Wim Rhebergen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Home

Interviews

 

Contact: info@rhegie.com

 

 

 

Scannen0013

 

Mr. Eppo van Veldhuizen, Fugger en Rilke tegelijk

 

 

 

 

 

 

 

Hij maakt het bombardement van Rotterdam mee,

is oud-burgemeester van Fijnaart en Heijningen, Dronten en Oss,

is dichter en schrijver.

 

 

 

Inhoud

Hantum

Rotterdam

Naar het gymnasium

Student in Leiden

Intermezzo

Helga Gärtner

Burgemeester Fijnaart en Heijningen 1965 - 1972

Burgemeester van Dronten 1972-1980

Burgemeester van Oss, oud en nieuw, 1980-1996

Na het burgemeesterschap

 

 

 

Scannen0008

 

 

Een foto, voorjaar ‘36

 

Kijk, Sterre, de krokusjes

vlakbij de stam van de oude boom

voorjaar is het daar

net als nu

en toch al lang geleden.

 

Kijk, Sterre, het hek met die scherpe punten

waar dat jongetje links naast z’n zusje

met dat mutsje in viel - dat deed pijn

net zoals toen jij viel

net als toen

en toch al lang geleden.

 

Kijk Sterre, daar komen ze aan

uit het lichtende land, vier kindjes

in hun dorp, hun kleine, stille, Friese

hun vitale dorp

zou pappa zeggen

net als nu

en toch al lang geleden.

 

Wie is die moeder, Sterre

die lange, lieve, ingepakte?

De mamma van opa is het

de oma van pappa werd ze

en wie is dat jongetje dan

aan haar hand

met dat trommeltje?

Dat is opa, hij kijkt

naar een auto, een mooie

net als nu

en toch al lang geleden.

 

Zo springt een foto, Sterre

over een hek met punten

en over zesenzestig jaren

later Sterre, later

zestig jaar later laat je misschien

diezelfde foto

je kleinkindjes zien.

 

Gemaakt voor kleindochter Sterres poesiealbum, in het dorp Nieuwkoop, in 2002

door opa Eppo van Veldhuizen, bij een foto uit het Friese Hantum.

 

Hantum

 

Ik loop de oude loop

alleen - nu volgen niet, noch gaan er voor

de and'ren in de stoet zoals tevoor -

de oude kerk, de terp, het wijde land

die nemen me nu bij de hand,

ik volg hun spoor.

 

Nog dicht naar toen: de Grote Steeg,

de kleine huizen één voor één,

hun vergezicht:

het bouwland over en de vlakke landen,

ik voel het bolletje van deeg

weer rollen tussen kinderhanden.

 

Hek, Hantums hart,

de pastorie, vertrouwde bomen,

beneden statig goed, de boerderij,

waakhond voor het dorp en dromen:

er staat een silo bij,

verandering en toch

in Hantum kan de rust nog komen.

 

In de steeg gaf bakker Velink kinderen deeg, waar ze balletjes van maakten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bep_van_Klaveren

 

Bep van Klaveren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

razzialefevredemontignylaan

 

Razzia in Rotterdam, Lefèvre de Montignylaan

 

 

 

 

Inleidend

Hij is een dynamische, inspirerende man, die het ene verhaal na het andere weet te vertellen, met een indrukwekkende kennis van feiten en achtergronden. Hij heeft een feilloos geheugen voor namen en details.

Hij is iemand, die midden in zijn verhaal een lied gaat zingen ter illustratie van zijn verhaal.

Hij is kritisch en volhardend, een vechter. Hij zet zich in voor de zaak waarvoor hij staat.

Hij is een bewogen man, iemand die meeleeft met de mensen om hem heen. Hij schrijft gedichten, verhalen en artikelen en drijft daarbij soms de vriendelijke spot met de onzinnigheid in deze wereld.

Hij zegt:"Mijn vrouw zei me dat ik niet tegelijk Fugger en Rilke kon zijn. Fugger was de naam van een Duits handels- en bankiersgeslacht, dat in de 15e eeuw een enorme rijkdom wist te vergaren en Rilke kennen we als groot poëet, die leefde van 1875 tot 1926. Ze heeft gelijk. En toch ben je als burgemeester een beetje Fugger en Rilke tegelijk."

Aan het woord is Eppo van Veldhuizen, Fugger en Rilke tegelijk.

 

Hantum

 

"In Groningen stad ben ik geboren. Diep in mijn hart ben ik eigenlijk een dorpsjongen, die nog steeds verknocht is aan Hantum, een vlek in het Friese landschap, niet ver van Dokkum. De eerste vier jaar van mijn leven heb ik er gewoond en het kleine dorp is me steeds dierbaar gebleven.

Mijn moeder, Anita Harkema, koos ervoor in Groningen te bevallen, omdat de geboorte van mijn drie jaar oudere zusje Berthy moeilijk was geweest.

Zij kwam daar oorspronkelijk vandaan en haar ouders woonden in Assen. Haar schoonvader, mijn grootvader dus, was in Groningen hoogleraar theologie.

Ik werd 16 juni 1933 geboren, in het Diaconessenhuis.

Mijn vader, Gijsbert van Veldhuizen, was predikant in Hantum. Op de foto kijk je vanuit de pastorie de dorpsstraat in.

