten om hun lot te
verbeteren. Het geloof in het ‘goede’ van de natuur en het
prediken van ‘aanvaarding’ en berusting’ kan wat dat
betreft zeer vals klinken. Mijn oude wiskundeleraar zei eens toen een van mijn klasgenoten
hopeloos de mist in ging met een wiskundeopgave: “Wat men niet
begrijpt, moet men bewonderen, en wat men niet kan veranderen, moet men
aanvaarden.” De uitspraak is me altijd bijgebleven. Ik weet nog hoe hij
op zijn stoel achter zijn tafeltje zat en bij deze woorden glimlachte. En
toen begon hij opnieuw de geheimen van de wiskunde uit te leggen. We moeten veranderen, verbeteren, ons inzetten voor verdere
ontwikkeling en vooruitgang en als dat tot niets leidt, dan is er de optie
van aanvaarding. Dit geldt voor therapie en begeleiding, maar evenzeer is
politiek en maatschappelijk. Ouderenzorg is voor sommige politici nu eenmaal
slechts een geldverslindende zaak, die niets oplevert. Sommige specialisten
behandelen liever jong, vitale mensen dan ouderen, waar toch geen eer mee te
behalen is. De mensen in instituten hebben maar te slikken wat er voor hen
bedacht wordt. Er wordt wel eens gezegd dat het in de gevangenis beter is dan
in het verpleeghuis, waar men alles moet delen met anderen die men niet heeft
verkozen. De troost dat ouderdom komt met gebreken is niet voor iedereen een
wijsheid, die troost biedt. Het probleem is dat het begrip ‘natuur’ complex is en
definitie behoeft. Wat te zeggen als we de menselijke inspanning en het verzet
tegen de wreedheden van de natuur beschouwen als ‘menselijke
natuur’ omdat deze voortkomen uit een niet te stuiten innerlijke
levensdrang? We kunnen ook zeggen dat wetenschap en techniek in onze tijd
onder de verdenking staan losgerukt te zijn van de natuur, de ‘moeder
van ons bestaan, en daardoor ónmenselijkheid’ scheppen. De
medische wetenschap bijvoorbeeld, die maar doorbehandelt zonder dat er
kwalitatief iets aan het leven wordt toegevoegd. De eenzijdige nadruk op
technisch handelen, die ten koste gaat van de humane zorg voor het leven en
sterven. De betekenis
van de levenservaring De levenservaring neemt met het verloop van jaren toe en wordt steeds
groter. Als we dit gaan tekenen, krijgen we in plaats van een cirkel een
opgaande lijn. Wie zich dan afvraagt wat de ouderdom kenmerkt, krijgt als
antwoord: ‘levenservaring’. De vraag is dan wat levenservaring
met de mens doet. Nu hebben we allen onze eigen levenservaringen en kunnen voor onszelf
die vraag al enigszins beantwoorden. Ervaringen zijn het huis waarin we
wonen; ze vormen de kern van onze persoonlijkheid; ze werken in ons door en
voeden ons in wat wij denken, voelen en doen. Ervaringen maken ons tot wie we
zijn. György Konrád schrijft de prachtige
zin: “Op de vraag wat de zin van het leven is, antwoordt iedereen met
een opsomming van zijn levensloop”. (4) Onze identiteit ligt in datgene wat we
hebben gedaan en meegemaakt. Onze ervaringen zijn evaluatief van karakter en
daardoor doordrenkt van emotie en gevoel. Ze zijn goed, plezierig, aangenaam,
nuttig, de moeite waard, droevig, pijnlijk, vervelend, vermoeiend, overbodig,
verwarrend, onbestemd, raadselachtig, niet passend, vervreemden, enzovoorts.
Het praten over onze ervaringen kan een genoegen zijn, bijvoorbeeld het
ophalen van vakantieherinneringen, het kan ook een beproeving zijn, waarbij
de woorden in onze keel blijven steken. Ben Droste schrijft: “Het
verhaal dat we over onszelf vertellen is vaak brokkelig en onsamenhangend. Er
zijn stukken tussenuit gevallen: ze maakten onvoldoende indruk om ze te
onthouden of ze waren zo indrukwekkend dat we er geen raad mee wisten en ze
zoek gemaakt hebben. Ook kleuren we passages bij omdat we de werkelijkheid te
pijnlijk of te uitzichtloos vinden; in die schutkleur zullen we ze ons later
herinneren. En vaak geven we achteraf een nieuwe betekenis aan een oude
ervaring om ons verleden passend te maken bij ons heden.” (5) Men zegt wel eens dat de mens in het moment van sterven nog eenmaal
de film van zijn leven voorbij ziet gaan. Men zegt ook wel eens dat de hele
ouderdom een terugkijken op het eigen leven is, waarbij de ervaringen worden
gewikt en gewogen en opnieuw in het mozaïek van het leven worden
ingepast. Er zijn veel uitdrukkingen voor dat proces. Ouderen keren zich in
zichzelf en maken de balans op. Ouderen maken de puzzel van hun leven af. Ook
zegt men dat oude conflicten zich met het ouder worden opnieuw opdringen en
alsnog om een oplossing vragen. Mevrouw van Berkel,
waar gaat het om? Om een puzzel af te maken? Wat af is, vergeet je. Alleen
dat ene stukje van de puzzel wil niet passen. Je blijft met een stukje
zitten.” (6) Ouderen vertellen over het algemeen graag over vroeger zoals alle
mensen graag over hun eigen ervaringen vertellen. Zelfs de kleinste details
herinnert men zich vaak nog. En natuurlijk wordt men al pratend meegesleept
door het eigen verhaal en wordt men opnieuw vrolijk, verdrietig of boos.
Vertellen is opnieuw beleven, opnieuw beleven is opnieuw verwerken, opnieuw
verwerken is opnieuw een plaats geven, begrijpen, de zin ervan ontdekken,
zichzelf herkennen in de complexiteit van het bestaan, uiteindelijk ook
afronden, opruimen, schoon worden. Bij dementering lijkt dit proces in de
mens zelf af te spelen zonder dat dit naar buiten gecommuniceerd kan worden.
Wij zien slechts de buitenkant, de gevoelsuitingen, de verkrampingen en de
grimassen. We proberen te interpreteren en kennis van de levensgeschiedenis
helpt ons daarbij. Als iemand lacht, lach je mee, als iemand verdrietig is,
probeer je te troosten, als iemand boos wordt, probeer je de boosheid te
aanvaarden en in goede banen te leiden. Een probleem: Wie wil nog luisteren? Wie wil naar de verhalen van
oude mensen luistere, wie heeft belangstelling, wie heeft tijd? De hedendaagse
mens is vaak vervuld van zijn eigen ditjes en datjes en meer in het algemeen
kan men zeggen dat wij in onze maatschappij meer gericht zijn op de toekomst.
