Wim Rhebergen

 

 

 

 

 

 

 

 

Interviews ►

Home

 

 

Contact: info@rhegie.com

 

 

P1012332

John Pubben

“We zijn gelukkig, daar gaat het toch om?”

 

John Pubben

 

Geboren

1 juni 1966 te Roermond

 

Een musicus die visueel gehandicapt is.

 

P1012333

 

 

 

 

 

 

 

 

“Ik laat het interview over me komen”, zegt hij, maar voordat ik een vraag stel, begint hij al te vertellen. Een musicus die visueel gehandicapt is. In het telefoongesprek dat ik met hem had om een eerste afspraak te maken, maakte hij me hierop al attent en als ik bij hem ben, bemerk ik hoezeer dat zijn hele leven kenmerkt.

 

Ik ben niet blind, maar ook niet ziend

“Ik ben niet blind, maar ook niet ziend. Mijn ogen trillen. Je moet niet schrikken als ik wat raar zit te kijken, maar ik moet me dan concentreren om beter te kunnen zien. Ik ben ermee geboren. Mijn moeder kreeg toen ze zwanger was, toxoplasmose, een infectieziekte die de ongeboren vrucht aantast.  De oogafwijking heeft in zeker opzicht mijn ontwikkeling bepaald. Wat het oog te kort schiet, compenseer ik met mijn oor. Ik ben gezegend met  een absoluut gehoor, dat wil o.m. zeggen dat ik de toonhoogte van de toon kan bepalen zonder een referentietoon te hebben. Ik heb geleerd mijn eigen weg te gaan en op mijn manier ben ik een levensgenieter. Muziek betekent alles voor mij.”

 

Het orgel

“Een van mijn mooiste herinneringen als kind was wanneer ik met mijn grootvader op het orgel van de kerk mocht spelen. Hij was  koster en nam me dan mee. Noten lezen kon ik niet en hoefde ik ook niet. Ik speelde maar wat en improviseerde er op los. Ik kan zeggen dat ik opgevoed ben met muziek, vrolijke muziek, de radio stond de hele dag aan. Naast deze mooie herinneringen heb ik ook pijnlijke herinneringen aan de tijd dat ik nog kind was. Op de kleuterschool werd ik gepest. Ze lieten me  als een paard rondjes lopen met een teugeltje om. Ik wist niet hoe ik me moest verweren.”

 

P1012354 Het ouders’ huis in Helden

 

Internaat

“Toen ik zes jaar was, werd  ik in verband  met mijn handicap op het internaat De Wijnberg in Grave geplaatst, een blindeninstituut. Het begin was niet gemakkelijk. Ik herinner me dat ik vaak huilde en terug naar huis wilde. Maar achteraf gezien ben ik toch blij dat mijn ouders dat toen hebben doorgezet, hoewel mijn verdriet voor hen ook niet gemakkelijk was. Ik mocht in de weekenden naar huis, maar ontwikkelde - hoe klein ik ook was - allerlei vertragingstechnieken om mijn verblijf thuis zo lang mogelijk te laten duren. Mijn grootste droom was dat alle stoplichten op rood zouden staan als ze me terugbrachten. Ik had op het instituut de neiging om me terug te trekken. Door middel van speltherapie probeerden ze daar wat aan te doen.

De klas, waarin ik zat, was klein. En de leefgroep, waartoe ik behoorde,

bestond uit zo’n 20 jongens later zelfs maar 13. In 1973 verhuisde ik naar Sint Henricus in Nijmegen, een instelling die eveneens verbonden was met de Wijnberg. Beide instituten maken nu onderdeel uit van Theofaan, centrum voor blinden en slechtzienden. In 1983 haalde ik daar mijn MAVO-diploma.

Maar ik moet nu eerst vertellen over de enorme invloed die mijn muziekleraar op mij heeft gehad. Hij heette  Bernhard Rikkert De Koe. Hij kon prachtig vertellen. Ik geloof niet in sprookjes, maar wel in zijn verhalen. Als ik ze thuis probeerde na te vertellen, vroegen zij verbaasd: ‘ Waar heb je het eigenlijk over?” Hij is organist, pianist, koordirigent. Hij nam ons mee naar de kerk in Heyendaal   en speelde een toccata van Widor. Een enorme ervaring. Ik weet nog dat het op een donderdag was en ik zie me nog staan tussen al die andere jongens in een kring om het orgel geschaard. Eigenlijk kun je zeggen dat op dat moment de basis is gelegd voor mijn muzikale carrière. Ik wilde naar het conservatorium. Na het behalen van het Mavo-diploma keerde ik terug naar mijn ouders en begon aan de voorbereidende klas van het conservatorium en studeerde voor het HAVO-diploma. Ik kreeg voor het eerst van mijn leven officieel orgelles van een begeleider van het instituut. In 1985 begon ik in Maastricht op het conservatorium.”