De foto is in het voorjaar van 1936 genomen en je ziet de krokussen in onze tuin bloeien, de nog kale beuk en het fraaie hekwerk met de scherpe punten.

Je ziet mijn moeder met links mijn ruim één jaar jongere zus Marietje en rechts een jongetje met een trommel.

Dat jongetje ben ik. Verder zie je op de foto Berthy, de oudste en Adriaan, mijn ruim één jaar oudere broer.

Mijn ouders hebben negen kinderen gekregen. Onno was de laatste. Hij stierf in 1949, negen maand oud.

We hebben als kinderen nog veel contact, meer dan toen we werkten. Met sommigen zelfs wekelijks, met Willemien, de vijfde, bijvoorbeeld.

Ook zie je op de foto de trots van mijn vader, de Chevrolet. Het was wat in die tijd om een auto te hebben! In de verte zie je nog de garage van Bouke Weinmakker (wagenmaker), die eigenlijk Stelma heette. Mijn vader en Bouke Weinmakker waren de enigen in het dorp, die toen een auto hadden.

Deze foto is een familiedocument. Ik heb door deze foto geïnspireerd een versje voor het poëziealbum van mijn kleindochter Sterre gemaakt."

 

Simmer twatûzend

"Ja, ik kom er nog steeds. Ik was er simmer twatûzend (zomer 2000), toen de echte en onechte Friezen in den vreemde, werden uitgenodigd om het oude land opnieuw te bezoeken. Dankbaar heb Ik van de uitnodiging gebruik gemaakt. Ik mocht in de oude pastorie slapen, die overigens al lang niet meer als pastorie fungeerde - de ontkerkelijking had ook daar toegeslagen.

Er was meer veranderd. Er waren geen winkels meer, geen kruideniers, geen bakkers, geen smid, geen wagenmaker. Alleen de kerk was gebleven. Mijn ouders zijn beiden op het kerkhof van Hantum begraven, aan de voet van de kerk. Dat was hun wens. Mijn zwager Hans heeft een mooie steen ontworpen, met de tekst: Verbi divini minister, bedienaar van het Goddelijke woord.

Later liep ik weer over het kerkhof, nu samen met mijn vrouw en zag iemand voor de kerk staan.

Ik vroeg: "Mag ik even in de kerk kijken?"

Ja, dat mocht wel.

Ik zag boven in de kerk het orgel en vroeg of ik naar het orgel mocht. Ja, dat mocht ook wel.

"Mag ik even spelen?"

Hij vond het goed. Ik speelde enkele liederen en vroeg toen: "Speelt u ook?"

"Ja", zei hij, "Ik ben de organist."

Hij ging achter het orgel zitten en speelde uit de bundel van Woensel Kooy en Johannes de Heer, liederen die door de officiële kerk altijd systematisch waren genegeerd, maar bij het volk geliefd waren. Ik was geëmotioneerd. Hij speelde, ik zong en mijn vrouw luisterde beneden in de kerk. Het was een van de mooiste concerten die ik ooit heb meegemaakt."

 

Rotterdam

"In 1937 verhuisden we naar Rotterdam. Mijn vader werd als predikant beroepen in Kralingen.  Het was voor hem geen onbekend terrein: zijn moeder, die in 1934 was overleden, kwam er vandaan en haar zuster (tante) Anna en broer Wim woonden er nog steeds.

We woonden in de Waldeck Pyrmontlaan op nummer 13, tegenover de meisjes-HBS. Het huis staat er nog steeds. Het was een goed huis. En toen brak de oorlog uit.

Op de vijfde dag van de oorlog bombardeerden de Duitsers Rotterdam.

Hoe jong je ook bent, zoiets blijft in je ziel en als die aangeraakt wordt, blokkeer je. Jaren later, in 1979 - ik was inmiddels burgemeester van Dronten - moest ik de eerste Vietnamese bootvluchtelingen verwelkomen. Onverhoeds kwam de vraag naar me toe of ik ooit zelf gevlucht was. Ik heb er in 1999 over geschreven."

 

Het fluiten van de bommen. We hadden het nog nooit gehoord en wisten het toch. Het kwam dichterbij. Tante Anna had, vooruitziend, haar kelder gestut. Daar zaten we, zes kinderen, vader, moeder, tante Anna en Nel, haar oude dienstbode. Boven ons stonden flessen spuitwater – heerlijk in de limonade – en weckpotten op de planken. Daarboven woedde iets anders. Onvermoed en bedreigend. De inslagen kwamen dichterbij; heel dichtbij “Hoor je dat fluiten’, zei ik en een paar angstige tellen erna was er een hels lawaai. Het huis schudde, het beefde, bezweek, zo leek het. Boog voor onbekend geweld. Alle flessen en potten vielen knallend en brekend voor ons, op ons. “Dit gebeurt er – ik citeer nu m’n vader – dat ineens de diepe muren van onzen kelder leven gaan, buigen, zich krommen als een dier in nood, haast bezwijken en weer terug veren”.We waren nu als huilende kinderen bij, rondom en op die vader vooral,die – ja, werkelijk toen ook kon bidden. We zongen, ja waarachtig – we zongen ‘De Heer is mijn herder’. Maar niet lang. We vluchtten, tien mensenkinderen in een Chevrolet. Vlak voor Vijverlaan 39 was een bom gevallen. Water spoot huizenhoog. Iets verderop brandde het – een voltreffer. Vluchten, naar de polder. Straten waren versperd, opgebroken. Drommen mensen,vluchtend, zenuwachtige, radeloze, doelloze soldaten die die wagen wilden aanhouden. We kwamen aan in een huis aan de Kralingseweg, vlakbij het kerkhof Oud-Kralingen, van een gemeentelid dat zelf weer gevlucht was. En binnen de kortste keren speelden we als kinderen met de uitbundigste pret ons spel – een kruiwagen met zacht rollend luchtbandwiel, een erf, een nieuwe wereld. Vergeten die ellende – wel die hemel, die zon die je niet meer zag op die stralende dag – tot in Utrecht  zagen ze het, hoorde ik later – vliegtuigen die angstig groot en laag over vlogen, soldaten die met geweren dreigden om vaders auto te vorderen, de enorme, onvoorstelbare rookwolken. Dolle, onbekommerde pret, ook. Kinderen incasseren heel veel en gemakkelijk.