De toekomst heeft immers de belofte dat ze het verleden zal overwinnen, zodat
we de wanorde van het verleden en de barbarij achter ons kunnen laten. Er is
een dynamiek voorwaarts, vooruitgang, vernieuwing. Wat moet de jongere mens
met de ervaringen van de ouderen en wat moet de oudere mens als de jongere
mens niet wil luisteren? Leeftijdsgenoten vallen weg. De mens zwijgt. Of als
hij droomt, leeft hij in het verleden. Een pijnlijke diagnose. Integriteit
versus wanhoop De psycholoog Erikson (7) stelt zijn
theorie over de levensloop de
‘samenhang van het leven’ centraal. Het kernbegrip bij hem
is de ‘identiteit’ van
ieder mens, waarmee hij bedoelt dat de mens zichzelf als eenheid en
continuïteit ervaart en daarnaar handelt. De identiteit ontwikkelt zich
in de wisselwerking van het rijpend organisme en de sociale, culturele en
historische patronen. Elk volk, elke cultuur heeft een beeld van wat Erikson ‘gerijpte, menselijke
individualiteit’ noemt, ‘specifieke volledigheid’. Door
middel van opvoeding probeert de samenleving dit beeld werkelijkheid te doen
worden. De aandacht is daarbij gericht op de beginjaren van het leven, maar
niettemin blijven de irrationele angsten uit deze tijd ook later de mens en
zijn geluk belagen. Erikson onderscheidt vervolgens
verschillende stadia in het leven, waarbij elk stadium wordt gekenmerkt door
de
daarbij behorende ontwikkelingstaken, specifieke problemen, die moeten waren
opgelost,. Het ‘ego’ ontwikkelt zich in
relatie tot de spanningen die daarbij ontstaan, innerlijke conflicten, en put
er fasegewijs nieuwe ‘krachten’ uit. Erikson
onderscheidt de volgende fasen:
Belangrijk is vast te stellen dat in deze theorie de oudere mens een
taak heeft en dat het leven dus niet met de volwassenheid is afgelopen. We
kunnen zeggen dat in de ouderdom de vuurproef afgelegd dient te worden, de
ultieme toets, waarin de levenservaring van het leven wordt samengebald in de
identiteit of wanneer dit niet lukt, de wanhoop manifest zal worden. Wat bedoelt Erikson met ego-integriteit? Het is, om zijn woorden te gebruiken,
een toegenomen zelfverzekerdheid van de mens (het ego) voor zijn zin voor
orde en betekenis. De oudere mens ziet zijn eigen leven onder ogen en
aanvaardt dat het zo moest zijn en niet anders. Enerzijds is dat de
aanvaarding van de betrekkelijkheid; ‘dit leven in deze samenleving in
deze fase van de geschiedenis’,
en anderzijds de bereidheid om de waardigheid van de eigen levensstijl
te verdedigen tegenover de natuur en de economie. Hij zegt: “De stijl
van integriteit welke door de cultuur of beschaving tot ontwikkeling komt,
wordt zo een erfdeel van de ziel, de bezegeling van zijn moreel vaderschap
over zichzelf. In het aangezicht van deze uiteindelijke oplossing, verliest
de dood zijn angel.” (8) In dit verband kunnen we opmerken dat de cultuur, altijd specifiek: tijd-, plaats en contextbepaald, een wezenlijk element in het vinden
van integriteit. In zijn boek Spel en
visie spreekt hij over hoe het spel van het kind over gaat in de
geritualiseerde werkelijkheid van de volwassenheid. Zoals ik Erikson lees, bedoelt hij dan dat de mens de rollen die
hij in zijn leven krijgt toebedeeld, op zich neemt, zich eigen maakt en er
als het ware dwars doorheen leeft; door de rol te zijn die te overstijgen. De
rol is niet een huls van leegte, maar een structuur, waaraan de mens zijn
identiteit ontwikkelt, volledigheid, betekenis in zijn bestaan. Of anders
gezegd, de mens staat in zijn leven voor een bezielde herformulering van wat
cultuur en geschiedenis aanreiken. integriteit is de emotionele integratie
van alle fasen van het leven, de integrale uitkomst van de volvoerde
levenstaken en de waardigheid die de mens daarmee verkrijgt. Of nog anders
gezegd: het is staan voor wat je als mens deed, dacht en voelde, in alle
bescheidenheid en betrekkelijkheid, bewust van dat je leefde op een bepaalde
plaats, in een bepaalde tijd en in bepaalde verbanden. Staan voor wat je
deed, dacht en voelde houdt in het aanvaarden van de eigen
verantwoordelijkheid in de samenleving, waarin je leeft. Erikson
tekent daarbij aan: “Voor de jaren die voorafgaan aan de ouderdom, met
al hun wanhoop en walging, heb ik de kracht van een eenvoudige integriteit
geopperd, die direct waargenomen wordt door kinderen” .(9) Kinderen
zullen niet bang zijn voor het leven als hun ouders zoveel waardigheid bezitten dat zij de dood
niet vrezen.
Hoofdstuk
3 Intermezzo: Koning Saul “De ouderdom is de vrucht van het leven”, zei Erikson. In de psychoanalytische literatuur is de
ontwikkeling van het ego ten nauwste geassocieerd aan het aspect macht. Erikson
spreekt in de tweede onderscheiden fase over de wil als basiskracht en het
ontstaan van autonomie versus schaamte en twijfel. Het leven van de eerste
koning van Israël, Saul, wordt getekend door het ongeloof in eigen vermogen
om het koningschap – de rol die hij uiteindelijk op zich genomen heeft
– te vervullen. Van koning Saul weten we veel. (10) De bijbelschrijvers hebben
nauwkeurig opgetekend hoe hij op bepaalde momenten beslissingen nam die
onafwendbaar tot zijn ondergang voerden en uit de uitvoerigheid waarmee het
verhaal wordt verteld, kan men afleiden dat zijn tragisch leven grote indruk
op de schrijvers heeft gemaakt en dat zij ‘lessen’ uit het
verloop van de gebeurtenissen wilden trekken. Het leven van Saul kan een prototype genoemd worden van
de mens die in aanraking komt met macht en daaronder bezwijkt. Saul is
daarmee ook een spiegel voor iedereen, die zijn gebrek aan zelfvertrouwen
tracht te compenseren door machtsuitoefening – dwingend en dwangmatig
gedrag. Het is ook een waarschuwing aan elke tijd, waarin men vraagt om
autoriteit, krachtig bestuur en management, organisatie, waar men vraagt om
winnaars en waarbij men verliezers aan de kant zet. Wie goed kijkt ziet de
tragiek van Saul reeds, de iconen verheven boven het menselijk bestaan,
vervuld van zichzelf, verloren in het landschap.
Wij willen
een koning De geschiedenis van Saul wordt voorafgegaan door de wens van het volk
een koning aan te stellen. Wij willen een koning. De koning – dat staat
voor duidelijke, herkenbare identiteit van niet te miskennen kracht, een naam
tussen andere namen, roem, eer, aanzien, macht. Het koningschap, zo verwacht
men, zal het volk beschermen tegen het geweld van buiten en het behoeden voor
de anonimiteit van het weerloze. Maar, zo lezen we, het vol wordt
gewaarschuwd: als men macht wil, zal men ervoor moeten betalen. De vrijheid
zal ingeruild worden door de verplichting. Het eenvoudige, kleinschalige en
in zekere zin anarchistische leven zal plaats moeten maken voor
georganiseerde dienst, waarover men geen zeggenschap heeft. Leven op basis
van (Gods)vertrouwen zal veranderen in angst voor autoriteit en vervreemding.
Het volk hield voet bij stuk en sloeg de profetische waarschuwingen in de
wind. Men wilde niet achterblijven bij de ontwikkelingen, die ook bij de
omringende volkeren hadden plaats gevonden en men koos zijn eerste koning.