 

portret van Bach

 

 

Bach

“In 1985 leerde ik de muziek van Bach kennen. Het was het Bach-jaar, want 300 jaar geleden was hij geboren, 21 maart 1685. Op de radio was er veel aandacht voor zijn muziek. Ik kende weliswaar Bach uit mijn jeugd. “Jesus, bleibet meine Freude” kon ik als kind gewoon meezingen, maar dat is nog wat anders als dat je zelf de ‘Inventionen’ van Bach op het orgel mag spelen. En de preludiums en de fuga’s. Mijn geloofsleven is er radicaal door veranderd. Sindsdien ga ik anders naar de kerk. De muziek van Bach geeft je een basis voor het leven, daar kan geen kapelaan aan tippen. Met Bach in mijn oren ben ik geloviger dan de paus.”

P1012337

 

Josephklooster

Paters Lazaristen

Panningen

 

 

Maastricht

In augustus 1985, negentien jaar oud, ging ik naar Maastricht en begon ik mijn opleiding aan het conservatorium. Ik woonde zelfstandig, ergens in een straatje naast een seksshop. Tussen twee haakjes: ik ben wel slechtziend, maar er ontsnapt wat dat betreft  niets aan mijn aandacht. Ik leerde mezelf boodschappen te doen, te koken – ik heb in die tijd heel lekker gegeten -, met een blindenstok te lopen en de straat over te steken. Maar toen overleed mijn opa aan een hartstilstand, 1986. Mijn heeroom, Lazarist, de oudste broer van mijn vader, ome Jan, kwam over uit Brazilië  waar hij in de missie werkte, om hem te begraven. Hij  had mijn ouders ook getrouwd.

Na een maand ongeveer vertrok hij weer en ik zag hem met lede ogen vertrekken”

 

Eerste psychose

“Het overlijden van mijn opa heeft in mij iets los gemaakt. In 1987, een jaar later, op mijn verjaardag, stortte ik in elkaar en leed aan psychoses. Ik sliep niet meer, voelde me eenzaam en had regelmatig huilbuien. Was het mijn zelfstandigheid die ik niet aankon? Was het de zwaarte van de studie?

Ik had een lerares orgel, met wie ik niet overweg kon. Ik was faalangstig.

Ik vraag me nog af of de intense muziek van Bach, die ik tot in mijn diepste vezels in mij opnam, nog een rol daarbij speelde? Was het de kerk met haar prediking van schuld? Ik voelde me schuldig. Waarvoor? En waar moest ik heen? Ik vluchtte naar de Lieve Vrouwen Basiliek en weigerde weg te gaan.

Ik biechtte dat ik alles in mijn leven verkeerd had gedaan. Toen mijn ouders opgetrommeld werden om mij te halen, riep ik: “Wat komen jullie hier doen?”Ik werd opgenomen op de PAAZ-afdeling in Venlo. Een zware tijd. Ik had het gevoel dat iemand me steeds achtervolgde en notities van me maakt. De gedachte was niet zo gek met al die therapeuten om me heen.”

 

P1012347

 

‘Even een kaarsje opsteken!’

 

 

Mensen die je helpen

“Aan pastoor Van Rens, later deken in Venlo, heb ik in die tijd veel te danken. Met hem had ik een aantal gesprekken van mens tot mens. Hij kende me uit mijn jeugd en had een goede band met mijn vader. Hij kwam me opzoeken in de separatiecel waarin ik was gezet, bang dat ze waren dat ik mijzelf iets zou aandoen. Ik zei: “Ik heb iets fouts gedaan!”

“Wat dan?” vroeg hij.

“Ja, dat weet ik niet!”
Hij zei: “Ik houd je in de gaten.” Dat was voldoende om verder te kunnen.

De opname duurde drie maand. Ik heb me op de PAAZ nooit thuis gevoeld.

Ik zei maar steeds: “Ik hoor hier niet”, en dat was ook zo. Na twee weken nog opgenomen te zijn in Vijverdal, een centrum voor psychiatrie in Maastricht, werd ik ontslagen en kon ik weer beginnen aan de opleiding. De opname duurde alles bij elkaar zo’n vijf maanden.”

http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/d/dd/Puer_natus_est.png

 

Puer natus est”

 

Een nieuw begin

Ik kreeg een andere leraar muziek. Ik kwam bij hem en zei: “Ik ben ziek, maar ik weet niet wat het is.”

Hij zei: “Ga dat maar eens rustig uitzoeken en weet dat je bij mij altijd terecht kunt.”

Hij gaf me vertrouwen. Een nieuw element in mijn muziekstudie was het Gregoriaans. Van huis uit ben ik opgevoed met popmuziek. Het Gregoriaans kende ik weliswaar uit de kerk, maar ik had me er nooit serieus mee bezig

gehouden. De lessen Gregoriaans waren zeer inspirerend. Een nieuwe wereld ging voor mij open. Mijn leraar zei dat het Gregoriaans de basis was van alle Westerse muziek. Thuis stond ik te dirigeren voor het raam. “Puer natus est.”