................

Was ik ooit gevlucht? Ja, toen, die wilde rit door dat kleine stukje Kralingen. Ik schreef er iets over op. Ik zag weer de van alles en alles berooide meneer en mevrouw Baan wanhopig, hinkend, huilend met een kinderwagen onze tuin inkomen de volgende dag, de familie van Egmond, onze werkster Margje Slieker met haar gezin. Ik schreef iets, zonder emotie. Maar toen ik dat zou uitspreken, viel ik stil. Dus toch. Het wordt ook niet minder. Berthy, mijn oudste zus, droomt er nog van. Ze wordt in juli 70.

 

Mijn vader

"Mijn vader was predikant en ook schrijver. Hij trad daarmee in de voetsporen van zijn vader, dominee, theoloog en hoogleraar. Hij schreef theologische werken zoals 'Twaalf bij Eén' en 'Schetsboek bij de catechismus' en romans: 'De uil op de toren' en 'De zebra in de serre'.

Met de populaire volksschrijver Willem van Iependaal schreef hij: "De trap", een boek in dialoogvorm.

En hij schreef wekelijks in de Rotterdamse Kerkbode en in het dagblad De Rotterdammer over zijn eigen Rotterdam, de volkswijk Crooswijk , waar hij zich zonder ophouden als wijkpredikant voor de mensen inzette.

Hij maakte deel uit van de eerste redactie van De Hervormde Kerk, de voorganger van het latere bekende weekblad 'Hervormd Nederland', dat in de jaren tachtig ter ziele ging.

Hij schreef doorgaans zelden over zijn eigen persoonlijke ervaringen, maar 'Zeven dagen Rotterdam' is daarop een uitzondering. Hij beschreef nauwlettend wat ons in die begindagen van de oorlog was overkomen. Hij schreef het op de Lariks, het grote landhuis in de bossen nabij Assen, waar mijn grootouders van moeders kant, Eppo Harkema en zijn vrouw Bertha Schoneboom, woonden. Hij had er een eigen kamer en als we buiten speelden, hoorden we hem op de typemachine ratelen. De Lariks was voor ons een klein paradijsje, besloten, veilig, vertrouwd. Een citaat:

 

De deuren van de vestibulekasten klikten er hun metalen klik – het klonk me als muziek in de oren. Het geurde er – eikenhout en warme lopers op de trappen, bloemen overal, ook op een royale overloop. Grote staande klokken tikten er de tijd weg. Vooral een Duitse  Standuhr uit Bremen met Big-Ben-slag verwelkomde ons. Hij stond op de tweede verdieping. Daar sliepen we en nog beter als we die klok hadden gehoord. Op het dak hing een klokje. Oma luidde die bel, als het heerlijke eten bijna klaar was. Van alle kanten kwamen we dan uit het bos, uit de moestuin, van de weiden aangerend. Op m’ n zesde zag ik daar boer Haaies al koeien melken. Trek hadden we op de Lariks. Honger mochten we van oma niet zeggen. Voor het grote huis stond een klein koepelhuisje. Daar mochten we spelen. Ik had er m’n tuintje. In de serre hielden Adriaan en ik kerkdiensten. Ook collectes, opa gaf een kwartje: een aanzienlijke aanvulling op ons zakgeld, 5 en 2,5 cent per week. In het bos liepen we soms spiernaakt: een half verboden en heel opwindend spel.

 

"Wij speelden in alle vrijheid ons spel, terwijl vader bezig was om onze oorlogservaringen op papier te zetten. Het boek werd uitgegeven bij Callenbach in Nijkerk en kreeg 4 drukken. Dr. Lou de Jong zou er later uit citeren."

 

Nederland was in oorlog

"Nederland was in oorlog, Rotterdam was platgebombardeerd en zoals men in Nederland spreekt over het puin, spraken  en spreken we in Rotterdam over de puin. Tussen Kralingen en Rotterdam-West lag een onafzienbare puinvlakte, waarop wij ons speelterrein hadden. We klommen in oude schoorstenen, wat levensgevaarlijk was en voerden veldslagen met elkaar. De ene school  tegen de andere. De stenen waren onze wapens. "Geef tik", riep de een tegen de ander, en als je dan tik gaf, kon je er meer dan één terug krijgen.