Het thema zal daarna steeds een rol blijven spelen in de geschiedenis van het
Jodendom en in zekere zin ook in het Christendom. Maria zingt over haar God:
“Hij heeft machtigen van de troon gestort en eenvoudigen
verhoogd.” (11) Een selffullfilling prophecy Saul is bij zijn uitverkiezing als koning een jonge, enigszins
naïeve jongeman, die niet kan geloven dat zijn naam in verband met het
koningschap genoemd wordt. Als hij niettemin zijn roeping ondanks zijn
aanvankelijke aarzeling aanvaardt, houdt hij het voor zichzelf en spreekt er
niet over. Op de dag van de zalving, zo lezen we, verschuilt hij zich tussen
het pakgoed. En na afloop van het gebeuren gaat hij weer naar huis alsof er
niets gebeurd is. Zijn gedrag is, zo zouden we met Erikson
kunnen zeggen, een uiting van schaamte, een impuls om zijn gezicht te
verbergen en ter plaatse in de grond weg te zinken. Hij voegt eraan toe:
“Ik geloof dat dit in wezen worde is die men tegen zichzelf
keert”. (12) Het leven van Saul
verandert als de stad Jabes door de
Ammonieten bedreigd wordt. Hij komt, zo wordt plastisch gezegd, achter de
runderen vandaan en doet wat er van hem verwacht wordt. Met succes. En dit
succes, zo lezen we, is het begin van vele andere successen. Hij voert oorlog
naar alle kanten. Hij weet de meest heldhaftige en dappere mannen aan zich te
binden en wordt een populair vorst. De echte vijand komt echter niet van buiten, maar van binnenuit, een
oud substraat speelt op en vertaald zich in twijfel en paranoïde
angsten. Erikson schrijft: “Ieder volwassene
is eens kind geweest. Eens was hij klein. Een gevoel van kleinheid vormt een
substraat van zijn geest. Zijn triomfen zullen aan deze kleinheid worden
afgemeten, zijn nederlagen zullen haar bevestigen. De vragen wie groter is en
wie dit en dat wel of niet kan doen en met wie – zij vullen het
innerlijk leven van de volwassene veel meer dan hij in zijn bewust begrijpen
en ordenen nodig en wenselijk zou achten. (13) De troon is een symbool van verhevenheid, van afstand tussen hoog en
laag. Hoe groter de macht van de troon, des te meer wordt die gevreesd. Hoe
groter het succes, des te meer vervreemding van het ‘gewone’
volk. Een noodlottige interactie komt op gang, die voortdurend escaleert en
onherroepelijk naar een vernietigende climax voert. Saul weet dat wie op de troon zit, er vanaf kan vallen. Macht roept
immers tegenmacht op, afgunst, jaloezie, protest en verzet. Aan macht wordt
geknaagd. En succes doet de vraag rijzen in hoeverre succes blijvend is. Wie
macht bezit, weet dat macht verloren kan gaan. Zomaar en als men het niet
verwacht, kan macht uit de vingers glippen. Daarom zal degene die macht
bezit, steeds weer de behoefte hebben zijn macht voor zichzelf en voor
anderen te bevestigen en ten toon te spreiden. Het is echter nooit genoeg.
Alles kan groter, mooier en beter. Macht heeft succes nodig, om macht te
blijven. De machtige voelt zich altijd gedwongen nieuwe uitdagingen aan te
gaan, nieuwe projecten te starten, nieuwe oorlogen te voeren met nieuwe
vijanden. En steeds loopt de macht altijd tegen zijn eigen grenzen aan en
weet deze machteloosheid alleen maar op te lossen door naar nog grotere macht
te streven. De honger naar macht is niet te stillen. De machtigen omringen
zich graag met ceremonieën, waarin hun grootheid zichtbaar wordt
gemaakt: lovende woorden en een plaats op de eerste rij en andere symboliek,
schijnbare geruststellingen voor de innerlijke woekerende onrust. Angst om de
troon te verliezen is bij Saul een voortdurende drijfveer. Hij projecteert
zijn angsten daarbij op anderen. Juist mensen met capaciteiten wantrouwt hij,
want zij zijn het gevaarlijkst. Gehoorzaamheid en onderdanigheid worden
belangrijker dan kritische deskundigheid, zwijgen belangrijker dan spreken.
Het geluid van een harpspeler kan zijn woede al wekken. De harpspeler wordt
na verloop van tijd ook niet meer binnen de paleisdeuren geduld. De meermalen
betoonde loyaliteit zal niet baten. Ambtenaren selecteren de informatie, die
de koning krijgt te horen. Het is een middel om hem rustig te houden en te
weerhouden van impulsieve handelingen. Immers, hoe gemakkelijk kan een klein
berichtje hem verontrusten, zodat hij zich gedwongen zal voelen om daden te
stellen. De koning is door zijn innerlijke gemoedstoestand grillig en
onberekenbaar geworden, doet maar wat zonder precies te weten hoe de vork in
de steel zit. En terug komen op beslissingen wordt als zwakheid gezien en
drijft blindelings door waartoe men besloten heeft. Wat ik heb gezegd, heb ik
gezegd en Pilatus zei: “Wat ik heb geschreven, heb ik
geschreven.” (14) Erikson zegt: “Een mens moet als hij zich hult in de
mantel van de autoriteit, gerustgesteld worden in het idee dat ‘hij wel
weet wat hij doet.” (15) Kritisch informatie is een aanslag op het fraaie, maar ook zo aan
twijfel onderhevige zelfbeeld. Slecht nieuws wordt afgehouden. Slechts nieuws
maakt falend beleid zichtbaar. Ontkenning, relativering, verdraaiing en
omkering, het zoeken van slachtoffers en daarbij kunnen de naaste medewerkers
van de koning behoren, terechtwijzen, straffen, reorganiseren – het
zijn slechts enkele voorbeelden van het arsenaal van mogelijkheden die de
macht kan hanteren. In de verhalen over Saul leest men hoe de boodschapper
van het slechte nieuws gedood
wordt. Saul verliest zijn contact met de werkelijkheid. Hij geraakt in het isolement en gevangen in zijn eigen waanbeelden is
hij een prooi van aanvallen van woede en wanhoop. Eenzaam en door mensen
verlaten weet hij niet meer tot wie hij zich moet wenden. Ten einde raad laat
hij zelfs de doden oproepen om hem de weg te wijzen. Uiteindelijk stort hij
zich zelf in het zwaard, nadat zijn wapendrager zijn verzoek om hem te doden,
geweigerd had. Saul, een verslagen mensenleven. De koningsgraven van El Escorial De verstilling bij de zwartmarmeren tombes van de Spaanse vorsten is ijskoud. De eeuwenoude en bevroren woede over de vergankelijkheid van hun gekroond ego dampt zwart en bruin op; grijpt de niets vermoedende toerist, die slechts een kleine koning in het buitenland is, naar de keel. zodat hij even wankelt, maar dan opgetogen Zijn jonge leven verder leeft. Pieter Gielen (16) De eerste reden die Cicero als reden noemt die de ouderdom een
beklagenswaardige periode in het leven doet schijnen, is het verlies van
werk. Cicero wijst er allereerst op dat werk niet alleen ‘lichamelijke
arbeid’ is. Min of meer ironisch merkt hij op dat een oudere zich toch
niet wil meten met de vitaliteit van jongere mensen. Voor oudere mensen zijn
er andere taken, die ondanks de afnemende lichaamskracht, met voldoening
verricht kunnen worden. Hij somt op en geeft voorbeelden. De grote taken in
deze wereld vereisen beleid, gezag en inzicht en ouderen zijn bij uitstek de
aangewezen personen om die op zich te nemen, bezinning hoort immers bij de
ouderdom. Men zegt dat het geheugen bij het ouder worden afneemt, zo gaat hij
verder. Zijn antwoord is eenvoudig. “Dat geloof ik ook wel, behalve als
men het blijft oefenen.” Cicero is een begenadigd schrijver en probeert
met humor zijn lezers te overtuigen: “Ik heb geen enkele oude man ooit
horen zeggen dat hij vergeten was waar hij zijn spaargeld verborgen
had.” Vervolgens wijst hij op
een groot aantal personen, die op hoge leeftijd nog maatschappelijk
functioneren en bij wie hij geen geheugenverlies verliest: juristen,
priesters, politici. Filosofen, schrijvers. Maar ook boeren, die hun beroep
blijven uitoefenen voor de onsterfelijke goden. Cicero heeft nog enkele adviezen in petto. Wijze ouderen houden het
gezelschap van charmante jongelui. De last van de ouderdom wordt minder als
ouderen van de jeugd waardering en vriendschap ondervinden. En jongeren
kunnen van ouderen leren. En ouderen kunnen ook nog elke dag iets nieuws
leren. Hij stelt zichzelf ten voorbeeld. Hij is op zijn oude dag nog begonnen
met een studie van de Griekse taal. Aanvankelijk wilde hij leren citer
spelen, omdat hij gehoord had dat Socrates op oudere leeftijd daarmee was
begonnen, maar daarvan zag hij af en werd het een studie letteren. Lieben
und arbeiten De fase van generativiteit – 20 tot
60 jaar – omschrijft Erikson als de
levensperiode waarin de zorg voor de volgende generatie centraal staat
– tot de dag dat deze op eigen benen staat. Hij veralgemeniseert dit
tot iedereen in deze leeftijdsperiode, ook als men zelf de zorg over kinderen
niet heeft. De generativiteit is geassocieerd met
productiviteit en creativiteit – en aansluitend op ons betoog. Het spel
van het kind, waarin de taken en crises van de fasegewijze groei zich
weerspiegelen, worden geritualiseerd en komen in het domein van de
werkelijkheid, de ernst van de volwassenheid, verantwoordelijkheid en
gemeenschappelijkheid. Met instemming citeert Erikson
de beroemde woorden van Freud als die gevraagd wat een ‘normaal’
mens in zijn leven zou moeten doen: ‘Lieben und arbeiten’. (17) De
wijze waarop de mens terug kan zien op deze beide aspecten bepaalt in
belangrijke mate de vreugde van de oude dag. De cultureel-maatschappelijke
context is in de visie van Erikson daarbij van
doorslaggevende betekenis. War ‘werk’ is, wordt maatschappelijk
bepaald en heeft een verplichtend karakter, want wie niet werkt, zal niet
eten. Tegenover het werk staat om in de termen van Erikson
te spreken het ‘spel’. Een van de kenmerken van het spel is dat
het zomaar voor het plezier gebeurt, de reden dat puriteinen met argusogen
naar iedereen die ‘niet werkt’ en blijkbaar zo maar voor zijn
plezier leeft. (18) Werk en
identiteit Met andere woorden: Wat betekent ‘werk’ in je leven? In
welke mate is werk een ingrediënt van je identiteit. Waarom werk je?