Het is een kerstlied, maar ik dirigeerde het in de zomer.

Ik kreeg een stageplaats op het blindeninstituut in Grave, dat ik uit mijn kindertijd zo goed kende. Het sprak me erg aan en gaf me perspectief.

En zo knapte ik geleidelijk op. In 1991 behaalde ik het diploma conservatorium en keerde terug naar Helden-Panningen, begon privélessen te geven en speelde bij begrafenissen op het orgel in de kerk in Panningen.

In die tijd leerde ik John kennen, maar daarover later.”

 

 

Tweede psychose

“En toch, ik was weer thuis, had de draad weer opgepakt en het ging goed, maar ineens drong tot me door dat de kerkklokken bij de begrafenisdiensten, waarbij ik het orgel bespeelde, doodsklokken waren. Ik dacht terug aan mijn opa, die 7 jaar geleden was overleden en een jaar later was ook oma gestorven. Toen hadden die klokken ook geklonken. Alle ellende leek toen opnieuw te beginnen. Ik werd opgenomen op de PAAZ en vervolgens op het Van Gogh Instituut in Venray - inderdaad genoemd naar Vincent van Gogh.

Ik ben er ongeveer een jaar geweest. Met als resultaat dat ik niet meer wil spelen bij begrafenisdiensten. Ja, dat vonden ze in Panningen wel jammer.”

 

P1012338

 

Rooms Katholieke Kerk - OLV van Zeven Smarten in Panningen.

De kerk, waar John het orgel bespeelde.

 

 

John, mijn vriend

“John heb ik in 1988 leren kennen. Hij was blind en kwam vanuit Bartiméus in Zeist. Hij gaf me spontaan een por toen we op de trein stonden te wachten om op vakantie te gaan – speciaal voor binden en slechtzienden. Die por was het begin van onze relatie. Het was liefde op het eerste gezicht. Hij heeft een grote invloed op mij gehad, hij heeft me geleerd om op een andere manier te kijken.

…..  ja, het zijn allemaal uitdrukkingen waarin het oog een rol speelt! Hoe kan dat? …

Het was een innige vriendschap. Hij heeft me steeds in al die jaren opgevangen en geholpen. Ik was toen 21, hij was 33, de leeftijd dat Jezus stierf; tussen ons was 12 jaar verschil. Hij stopte voor mij met roken en schoor zijn baard af. “Jij ben mijn eerste vriend”, zei hij, “Ik laat je niet meer los. Jij kijkt niet met je ogen, je kijkt met je hart.”  Het is een vriendschap die me zomaar in de schoot werd geworpen. Ik kwam thuis en zei: “Ik heb een vriend.”

John zei ook: “Ik ga bij jou wonen, niet in Venray, maar in jouw huis in Panningen.” We hebben 12 jaar samengewoond. In dit huis is hij ook overleden door een hartstilstand – 24 april 2005. Ik kon het aanvaarden.

John had me dat geleerd. Ik hoefde me over zijn dood niet schuldig te voelen. Ik heb de vriendschap mogen aanvaarden zoals hij kwam. John was van oorsprong protestant, maar was  omwille van mij katholiek geworden.

Het was in een onderonsje met de pastoor in Venray geregeld, ik was er niet bij betrokken. Hij heeft zich toen opnieuw laten dopen.”

“Wat zei de kerk over jullie verhouding?”

“Er is nooit over gesproken.”

John is katholiek begraven, of beter gezegd ”gecremeerd”. Ik hoorde de oude teksten en gezangen en herkende de rituelen van de kerk uit mijn jeugd. Maar dat stond allemaal op de achtergrond. Er werd immers niet zomaar iemand begraven, maar John, mijn vriend. Ik heb het intens beleefd en ben niet ingestort.”

 

 

 

Een nieuwe vriendin

“Sinds mei 2007 heb ik een vriendin. Ze werkt op de sociale werkplaats, waar ik tegenwoordig ook werk – evenals John toen hij nog leefde. We kennen elkaar al lang. Zij zei: “Wat ben je toch een lief jong!”

“Ja,” zei ik, “is dat zo?”

“Ja, dat is zo! Maar toen je John had, kon ik er niet tussen komen.”

Ik vroeg: “Heb je daar al die tijd op zitten te wachten?”

Ja, dat had ze gedaan. Sinds dat moment hebben we een relatie.  Ze woont bij mij in de buurt en komt regelmatig bij mij thuis. Nee, we gaan niet samenwonen. Ze heeft epilepsie en daarom is het belangrijk dat ze blijft wonen, waar ze nu is. Ik zorg een beetje voor haar. En zij zorgt voor mij.

Mijn moeder moest er wel aan wennen. Ik zei: “Je moet haar een eerlijke kans geven.” Het gaat goed. We zijn gelukkig. En daar gaat het toch om!”