We waren jong en ons niet van de oorlog bewust, maar de manier waarop we leefden, was getekend door de gewelddadige geest van de tijd. Ik was naïef.  Toen mijn vader in die meidagen me vertelde over de strijd, die de Duitsers voerden met de geallieerden, zei ik zelfverzekerd dat de Duitsers die wel moesten verliezen, alleen tegenover ons, de Engelsen, de Fransen en de Belgen."

 

Meneer van der Neut

"Ik ging naar school. Het eigenlijke schoolgebouw aan de Oudedijk was door de bezetter gevorderd.  Wij hebben in heel wat gebouwen gezeten.

Zo kregen we ook les in de consistorie van de Hoflaankerk, verderop aan de Oudedijk, hoek Hoflaan, in Kralingen, de kerk waar mijn vader op de kansel stond.

Die vierde klas met meester Van der Neut is mij bijgebleven, meer dan de eerste drie schooljaren, waarvan ik me veel minder herinner. Meester Van der Neut was een lange, jonge man, streng doch rechtvaardig en een fantastisch goed onderwijzer. Hij woonde op kamers en had een verloofde. Zijn voornaam kenden we niet, maar dat was gewoon. Als hij zich over ons heen boog, roken wij een vreemde, enigszins bedompte lucht.

Hij placht staande met één vinger op het harmonium de melodieën van psalmen en gezangen voor te spelen. Ik weet nog goed hoe op een gegeven moment dat harmonium er niet meer stond. Hij zei met een zeker leedwezen in zijn stem: "Het orgel is weg, ik weet niet waar het is gebleven."

Maar ik wist het wel. Het verdwenen harmonium stond bij ons thuis. Het was van tante Anna. Ik had het op mijn verjaardag gekregen. Ik durfde niets te zeggen. Het harmonium heb ik nog steeds en er wordt nog steeds op gespeeld. Toen we op een gegeven ogenblik gingen verhuizen, heeft mijn jongste broer Remmers nog een tekst over het orgel gemaakt op de melodie van "O alte Burschenherrlichkeit, wohin bist du entschwunden?" 

 

Het orgel gaat bij ons vandaan,

twee trappen naar beneden.

Van 't Hof,  die sjouwde zich een puist,

maar 't heeft er niet onder geleden.

 

refrein: O orgel, moge' uw tonen,

nog lang dit huis bewonen.

 

Van 't Hof was een oud-bokser, collega van Bep van Klaveren, die in 2007 verkozen is tot de 'grootste Rotterdammer'. Ze kwamen beide uit dat Crooswijk. De klanken van dat instrument zouden me  vanaf dat moment in 1943 mijn hele leven blijven vergezellen en plezier geven.

 

Van meneer van der Neut leerden we naamvallen en jaartallen. Taal en geschiedenis waren toen al mijn lievelingsvakken. En hij las ons voor uit ‘Het slot op den Hoef” van C.Joh.Kieviet, of een ander spannend boek.

Met kerst had ik dat jaar een prachtig rapport, allemaal achten.

Van die tijd herinner ik me ook nog dat Jopie van Vliet me zomaar een zoen gaf. En als je Plona Kruijne vroeg “Wat word jij later?” zei ze steevast: “Boerin, want Eppo wordt boer.” Ze had gelijk. Ik wilde graag boer worden, want mijn overgrootvader Pieter Luurts Harkema was eertijds ook boer geweest en koopman in zaden.

Later heb ik me trachten te herinneren wie er in onze klas zaten - klas vier 1943. Ik telde 19 namen en schreef ze op:

 

Jan van de Rest, Henk Metz, Flip van Oeveren, Nico Verhoeven, Henk Marquart, Geo Ornstein, Jan van der Knaap, Kees van Mourik, Anne – Stam. Bij hem schreef ik: "Hij had een hese stem, heel blond haar en kwam uit de polder". Frans van Pelt, Anderina de Wit, Plona Kruijne, Hanke Hogendoorn, Jopie van Vliet, Tilly Teeuwen. Aan haar  heb ik het meest gedacht. Tilly Teeuwen, haar naam komt terug. Nee, niet daarom. Niesje van der Gaag, Ada Knoppe, Jannie de Graaf, Joke van der Dussen. Ik vraag me af wie ik vergeten ben.

 

Tilly Teeuwen overleed een jaar daarna. De klas was er bij, toen ze op Oud-Kralingen begraven werd. ik herinner me alles. Haar graf kon ik de laatste keer, dat ik over de begraafplaats liep, niet meer vinden."

 

Oud Verlaat

"In juli 1944 kwam ik bij de familie Krijgsman. Janus Krijgsman van de Middelweg had een grote boerderij in Oud Verlaat, gemeente Zevenhuizen, een gemengd bedrijf, maar het land stond onder water. Toen ik er kwam, stond de boerderij op het einde van de dijk, totaal door het water geïsoleerd. Een klein lapje was er over.