Voor het geld? Om de kost te verdienen voor jezelf en je gezin? Of om je
creativiteit tot uitdrukking te brengen? In hoeverre zit er in het werk dat
je boet het speelse element, mijn werk is mijn hobby? Anderzijds, hoe kijkt
de maatschappij aan tegen de oudere die al dan niet werkt? Wordt hij
beschouwd als iemand die kennis en ervaring heeft en als zodanig een
belangrijke functie heeft voor bijvoorbeeld het bedrijf waar hij werkt en de
samenleving in het algemeen? Of is hij in de ogen van anderen iemand die
nieuwe ontwikkelingen niet meer bijhoudt of kan bijhouden en als zodanig een
blok aan het been is. Is de werkende oudere iemand die een baan voor de
jongere blokkeert en gestimuleerd moet worden om er mee op te houden, tien
jaar geleden nog een legitieme opvatting en de basisgedachte voor regelingen
met betrekking tot vroegtijdige uittredingen of daarentegen is de oudere die
ophoudt met werken een verzaker van de plicht om mee te werken aan de
economische productiviteit? Sommige mensen zijn hun werk, althans zo worden ze herkend. De
typische onderwijzer bijvoorbeeld. Ook als men afscheid genomen heeft van het
werk, blijven ze als zodanig herkenbaar. De advocaat blijft pleiten, de arts
laat zich nog steeds dokter noemen en de huisvrouw blijft met haar stofdoek
in de weer. Er zijn ook ouderen, die met het afscheid nemen van hun werk, in
‘een gat vallen’ en niet meer weten wat ze moeten doen en wie ze
zijn. Het moge ook duidelijk zijn dat dit niet bij iedereen het geval is.
Tegenwoordig hoor ik het niet zo vaak meer, maar pakweg twintig jaar geleden
wezen sommige ouderen, veelal
mannen, elke deelname aan een inspannende activiteit af met de motivatie:
“Ik heb mijn hele leven al gewerkt.” Wat dat betreft is het goed
om onderscheid te maken tussen betaald en onbetaald werk, activiteit en
passiviteit, arbeid uit noodzaak en plicht en – om in de termen van Erikson te spreken - spel. Veel ouderen tegenwoordig
maken zich verdienstelijk in het vrijwilligerswerk, uit morele motieven en
voor plezier en het opdoen van contacten. Velen verlangen in onze tijd het
arbeidsproces te verlaten omdat er een vrijheid ontstaat, waardoor men het
beheer over eigen tijd en bezigheden verkrijgt. Anderzijds zijn er in de loop
van de tijd ook voorlichtingsbijeenkomsten en cursussen georganiseerd om
mensen voor te breiden op het moment dat zij zouden stoppen met hun werk. De
directrice Nog twee jaar, wist ze, dan was haar werk afgelopen. Dan
zou ze gepensioneerd worden. Voelde ze zich oud? Was ze eraan toe? Ze
aarzelde. Ze voelde zich lusteloos, niet meer gemotiveerd. Ze vroeg zich af
of ze zich nog moest verdiepen in nieuwe ontwikkelingen. De hele organisatie
zou op de duur anders moeten verlopen, dat was niet tegen te houden. Ze zag
dat wel in. Maar het ontbrak haar aan puf. Het deed er eigenlijk ook niet
zoveel toe of zij die moeite zou nemen. Over enige tijd zou er toch een ander
op haar plaats zitten. Het was slechts een kwestie van tijd. Maar, zo dacht
ze verder, als ze zich niet zou inzetten voor de vernieuwing, wat deed ze dan
eigenlijk op die stoel? Dan zou toch veel beter iemand anders op haar plaats
kunnen komen? Nu onmiddellijk. Langer wachten zou alleen maar verlies zijn.
Niet goed, zeg maar: slecht, niet effectief, niet functioneel, zinloos.
Eigenlijk was ze een blok aan het been van de organisatie. Iedereen wachtte
natuurlijk op het moment dat zij afscheid zou nemen. Of zou vallen, hier,
zomaar in haar kamer of buiten op straat. Ziek, ellendig, uitgewerkt. Ze
voelde zich verward. Allerlei zekerheden leken weggeslagen te zijn. Waar was
de tijd gebleven dat zij een flinke directrice was, een rots in de branding,
een baken in zee? Alles leek om haar te bewegen, van plaats te veranderen,
ook de grond waarop ze stond. Ze voelde zich duizelig, angstig. Ze wist niet
meer wat te denken. Een telefoontje. Zou iemand haar wat willen zeggen? Ze
geloofde er niet in. Ze liet het gaan. Ze voelde dat ze nu heel oud geworden
was.(19) De
humanitaire droom “Er komt iets
van evenwicht in het leven. Passiviteit als tegenwicht voor de geleefde
activiteit, verdiende rust. (“Ik heb mijn hele leven al gewerkt”,
zei hij). Voldoening komt er over het resultaat. Soms is er veel vrolijkheid.
Het leven wordt losser, meer ontspannen. Er zijn gevoelens van ontremming
zoals op zomerse vakantiedagen. De schijn hoeft niet meer worden opgehouden,
de dwangmatige gewichtigheid wordt overwonnen. Er is iets van ongekende
zorgeloosheid. Bevrijding.” (20) Uit het voorgaande beoog
moge duidelijk zijn geworden dat werk voor ieder mens een verschillende
beleving oproept, maar dat bij het ouder worden steeds meer gehecht wordt aan
de vrije keuze en het plezier dat het werk geeft. Het is een geluk als de
noodzaak om te voorzien in eigen levensonderhoud en in die van anderen
overgenomen kan worden door de jongere generatie. Niet alle tijden zijn even
rijk en humaan, maar het is een humanitaire droom dat ouderen liefde, zorg en
ondersteuning krijgen om niet, de vreugde van de ouderdom. Een veel
geciteerde zin: Aan de kwaliteit van zorg voor ouderen en zieken kan men de
maat van beschaving aflezen.