De reden dat ik daar was, had te maken met de gebrekkige voedselsituatie in Rotterdam. Ik heb die hele afschuwelijke winter van 1944/45 geen ogenblik honger gehad; integendeel, we aten aardappels, rode peertjes, boterjus. Ja, die smaak van boterjus gaat nooit meer weg, zo lekker is die. We aten van prachtige tarwebroden, die de bakker had gemaakt van ons eigen graan. Het karnen van boter was mijn taak. We maakten kaas. Ik heb ook  het varken geslacht zien worden, een ingrijpende gebeurtenis in mijn nog jonge leven. Heel bijzonder was dat de boerderij een eigen gasvoorziening had. Uit een eigen wel werd brongas opgevangen. In alle vertrekken hadden we licht als de pas aanlegde elektriciteit uitviel.

Aan de gashouder kon je zien wat het weer zou brengen. Bij een hogedrukgebied lag de ketel laag. Het was wel een kunst om aan kousjes, de katoenen pitjes voor de lampen, te komen.

De boerderij had trouwens vele bewoners. De boer, zijn vrouw en zijn drie zonen woonden er. Dan was ik er dus. En Piet Plezier, een veterinair, was de onderduiker. Verder waren er voor een korte tijd twee Franse deserteurs en een econoom. Ik noemde me zelf in die tijd trouwens ook een onderduiker, het maakte me groot en nog meer deel van de familie. Het was objectief een verschrikkelijke tijd, maar niet voor mij.

 

Op dolle dinsdag, 5 september 1944, reed oom Krijgsman niets vermoedend op de fiets naar mijn ouders om te vragen of ik voorlopig niet op de boerderij kon blijven. Maar iedereen in Rotterdam riep maar: "We zijn vrij! Wij zijn vrij!"

Toen oom thuis kwam, riep hij opgewonden: "Haal de radio onder de grond vandaan". Maar op de radio bleef het stil.

Ik ben bij Janus Krijgsman gebleven tot het eind van de oorlog en nog een korte tijd daarna.

 

Eén van de meest emotionele momenten in mijn jonge bestaan was, toen ik getuige was van de wegvoering van de Rotterdamse mannen voor de Arbeitseinsatz, 11 november 1944. Toevallig was ik even thuis om mijn ouders eten te brengen. Ik zag op de terugweg een eindeloze stoet van mannen voortsjokken, met Duitsers op de fiets er naast. Ik wist dat er iets heel ergs aan het gebeuren was. Ik was een gelovig jongetje en heb gebeden. Niemand mocht die dag de stad in of uit. Mijn vader, die als predikant  en als 41-jarige, van de razzia was gevrijwaard, heeft op de typemachine een briefje geschreven dat het mij geoorloofd was de stad te verlaten. Bij het afsluitende cordon riep ik:: "Ich muss nach meine Mutti!" Dat was èn fout Duits èn niet waar. Ze lieten me door. Tot de bevrijding ben ik niet meer thuis geweest.

 

Met de familie Krijgsman heb ik altijd contact gehouden. In mijn studententijd bijvoorbeeld ging ik hen regelmatig helpen bij het werk, bij de korenbouw, alles met de hand en bij het melken van de koeien. Ik heb er leren tractor rijden. Nog steeds word ik door hen uitgenodigd, bij bruiloften en verjaardagen en natuurlijk bij begrafenissen."

 

 

 

 

 

 

Tolle lege

Augustinus doet verslag van zijn innerlijke strijd, die tot zijn bekering leidt, in zijn 'Confessiones' (Belijdenissen).

Hij vertelt hoe hij in de tuin van zijn huis in Milaan zat en een kind steeds maar hoorde zingen: 'Tolle lege, tolle lege' (Neem en lees, neem en lees).

Het was in die dagen een populair kinderspel. Augustinus vat deze woorden echter op als een persoonlijke boodschap van Boven en slaat de bijbel open. Hij leest de woorden van Paulus: “Niet in braspartijen en drinkgelagen, niet in ontucht en losbandigheid, niet in twist en nijd, maar bekleed u met de Heer Jezus Christus en vertroetel het vlees niet langer met zondige begeerten” (Rom. 13,13-14). Enige tijd later treedt hij toe tot de Christelijke Kerk.

 

 

 

 

 

  

 

   Dr. A.B. van Deinse.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Scannen0076

 

Helga en Eppo

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naar het gymnasium

"De oorlog was voorbij, Nederland moest weer opgebouwd worden en ik ging naar het Erasmiaans Gymnasium. In dat laatste oorlogsjaar was ik nog maar weinig naar school geweest en ik miste de nodige leerdiscipline.

Het eerste jaar werd dan ook een mislukking en ik moest het overdoen. Ja, ik was een vrijgevochten jongen met veel ondeugd. Ik herinner me dat we de aardrijkskundeleraar in de kast hebben opgesloten. Toen de volgende les moest beginnen, wilde de klas maar niet stil worden. Met stemverheffing werd om stilte gemaand. We zagen hoe de kast vervaarlijk heen en weer begon te schudden en we hoorden daaruit allerlei geluiden komen. Uiteindelijk sprong de leraar aardrijkskunde uit de kast. Zijn collega, de leraar Latijn, redde de situatie door met een vreemde grimas wat te lachen.

De school had geweldige leraren, die me door die schooljaren heen gesleept hebben. En daarbij wil ik natuurlijk niet mijn moeder vergeten, die me op gezette tijden hielp en overhoorde. Ik werd president van de 1c sociëteit, onze klassenclub en later hoofdredacteur van 'Tolle Lege', het schoolblad. Nu schrijf ik in het blaadje voor de oud-leerlingen van het Erasmiaans Gymnasium met de naam Tolle Belege. De band met de school heb ik dus behouden. Over de dierbare leraren heb ik later geschreven, ik noem juffrouw De Beer, van wie we toen nauwelijks beseften wat zij als Jodin in de oorlog heeft moeten meemaken en die - zo later bleek - familie had in Oss, en mijnheer Van Deinse, die me aanvankelijk niet zo dierbaar was. Ik heb erover geschreven in Tolle Belege.

 

Van Deinse was naar ik vermoedde niet of nauwelijks gelovig  – niet ongebruikelijk op een openbaar gymnasium. Mijn vader was dat wel. Hij verdiende er zelfs zijn brood mee. Op ouderavonden voer Van Deinse tegen mijn ouders uit. Ze voelden er meer, dieper ongenoegen door dan door de matige prestaties van hun zoon.

Nee, de verstandhouding Van Deinse – Van Veldhuizen was geen hartelijke.

Bij zijn afscheid eind 1950 bood ik hem in de klas namens ons  een aantal mooie, oude boeken over zijn vak aan. Van Deinse was er verlegen mee. “Hoe kom je daar aan, Van Veldhuizen?”, vroeg hij. Ik zei dat m’n vader ze gegeven had. Van Deinse zweeg.

In 1952 vierden we het lustrum van de C-Sociëteit, sinds 1c onze klassenclub die al die schooljaren en de scheiding in alpha en bèta overleefd had. We hadden, dankzij Kees van Wijk,  in de Oranjeboombrouwerij, een tentoonstelling en een receptie - en een feest na - georganiseerd.

De oud-leraar Van Deinse was ook uitgenodigd. En hij kwam. Ik was bezig bij een tafel, toen hij opeens voor me stond. Buiten een schoollokaal en buiten schooltijd hadden we elkaar nog nooit ontmoet. Hij stak zijn hand uit. Hij had nog nooit een hand gegeven. Hij keek me aan, slikte eens, schraapte z’n keel. Bruusk, rasperig kwam het er toen opeens uit: “Dag… Eppo.”

Dat had hij nog nooit gezegd. Voornamen gebruikte hij bij jongens niet. Een heel bijzonder lustrum kreeg er een bijzondere ervaring bij.

Niet zo heel lang daarna kwam mijn vader met een girootje bij me. Het was een royale gift voor zijn werk in Rotterdams armste wijk: Crooswijk. Het was een gift van dr. A.B. van Deinse."

 

Student in Leiden

"Mijn broer Adriaan vroeg ik of ik nu zoals hij ook theologie moest gaan studeren. Mijn hele familie zat immers vol met theologen en dominees.

"Nee, dat hoefde niet", zei Adriaan.

Adriaan werd zelf later ook geen dominee. Hij werd later tot lid van de Eerste Kamer gekozen. Mijn broer Egbert is de enige in ons gezin, die in de voetsporen van mijn vader dominee is geworden.

Maar wat dan? Ik koos voor rechten. Waarom? Omdat iedereen die niet wist wat hij moest studeren, rechten deed. Bijna al mijn vrienden gingen rechten studeren. Ik kon niet achterblijven. Ik was de eerste niet theoloog in de familie. Adriaan en ik hadden samen een kamer in de Da Costastraat, nummer 54, in Leiden.

Ik werd lid van het Leids Studentencorps. Ja, ik ben ontgroend, werd dus kaal geschoren en deed mee aan de oude mores. Dat kaal scheren is inmiddels al lang afgeschaft.

Wat ik in Leiden ook leerde, was vriendschap. We hadden een goede jaarclub van zo'n 15 jongens. Heiko Geertsema was een van mijn vrienden. Hij heeft me later in dienst meer brieven geschreven dan wie ook.

We zongen ook veel en als we tegenwoordig bij elkaar komen, zingen we de oude liederen van onze jaarclub nog steeds,. De rechtenstudie als zodanig vond ik eerst maar matig interessant. We kregen Romeins recht, dat - denk ik - met zijn Latijnse teksten tegenwoordig zo niet meer gedoceerd zal worden. Ik had grote belangstelling voor het oud- vaderlands recht. Geschiedenis heeft me altijd geboeid. Ik had die tijd een vriendinnetje, dat sociologie studeerde. Als ik haar studieboeken zag, werd ik jaloers. Het ene boek leek me nog interessanter dan het andere. Mijn keuzevakken werden sociologie bij van Heek en criminologie bij professor Nagel, die gedichten en essays (Volg het spoor terug) publiceerde onder de naam J.B. Charles."

 

PvdA

"Mijn vader was lid van de Christelijk Historische Unie (CHU) en toen hij in 1963, 60 jaar oud, overleed, ben ik lid geworden. In Leiden stemde ik overigens al PvdA. Toen de ARP en de KVP aan dat roemruchte kabinet Den Uyl (1973-1977) meededen, nam ik het de CHU zeer kwalijk dat zij aan die samenwerking weigerde mee te doen. Christenen die niet met de sociaaldemocraten in zee wilden gaan, dat werd me te gortig. En zo kwam ik dus bij de PvdA terecht."