Laten we de droom levendig houden: “Er zullen
weer oude mannen en vrouwen op de pleinen van Jeruzalem zitten, ieder met een
stok in de hand vanwege zijn hoge leeftijd. Ook zullen de pleinen van de stad
vol zijn van jongens en meisjes, die daar spelen.” (21). Cicero is drieëntachtig als hij zijn traktaat “Over de
ouderdom’ schrijft en hij geeft toe dat hij de energie die hij vroeger
had, niet meer bezit, maar zo begint hij op een laconieke toon met zijn
uiteenzetting over het tweede bezwaar tegen de ouderdom; “Denk nu niet
dat ik de kracht van de jeugd terugwens.” Het si voor hem evident. Je moet doen
wat je kan en niet nutteloos lamenteren over dat wat je niet (meer) kunt. Bij
ouderen ligt het accent niet zozeer op de fysieke kracht, maar veeleer op
kennis en ervaring, op de levenswijsheid die men zich eigen gemaakt heeft.
Dat zijn kwaliteiten die meer waard zijn dan krachtpatserij, bravoure en
bluf. Hij schrijft over ouderen die ziek zijn, maar in zijn visie heeft dat
niet specifiek te maken met het ouder worden. Ook jonge mensen kunnen ziek of
last hebben van een zwak gestel. Men moet verstandig leven, dat is goed op
jezelf passen, eten en drinken wat nodig is, sporten, maar niet overdreven en
de geest trainen. Cicero stelt zichzelf ten voorbeeld, hij doet aan
geheugentraining. Als de geest actief blijft, wordt ongemerkt ouder. Er is
geen plotseling breuk, het levenslicht dooft geleidelijk. Een fragment
uit een gesprek van enkele verpleeghuisbewoners Een fragment uit een gesprek van enkele verpleeghuisbewoners dat ik
in mijn dagboek heb genoteerd: “Het grootste geluk heb ik gevoeld toen ik mijn benen kwijt
raakte. Je benen kwijt raken is geen geluk, maar de gedachte ‘Ik moet
er nu doorheen’ maakte me onvoorstelbaar gelukkig. Dat ik dat kon
denken, dat maakte me blij.” Het werd heel erg stil. Hoe kon iemand dat zeggen? “Het is mooi
gezegd”, zei toen iemand, ‘maar ik kan het niet nazeggen Ik zit ook in een rolstoel, maar ik weet niet wat
ik daarvan vinden moet, heus, ik weet het niet.” Men hoeft niet diep na te denken om te begrijpen dat invaliditeit van de oude
dag veel emoties oproept. Het leven is hard en onrechtvaardig, niemand heeft
om ziekte en invaliditeit gevraagd. Als je alles in je leven gehad hebt,
krijg je - oud geworden bent met nog weinig tijd van leven – te maken
met pijn, ziekte, mankement en alles wat daarbij hoort: afhankelijkheid, zorg
en betutteling en de rijke gevarieerdheid van de soms chaotisch
georganiseerde ouderenzorg. De kinderlijke illusie van macht en autonomie,
die het streven van de mens zo vaak beheerst, spat uiteen. Wie wel een
CVA-patiënt met afasie heeft ontmoet, weet van het drama van de
machteloosheid, waarin deze mens bijkans ondergaat. Praten (communiceren) is
immers duidelijk maken wat men wil, maar wat als zelfs de goedwillende ander
het niet meer begrijpt en maar gaat gissen? Woede, een gebaar van ‘ga
maar weg!’en soms een vloek, ze lijken de enige juiste reacties te
zijn. Het lijkt soms een doel in de hulpverlening om mensen hun ziekte en
handicap te doen ervaren. Een veel gebruikt model is om de verwerking als een
soort ‘rouwproces ‘ te zien – afscheid nemen van het leven
dat men had en verder gaan. Vervolgens worden de processen in kaart gebracht,
al dan niet met het schema van Kübler Ross
(22), waarbij dan meestal de aanvaarding als doel en slotfase worden gezien.
En wat wordt dan met aanvaarding bedoeld? De dialoog van de twee
verpleeghuisbewoners toont aan dat aanvaarding indrukwekkend is als je het
kunt, maar dat dit niet iedereen past en daarom ook nauwelijks voorgeschreven
kan worden. Tegenwoordig wordt ook vaak gesproken over ‘coping’, waarmee
de wijze waarop de persoon met ‘verlies’ omgaat, wordt bedoeld.
Soms wordt in de beschrijving van de ‘copingstijl’
teruggegrepen op de psychoanalytische afweermechanismen, maar soms ook geheel
anders.(23) valkuilen voor de hulpverlening zijn volgens mij vaak de
hulpverleners zelf, die een bepaald beeld hebben over aanvaarding en een
goedlopende verliesverwerking. Zij kunnen daarmee het recht van ieder
individu op de eigen emoties aantasten. een voorbeeld uit mijn eigen
ervaring. Een van de eerste verzoeken aan mij als psycholoog in een
verpleeghuis was om eens te praten met een mevrouw die de hele dag huilde.
Wat bleek? Zij had haar man verloren. Kreeg zelf een CVA en was in het
ziekenhuis en daarna in het verpleeghuis terechtgekomen. Zou zij ooit nog
naar huis kunnen om haar eigen leventje voort te zetten? Toen ze de volgende
dag nog huilde, zei iemand: “je hebt toch met haar gepraat? Waarom
huilt ze dan nu weer?” Ik vraag me wel eens af of hulpverleners, op een
ongetwijfeld subtielere wijze, niet hetzelfde oogmerk hebben: het wegmasseren
van gevoelens die de buitenwereld hinderen. Het is in dit verband goed om op
te merken dat ínvalide en zieke mensen vaak worden omringd door de
agressie van de gezonde medemensen, die altijd een hoger tempo hebben, veel
bezigheden en veel interesses en zich nauwelijks tijd gunnen om zich te
verdiepen in de kleine wereld van
de gehandicapte. Verdriet en woede, hoe begrijpelijk ook, worden dan al snel
vertaald in gezeur, aandachtvragend en storend gedrag, vlekken in onze goed
geoliede, gezonde maatschappij. Hoofdstuk
6 Het verlies van hartstocht, liefde en agressiviteit Volgens Cicero verdient de ouderdom lof omdat zij vele genoegens kan
ontberen zonder dat als een gemis te voelen. En des te minder men mist, zo
redeneert hij, des te aangenamer leeft de mens. Cicero noemt in dit verband
genoegens als overmatig eten en drinken, zinnelijkheid, zucht naar eer en
hoge rang, het strijden om de voorrang, agressiviteit, kortom, zo vat hij
samen, alle hartstochten van het lichaam, welke slechts op bevrediging uit
zijn. Het gaat in de ouderdom om de hoge waarden van de geest. De ouderdom,
zo zegt hij, kent de charme van matige maaltijden, waarbij het niet om eten
en drinken gaat, maar om goed gezelschap en onderlinge conversatie. Voorts
noemt studie en wetenschap, de rust van de oude dag, innerlijke vrede en het
hebben van een zekere mate van ernst, doch nooit bitterheid. Hij roemt de
genoegens van het landleven, werk waarvan hijzelf ook ongelofelijk veel
houdt, omdat zo blijkt uit het vervolg hij er de bevestiging vindt van de
natuurfilosofie, de levenspraktijk van een wijs man. Seksualiteit Het dualisme lichaam en geest, dat Cicero aanhangt, heeft vele eeuwen
het denken bepaald. En nog steeds zien we daar de invloed van als het
bijvoorbeeld gaat over de seksualiteit van ouderen. De opvatting dat met name
ouderen zich waardig, ingetogen en wijs behoren te gedragen en zich niet
schaamteloos zich mogen overgeven aan seksuele genoegens, is nog steeds
actueel. Seksualiteit bij ouderen wordt soms geheel ontkend of acceptabel
gemaakt door over ‘tederheid’ en ‘verlangen’ naar
intimiteit’ te spreken. In de verpleeghuizen en ziekenhuizen is geen
plaats voor de seksualiteit ingeruimd. Als dat onder de zich wijzigende
opvattingen toch gebeurd, is dat in de marge. Voor ouderen wordt geen
ambiance gecreëerd die tot seksualiteit uitnodigt zoals dat bij andere
leeftijdsgroepen in de maatschappij wel het geval is. De ouderen zelf houden
deze attitude ook in stand, hoewel er een kentering te bespeuren valt. Het is
te verwachten dat komende generaties vrijmoediger met seksualiteit zullen
omgaan en dat er als gevolg daarvan het nodige zal veranderen. Dat heet
vooruitgang. Aanraken en
vrijen Aanraken en vrijen zijn vormen van troost. Er zijn oude mensen die
vragen om geknuffeld te worden. Als
in de zorg daaraan respectvol tegemoet gekomen wordt, zoals bijvoorbeeld in
de psychogeriatrische zorg gebeurt, zie je dat het hen dat goed doet. Ze
genieten ervan en draagt bij tot hun geluk. Er zijn ook mensen voor wie elke
aanraking een ongewenste betasting is. Als dat niet door anderen aangevoeld
wordt, slaan ze van zich af, terecht. Als men ouder wordt, kan men ook
opnieuw verliefd worden. Wat is er mooier dan dat? Ook demente ouderen kunnen
elkaar soms ‘vinden’, Hoewel dit voor familieleden wel eens
moeilijk te accepteren is, staat daar tegenover dat hun familielid toch een
bondgenoot heeft gevonden in de verwarring van de ouderdom en dat moet toch
heel wat waard zijn. Aanraken en vrijen drukken de aanvaarding van het lichaam uit, het
‘verouderde’ lichaam, soms het ‘verminkte’ lichaam.