 

Intermezzo

"Tijdens mijn studie heb ik mijn dienst vervuld. Ik was officier, batterij-commandant lichte luchtdoelartillerie op de vliegbasis Volkel. Het was een goede tijd, waaraan ik plezierige herinneringen heb overgehouden.

Daarna wilde ik niet direct naar Leiden terug. Het verschil was te groot. Ik ging varen op het m.s. Alhena. De reis voerde van Rotterdam via Las Palmas naar Recife, Rio de Janeiro, Montevideo (Uruquay), Buenos Aires (Argentinië) en toen weer terug over Hamburg en Bremen naar Rotterdam. Het was drie maanden werken van 's morgens vroeg tot 's avonds laat en één dag vrij. Aan de wal was er meer vrije tijd.

De wereld ging in meer dan één opzicht voor me open. Ik leerde zogezegd de zelfkant van de zeevarende natie kennen. De bemanning van de civiele dienst - kombuis, pantry - daar werkte ik -, bakkerij, wasserij, bar, salon, enz. - bestond uit mannen, die soms oude beroepen vaarwel hadden gezegd. Enkelen waren homoseksueel. Naar de hoeren ging bijna iedereen. Het was voor mij allemaal onbekend. Als we in een haven lagen, snelden zij naar de kroegen en de bestemde huizen. Ik kocht een treinkaartje en verkende het land. Ik heb daardoor interessante mensen leren kennen. De mannen aan boord geloofden niet dat ik nog maagd was, maar later koesterden ze het. Toen ik toch een keer in een bordeel terecht kwam, hebben ze me als één man beschermd, want ze wilden niet dat ik mijn maagdelijkheid door hun toedoen zou verliezen."

 

Freiburg

"Professor Willem Hendrik Nagel, die ik al noemde, bood me na mijn studie een baan in Freiburg aan. Ik werd gastassistent internationaal strafrecht bij professor Hans-Heinrich Jescheck. Het was Duitsland na de oorlog, een gedeeld land met die gruwelijke  geschiedenis. In 1949 werd de DDR opgericht. Met het communisme moesten we ons auseinandersetzen, zo heette dat in die tijd. Strafrecht was toen in Duitsland ook rechtsfilosofie. Ik realiseerde me dat mijn grootmoeder Harkema-Schoneboom eveneens uit Duitsland kwam en ik herinnerde me hoe mijn vader en moeder samen aan tafel Goethe en Schiller citeerden. Het oude Duitsland was een cultuurland. Ik heb wel eens gezegd dat Duitsland door dat jaar het tweede vaderland voor mij werd, inclusief de erfenissen. Ik heb er Helga Gärtner leren kennen. Met haar ben ik teruggegaan naar Rotterdam We trouwden in de Pauluskerk. De dienst werd in twee talen gehouden, verzorgd door mijn vader en door Adriaan voor de Duitse gasten. De Pauluskerk is later bekend geworden door het werk voor verslaafden van Ds. Visser en is onlangs gesloopt."

 

 

 

 

 

Siebenbürger Sachsen

Koning Geza II van Hongarije (1141-1162) riep Saksen, Franken, Lotharingers en Vlamingen op naar de  landen aan de oostgrens van zijn rijk te komen, het gebied dat Transsylvanië genoemd wordt.  Het was vruchtbaar en rijk aan mogelijkheden.

Kom naar het land vol melk, honing en vlees,' riep hij de West-Europeanen toe.

Zijn bedoeling was niet moeilijk te raden.

Hij vreesde de oprukkende Aziatische volkeren en wilde een buffer.

Vele West-Europeanen gaven gevolg aan zijn oproep en vertrokken naar het nieuwe land.

Ze bouwden er dorpen en steden.

 Toen de Mongolen in 1241-1242 Hongarije binnenvielen, werden vele daarvan ook weer verwoest.

Na het vertrek van de Mongolen werden de nederzettingen echter weer opgebouwd en ontstonden er zeven 'versterkte' steden, Siebenburg. De steden droegen vroeger een Duitse naam, maar dat is veranderd. Kronstadt heet nu Brasov en Hermannstadt  werd Sibiu. Sibiu is een prachtige monumentale stad die in 2007 tot de culturele hoofdstad van Europa is uitgeroepen.

 

 

 

Voor mijn vrouw

 

Mutti

 

Mijn moeder drieënnegentig geworden

is ver van mij vandaan

een vreemd steriele witte kamer

verwart haar geest – besef van

ziekenhuis en eind van kracht

dringt moeizaam door.

 

Zo groot als afstand is, zo heel nabij

ben ik bij haar, daar bij haar staan

en even maar een hand, een kus

op haar zo mooie en vertrouwd gezicht.

 

Dan gloeit een lampje van herkenning aan

en door de witte kilte komt het oude licht

van al die jaren moeder zijn

haar land, mijn land – zeshonderd kilometer

ze scheiden ons en niet

van liefdevol verbonden zijn.

 

Eppo van Veldhuizen

 

 

 

 

Helga Gärtner

De geschiedenis is vol met verhalen die we vaak niet kennen. De moeder van Helga kwam uit Kronstadt, de Duitse benaming van het tegenwoordige Brasov in Roemenië. Haar ouders behoorden tot de Siebenbürger Sachsen. De moeder van Helga is al in 1940 naar Duitsland gegaan. Zij merkte dat de Duitstaligen uit Roemenië door Hitler voorbeschikt waren de veroverde Oostelijke gebieden te besiedeln.  Zij wilde zich daarvoor niet lenen. Ze reisde helemaal alleen naar Berlijn, een moedige daad in een turbulente tijd. Ze mocht in Duitsland te blijven. Ze kwam uiteindelijk terecht in Sankt Peter, een schitterend dorp in het Zwarte Woud niet ver van Freiburg, waar Helga geboren is.  Mutti is in 2006 in Freiburg overleden.

Met de Duitstaligen in Roemenie is het tegenwoordig droevig gesteld.

90% van de 300.000, die er voor de oorlog woonden, is weg. De kleine gemeenschap die over gebleven is, heeft vooral onder Ceaucescu zware tijden gekend. Na deportaties van de vrouwen naar Rusland en  de incidentele, moeilijke en kostbare emigratie en de bijkans totale, massale uittocht na het verdwijnen van de dictator Ceaucescu bleven er nog zo'n 15.000 over.

Mijn vrouw en ik hebben samen met oud-inwoners, nakomelingen en een paar belangstellenden Siebenbürgen bezocht, op zoek naar sporen van de voorouders. Een van de mooiste ervaringen maken we dan mee in Homorod, (voorheen Hammrude), een klein dorp met een kleine kerk. Ik heb onze ervaring in Vox Humana (het blad van de Harmonium Vereniging Nederland) beschreven."

 

Een wonderschoon kerkje, houtwerk, banken, teer, wat wazig, maar prachtig beschilderd. Een apart boerenbont. En ook hier een burcht om de kerk heen. Elders zijn die veel groter, beroemder, schutplaatsen eeuwenlang tegen vooral Turkse invallen. Veel kerkjes zijn gerestaureerd, redelijk onderhouden. Andere niet. Maar wat leeft er nog in?

Hammrude, Homorod. De man die over het kerkje gaat, wordt opgespoord. Dominee en koster zijn er al lang niet meer. Herr Thomeck verschijnt. Op de fiets, moeizaam, oud, maar vitaal toch en bijzonder. Hij spreekt ons toe. Hij zegt niet zomaar wat. Hij spreekt. Een korte, indringende rede. Met vaste stem. Duits, mét het Saksische dialect zijn moedertaal. Verzorgd, met een rollende r, een doffe a en een naar de Oostenrijkse ei zwemende ei.

Herr Thomeck is, zegt hij, blij die taal tegen ons te kunnen spreken. Dit godshuis, zegt hij, is ook blij. 86 is hij en op twee na de jongste. Met 700 waren ze, eens, hier in Hammrude. Nu, in Homorod zijn ze met z'n zeventienen.' U denkt daar in Duitsland aan de oude Heimat. Wij denken er hier aan. Ze is er niet meer. Daar noch hier. We zijn vreemden in wat vertrouwd en eigen was. Deze kerk ziet ons niet veel meer samen. Het orgel klinkt niet meer'. Hij houdt even op en kijkt naar het mooie orgeltje recht boven het altaar: 'Is er hier misschien iemand die erop spelen kan?'

Er was niemand. Toen heb ik m'n hand maar opgestoken. Herr Thomeck wees mijn vrouw en mij de trap en waar de stekker in het stopcontact moest. Ik zag de stroom blauw flitsen. Er ging een zucht door het orgel. Koraalmuziek was er niet, alleen een liedboek. Het was een eenvoudig instrument, één klavier. Pedaal? Ik weet het niet meer – ik had dat toch niet kunnen bespelen. M'n vrouw zocht in het liedboek 'Grosser Gott, wir loben dich' op en ik speelde naar eigen, ongehoorde en hoogst eenvoudige harmonisatie. Een wondermooie, gave, simpele klankenschat gaf het orgeltje prijs. Het kerkje werd weer even kerk. Het hoorde zijn stem. Het leefde. Mensen beneden herkenden en stemden in. De reisgroep werd gemeente en zong. Een bijzondere ervaring beneden en zeker boven. Nog een lied. En toen, het slot van breekbaar, aarzelend spel van deze eerste - en eenmalige - organist, het lied dat voor de prinsen Claus en Bernhard in Delft zo schitterend klonk. ' So nimm denn meine Hände...bis  an mein Lebens Ende...und ewiglich.' Het klonk nu hier. Het omhulde ons: 'Neem Heer mijn beide handen.' Het wordt in Duitsland vooral bij trouwerijen gezongen. Maar daar in Homorod was het ook op z'n plaats. Het heeft Herr Thomeck verkwikt en gesterkt. Hij was er dankbaar voor en wij ook.

 

 

 

 

 

 

Gemeentewapens

In de eetkamer hangt nog steeds een oude kaart van de gemeente Fijnaart en Heijningen naast die van Oss, en de gemeentewapens van de vier gemeenten hangen in glas voor het raam.

 

fynaart

 

Fijnaart

 

wapen%20dronten_234x126

 

Dronten

 

oss

 

Oss, oud en nieuw