Wie zijn lichaam kan laten aanraken en koesteren, ondergaat dat hij lichaam
is en niet slechts een lichaam heeft dat pijnigt en tekort doet. Ook de ander
geeft zijn liefde, dat is zijn lichaam. In de liefde, zo weten wij allen, is
het lichaam kwetsbaar en verbonden met gevoelens van schaamte. Op deze wijze
kan het conflict van validiteit versus invaliditeit overstegen worden. Aanraken en vrijen zijn soms de laatste vormen waardoor het contact
met elkaar mogelijk is, bijvoorbeeld bij dementering en het sterven. Het
ontbreken van contact is de ergste pijn die er is. Baby’s gaan dood als
ze niet gekoesterd worden en misschien is datzelfde het geval bij oudere
mensen. Veel ouderen zijn hulpbehoevend geworden en moeten verzorgd worden.
Ze worden gewassen een aangekleed, gebaad, het haar wordt verzorgd, de nagels
geknipt, ze worden geholpen bij het eten en drinken, ze krijgen hulp bij het
vervoer, ze gaan naar de fysiotherapie en naar de dokter voor lichamelijk
onderzoek, enz. Enerzijds zijn het functionele handelingen die verricht
moeten worden, maar het is goed om te realiseren dat deze handelingen soms
ook het enige lichamelijke contact zijn dat ouderen nog hebben en als zodanig
ook nog dan een functionele betekenis hebben. Verzuring Sommige bejaarden, zo zegt Cicero, zijn humeurig, bang, prikkelbaar
en ontoegankelijk, agressief. En soms zijn ze gierig. Maar dat moge het geval
zijn, het ligt niet aan het proces van ouder worden, maar komen voort uit het
karakter. Niet alle wijn verzuurt. Ik zou in dit bestek enkele opmerkingen
willen maken over agressie bij ouderen. Agressief gedrag bij ouderen is een serieus probleem in de ouderenzorg
en soms medebepalend bij opname in een instituut. De gevoelde onmacht bij hen
die met een oudere moeten omgaan en de mate van tolerantie voor
‘afwijkend gedrag’ spelen daarbij een rol. De groep van ouderen met ‘gedragsstoornissen’
vergt daardoor steeds meer aandacht van de hulpverlening. Agressief geduid
gedrag kan vaak verstaan worden als een verweer tegen gevoeld bedreiging. Men
laat zich gelden omdat men bijvoorbeeld bang is, anders niet mee te tellen en
vergeten te worden, overwoekerd te worden door anderen. Soms vloeit agressief
gedrag direct voort uit een identiteitscrisis. “Schoonmoeder ontkent
dat zij eigenlijk niets kan, blijft de baas spelen, wil de beurs bij zich
houden en beschuldigt de schoondochter van spilzucht, slecht huishoudelijk beleid
en dergelijke…. De situatie wordt getypeerd door de schoonmoeder,
zittend in het midden van de woonkeuken in een grote rieten stoel.”
(24) Het proces van verzuring dat Cicero bij sommige ouderen opmerkt en
die hij niet koppelt aan leeftijd en natuurlijke noodzakelijkheid, maar aan
karakter en persoonlijkheidsontwikkeling, komt in zekere zin overeen met de
ontwikkelingstheorieën van Erikson. Relationele
problematiek bij ouderen Een enkele opmerking over relationele problematiek bij ouderen. Het
niet willen toegeven aan mogelijke achteruitgang en veranderingen met het
ouder worden van jezelf en/of van de ander leidt er soms toe dat men elkaar
voortdurend in de gaten houdt, elkaar corrigeert, vit, beschuldigt, elkaar
niets meer toevertrouwd en elkaar uit handen probeert te nemen, kortom, men
kibbelt over van alles en nog wat en weet niet van ophouden. Om met de
natuurfilosofie te spreken, relaties groeien en worden ook oud. Men kan naar
elkaar toegroeien en men kan van elkaar afgroeien. Hoe men op de veranderingen,
die de ouderdom meebrengt, reageert, ligt deels besloten in het karakter van
de relatie. Waarover wordt gepraat en waaraan wordt stilzwijgend
voorbijgegaan? Wat brengt de
relatie in gevaar? Praat men openlijk over een stoma of wil men dit voor anderen
verborgen houden? De mogelijkheid bestaat dat met het ouder worden de relatie
steeds rigider wordt en steeds meer bestaat uit vaste, vertrouwde patronen
die met niet kan en niet wil loslaten. mettertijd groeit er in de relatie een
zekere argwaan. Uiterlijk is alles hetzelfde omdat alles hetzelfde moet
blijven, maar in het hart van de relatie broeit het gemaskeerde verdriet, de
boosheid en de schuld over het tekortschieten, de onmacht. Aanzien Cicero noemt als belangrijk genoegen van de ouderdom het maatschappelijk
aanzien. Minder zwaar werk en meer gezag, dat is toch de kroon op de
levensavond. Het gaat hem dan om de innerlijke voldoening van wat men in het
leven bereikt heeft en de erkenning van anderen. Alsof tussen beiden geen
tegenstelling zouden kunnen bestaan. Ik herinner me mevrouw A. Zij werd in
het verpleeghuis waar ik werkte na een langdurig verblijf in het ziekenhuis
opgenomen. Ze had een beroerte gehad, zat nu in een rolstoel, sprak niet meer
en was dement. Behalve haar uitgebreide medische dossier wisten we echter
niets van haar. Niemand kwam haar opzoeken. Er waren geen kinderen, geen
buren, geen vrienden en vriendinnen. Ze zat elke dag tussen haar medebewoners
aan een grote tafel in de huiskamer, veelal met gesloten ogen, alsof het licht
haar pijn deed. Een stille, onopvallende mevrouw, klein, mager,
onaanzienlijk. En toen kwam Hein uit Amerika, zomaar uit het niets en
onaangekondigd. “Tante, ik ben Hein uit Amerika,” zei hij. Tante
keek hem even aan, begreep het niet en sloeg de ogen neer. Wie was tante?
Hein kon het ons vertellen. Een vrouw, die bij stakingen en demonstraties
voorop liep, socialist in hart en nieren, revolutionair, voor niemand bang.
Tijdens de oorlog had ze in het verzet gezeten. Ze had levens gered. Na de
oorlog was ze een paar maal gedecoreerd. Na het bezoek van Hein was mevrouw
A. een andere vrouw geworden. Aan tafel zat niet een anoniem persoon, maar
iemand met een groots verleden. We zagen het allemaal. Ik denk dat ze het
respect dat we voor haar hadden gekregen gevoeld heeft ondanks dat ze dement
was. En ik denk ook dat dat haar goed gedaan heeft. Octavio Paz, de Mexicaanse dichte en schrijver, die in 1990 de
Nobelprijs kreeg, schreef: “De dood is
een spiegel, die de ijdele gebaren van het leven weerspiegelt. De hele bonte
warrigheid van handelingen, van wat men vergat te doen, van berouw en
pogingen – werken en rusten – waaruit het leven is opgebouwd,
vindt in de dood zo al geen zin of verklaring, dan toch een einde. Tegenover de dood tekent ons leven
zich af en stolt .Vóór het ineenstort en wegzinkt in het niets,
komt het nog eenmaal gebeeldhouwd, te voorschijn en wordt onveranderlijke
vorm: wij zullen slechts veranderen om te verdwijnen. Onze dood zet ons leven
in het licht. Als onze dood geen zin heeft, heeft het leven het ook niet
gehad….. En zo is het:
iedereen krijgt de dood die hij zoekt, de dood die hij zichzelf geeft.”
(25) Over sterven en dood is in de loop van de tijd veel gezegd. Iedereen
heeft wel zijn eigen idee, zijn eigen filosofie over de dood. Sterven is de
laatste daad van het leven. Saul pleegde suïcide. Freud zei dat er vanaf
het moment van geboorte een doodsverlangen
is, immers, zo betoogt hij, “Het doel van het leven is de dood”en
“het levenloze was vroeger dan het levende.” (26) We laten onze
eigen dood echter niet in ons bewustzijn toe en hij doet de uitspraak:
“Niemand gelooft in zijn eigen dood.” (27) Cicero laat Cato
zeggen dat de dood voor iemand die jong is, bedreigender is dan wanneer je
oud bent. Een oud mens heeft immers bereikt wat een jong mens hoopt. Als de dood het absolute einde van het
leven is, hoeven we er ons niet druk om te maken; en als de dood het intreden
in de gelukzaligheid is – wat hij gelooft – dan is het iets om naar
te verlangen. Ik weet trouwens niet of Octavio Paz
gelijk heeft als hij zegt dat ieder mens de dood krijgt die hij zoekt. Er
zijn mooie vormen van doodgaan: het zacht en vredig inslapen op hoge leeftijd
na een waardig afscheid te hebben genomen van degenen die achterblijven. Maar
niet elk sterven is fraai. Soms is er veel pijn, angst en geworstel omdat men
niet wil of niet kan; soms sterft men plotseling, onverwacht en onvoorbereid,
zomaar, vuil en smerig, soms sterft men vergeten en ver weg van de mensen die
men liefheeft. Ik weet niet of een mens daar voor kiest. Het ouder worden op zichzelf verwijst al in zekere zin naar het einde
van het leven. Je kunt schrikken als je in de spiegel kijkt, de eerste grijze
haren, de rimpels. De verjaardag, die onzalige viering van de
vergankelijkheid van het leven, kan een kwelling zijn. Nog indringender meldt
zich de dood als leeftijdsgenoten sterven. Een oude vrouw vertrouwde me eens
toe: “Iedereen is dood. Toen heb ik iets in de hand genomen zodat ik
ook dood zou gaan. Dat wilde ik, doodgaan en niet meer zijn. Als je toch
alleen in deze wereld bent, maakt het allemaal niet meer uit. Wie vraagt nog
om je? En toen kwam die stem in mijn hoofd. “Dat mag je niet doen! Dat
is verboden! “ Ik schrok vreselijk en liet alles uit mijn hand vallen.
U mag wel weten dat ik heel lang en heel hard gehuild heb. Als God bestaat,
heeft hij me in de steek gelaten!” Communicatie Het leven kenmerkt zich doordat het bijeenhoudt, communiceert en
bindt. Bij de dood valt alles uit elkaar. Communiceren is echter iets wat
voor mensen moeilijk is. We zijn niet een volledig open systeem, we
selecteren voortdurend. We praten het liefst met ‘onze eigen’
mensen’: familie, vrienden, leeftijdsgenoten, collega’s, mensen
van het eigen dorp of de eigen stad. Praten levert gezelligheid en onderlinge
betrokkenheid op, verband, kader. Je bent wat in een overzichtelijke
structuur, je hebt een functie voor anderen, een herkenbare identiteit, je
weet wat je moet doen, moet zeggen en wat je moet laten. Als de eigen mensen
sterven, sterf je mee. Je verliest iets van jezelf, iets van je motivatie en
de zin waarmee je voor de ander leefde. Je verliest een stukje van je eigen
verhaal, dat ook het verhaal van de ander was, het is niet meer aan anderen
uit te leggen. Is dit de leegte van de dood? Naar wie zou je dan verlangen?
Je moeder, je vader, je kinderen, je vrienden? De dood en de tijd zijn diepe
wateren tussen jou en degenen wie je zoekt. Zij zijn daarginds en jij bent
hier? Wat zou je moeten zeggen tegen de mensen die om je heen staan, maar wie
je niet kent? Wat weten ze? Wat begrijpen ze? Wat kunnen ze begrijpen? Wat is
belangrijk? Octavio Paz had het over de zin van de dood, waarin de zin van
het leven reflecteert. Wat is belangrijk? Als men met oudere mensen spreekt,
hoor je soms wel iets van dat geheim. Zo heb ik eens een gesprek opgetekend
dat ik had met een ietwat filosofisch aangelegde man, mooi grijs haar en
zachte handen. Wat zei hij? “Ik weet niet wat belangrijk is. Is een
sneeuwvlok belangrijk? Ik dacht het niet. Ze versmelt voor je ogen. Als kind
keek ik naar dwarrelende sneeuwvlokken en vond ze mooi, ik kon mijn gedachten
niet bij de les houden. Ik ben een dromer, toen al. Als een sneeuwvolkje, dat
wat maar een klein moment bestaat, zo sterk is dat het mijn geest in beslag
kan nemen en dus belangrijk is, kun je net zo goed zeggen dat niets
belangrijk is. Ik heb altijd gedacht dat het leven belangrijk was, maar dat
weet ik niet meer zeker. Soms denk ik met het einde al bezig te zijn, ik ben
per slot van rekening al over de tachtig, maar ik voel me heel gewoon, niets
bijzonders, zelfs op sommige momenten nog vitaal, soms nog een dromerig kind
dat aan het begin van zijn leven staat. Ik zou misschien nog wel zo’n
tachtig jaar meekunnen. Een mens weet niets en wat hij denkt te weten, is
onbetrouwbaar. Ik heb vandaag kiespijn, dat is voor mij belangrijk. Ik praat
nu met jou, maar eigenlijk staat mijn hoofd daar niet naar. Aan kiespijn ga
je niet dood, maar ik hoop wel dat het snel voorbijgaat en dat ik het kan
vergeten. Weg is weg. In het zicht van het einde lijkt mij het sterven het
mooiste dat er is. Ik verlang ernaar om het mee te maken. Je kent Socrates,
dat bedoel ik. Misschien is het sterven heel gewoon en gaat het voorbij zoals
alles voorbijgaat. Ik heb eenmaal een bijzonder moment meegemaakt, samen met
mijn vrouw, we waren één lichaam, in elkaar gevloeid zal ik
maar zeggen, versmolten. Mijn vrouw is dood en ik praat nu met jou. Doordat
we praten denk ik er nu aan. Het komt ter sprake, even in een toevallig
gesprek, meer is het niet. Als we niet hadden gepraat, was het niet in mijn
gedachten gekomen, ik had waarschijnlijk aan iets anders gedacht.” We keren terug naar ons thema. Erikson
plaatste de waardigheid tegenover de wanhoop, de vreugde van de ouderdom tegenover de woede en het verdriet. Waardigheid is daarmee de normatieve maat voor het leven geworden. De cultuur
staat tegenover de natuur. Ik twijfel. Het verstaan van het leven is
erg moeilijk en het leven zelf brengt ons vaak daarbij in de war. Een vriend van mij, een
oud-collega, werd onlangs begraven. Hij was een zoeker in het leven geweest,
een denker die zich niet tevreden stelde met de antwoorden, die mensen elkaar
ten aanzien van de vragen van het leven, plegen te geven. Hij geloofde ooit
in God, begon te twijfelen en zwoer zijn geloof af. Er kwamen nieuwe
gedachten, ook nieuwe mensen en een nieuwe stijl van leven. Vrijer, humaner,
dacht hij. Maar vond hij wat hij zocht? Hij aarzelde,
hinkte voortdurend op meerdere gedachten, wist het tenslotte niet meer
zo zeker en draalde. Anderen werden soms geïrriteerd
omdat een mens toch moet weten wat hij wil. Hij nam afscheid van zijn werk en werd korte daarna ziek. En ook
eenzaam. Hij woonde alleen op een rommelige kamer in de binnenstad en
trakteerde op appelgebak als je binnenkwam. Op zijn begrafenis werd gezegd
dat hij misschien zijn hele leven wel eenzaam was geweest. Hij had altijd al
moeite gehad met contacten leggen. Je wist niet wat je aan hem had. En ineens
werd toen gesproken over een onvoltooid
leven. Wat had zijn innerlijk geworstel opgeleverd? Had hij ooit de waarheid
ontdekt? Had hij uiteindelijk vrede gevonden met zichzelf en het leven? Wat
had hij trouwens met zijn tobberige zoektocht in het leven zijn vrouw en
kinderen aangedaan? Ja, die vragen mochten ook gesteld worden. Zijn zoon zei:
“Het was een leven met veel losse eindjes.” Hij wendde zich naar
zijn toehoorders: “Misschien hebt u ook wel zo’n los eindje in uw
hand.” De zoon leek op zijn vader, dacht ik, die zou dat ook zo kunnen
zeggen. Er werd bij deze woorden aan het graf stil gehuild. Werd er nu een
cirkel gesloten? Staat de cultuur
tegenover de natuur? Of is het meer
een kwestie van natuur en cultuur samen, die het leven gestalte geven? Is
cultuur uiteindelijk niet een segment van de allesoverheersende natuur? Maar
hoe en wat? En wat zegt dat over ouder worden en ouderdom? Samenlevingen
verschillen. Sommige samenlevingen zijn rechtvaardiger en
vrijer dan andere. Dat is niet onbelangrijk. Het is beter te wonen in
een humane maatschappij dan in een gewelddadige
dictatuur. Tijden van vrede zijn beter dan tijden van oorlog. Ik herhaal, het is een bekende en mijns inziens juiste
stelling dat aan de wijze waarop met ouderen en zieken omgaat de kwaliteit
van de samenleving kan afmeten. Als ouderen het goed hebben, hebben kinderen
het goed. Kinderen spelen dan aan de voeten van hun opa’s en
oma’s en er wordt gelachen en getroeteld. Vreugde, woede en verdriet
zijn van het leven zelf. Vreugde, woede en verdriet zijn authentieke
kostbaarheden, waar men als buitenstaander met zijn vingers af moet blijven.
“Verdriet en woede kunnen het kompas zijn om de weg naar de kern van
het persoonlijk bestaan terug te vinden,” schrijft Ben Droste. En hij voegt
eraan toe: “Maar het kompas brandt in je hand.” (28) Sommige
waarheden zijn eenvoudig. Mensen moeten elkaar geen onnodige pijn aandoen.
Als een mens boos en verdrietig is, moet men die mens niet aan zijn lot overlaten. En als
het mogelijk is, moet men van de mens houden en blijven houden. En de
leeftijd doet er dan niet toe. 1. Een recente uitgave van de Cato
Maior de senectute
verwijs is naar: Cicero, M. Tullius. Over ouderdom
& vriendschap, vertaling uit het Latijn, ingeleid en van aantekeningen
voorzien door W.A.M. Peters – Amsterdam: Ambo; Leuven: Kritak ISBN 90 6303 790 2 D/1999/2393/12 2. Uit ‘Wat heet oud in
onze cultuur” door J.V. Meininger,
Instituut voor Sociale Geneeskunde Rijksuniversiteit Utrecht, z.j., die de
verklarende toevoegingen ontleend aan M. Jastrov,
The gentle cynic being a translation of the book of Koheleth.
Philadelphia 1919 3. Wim Rhebergen, Op weg terug,van Loghum Slaterus, Deventer 1983,
blz.70. 4.Geörgy Konrád, Tuinfeest,
Uitgeverij Van gennep, Amsterdam 1988. blz. 7. 5. Ben Droste, Op verhaal komen,
een niet gepubliceerde brochure over levensloopverhaalgroepen, 11 januari
1988. 6. Wim Rhebergen, Op weg terug,van Loghum Slaterus, Deventer 1983,
blz.54. 7. Gebruikte literatuur o.m. Erikson E.H. , Het kind en
de samenleving, uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen 1968 Erikson, E.H. Spel en visie’, uitgeverij Het Spectrum,
Utrecht/Antwerpen 1968 Erikson. E.H. De jonge
Luther, De Arbeiderspers 1967. Amsterdam Erikson. E.H. Identity and the Life Cycle, W.W.
Norton & Company, New York/London, 1980/1994 Erikson. E.H. The Life Cycle Completed, W.W. Norton
& Company, New York/London, 1986/1994 Hall. E, In gesprek met Erik H.
Erikson, Psychologie 2e jaargang 8,
september 1983, blz, 16-23 8. Erikson E.H. Het kind en de samenleving, uitgeverij Het Spectrum,
Utrecht/Antwerpen 1968, blz. 258. 9. Erikson E.H. Spel en visie, uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen 1968,
blz. 85. 10. De geschiedenis van Saul staat beschreven in het Bijbelboek 1
Samuël 8 tot en met 31. 11. Lucas 1vers 52 12. Erikson E.H., Het kind en de samenleving, uitgeverij Het Spectrum,
Utrecht/Antwerpen 1968, blz. 244 13. Erikson E.H., Het kind en de samenleving, uitgeverij Het Spectrum,
Utrecht/Antwerpen 1968, blz. 391. 14. Johannes 19 vers 23 15. Erikson E.H. Spel en visie, uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen 1968,
blz. 85. 16. Gielen P., ongepubliceerd gedicht. 17. Erikson. E.H. Identity and the Life
Cycle, W.W. Norton & Company, New York/London, 1980/1994, blz 102 18. Erikson E.H. Het kind en de samenleving, uitgeverij Het Spectrum,
Utrecht/Antwerpen 1968, blz. 200. 19. Wim Rhebergen, Casus,
ongepubliceerd 20. Wim Rhebergen, Op weg terug,van Loghum Slaterus, Deventer 1983,
blz.70. 21. Zacharia
8 vers 4 en 5. 22. Kübler
Ross, E.. Lessen voor
levenden, uitgeverij Ambo, Baarn, 1969. 23. Zie o.m. Diekstra, R.F.W., Psychologische aspecten van
verliesverwerking en rouw, in Verdriet, verliesverwerking en gezondheid,
red. Gill en Diekstra,
uitgeverij Ambo, Baarn 1988, blz. 22-42. 24. S. Heringa en A. Fuldauer, Agressie bij gedragsgestoorde bejaarden,
MGv. 11, 1985. blz. 1155-1164. 25. Paz, O, Zonnesteen,
uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1990, blz. 103 26. Freud, S., Het
levensmysterie en de psychoanalyse, oorspronkelijk Jenseits des Lustprinzips (1920), uitgeverij
Wereldbibliotheek, Amsterdam, z.j. 27. Freud S. Unser verhältnis zum Tode, uit Zeitgemässes
über Krieg und Tod (1915), Kulturhistorische Schriften, Uitgeverij S. Fisher Verlag, Frankfurt am Main, 1974. 28. Droste, B., Persoonlijke
notitie, september 1990. |