Wim Rhebergen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Interviews

Home

 

Contact: info@rhegie.com

 

 

             Riek en Cok Pels en de AJC

 

De Meiroep, 1931, Ontwerp Fré Cohen

 

 

 

 

 

Birkbode, juni 2002

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ochtendgymnastiek in Vierhouten

De Paasheuvel, jaren '30.
Foto: J. Coerdès

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ordetekens Rode Valken, Zwaluwen en Trekvogels, 1925-1955

 

 

Buitengewoon congres AJC, 27 mei 1958

Tijdens het Pinksterfeest wordt in de Zonnehal het principebesluit tot opheffing genomen.

 

 

In de vorige Birkbode stond een indrukwekkende bijdrage van de heer Pels, echtgenoot van mevrouw Pels, die op afdeling Lariks verblijft, over de viering van de vierde en vijfde mei.
In deze Birkbode praten we met hem over zijn leven en zijn vele activiteiten. Een boeiend verteller en een wijs man. We geven hem het woord.


Utrecht 1917
"Ik ben geboren in 1917, in Zuilen, dat toen nog een zelfstandige gemeente was, maar nu bij Utrecht hoort. Mijn vader werkte bij Werkspoor, maar begon op een gegeven ogenblik samen met enkele anderen een eigen timmermansbedrijfje. Het leek allemaal te lukken. De wijk Ondiep werd gebouwd. Maar toen werd er een verhaal in omloop gebracht, waarin mijn vader zwart werd gemaakt. Hij moest als het ware uit Utrecht vluchten. Het was 1923, ik was zes jaar oud, mijn vader en moeder, beiden rasechte Amsterdammers, keerden terug naar hun stad. Mijn vader begon daar opnieuw met een eigen bedrijf, een trappenmakerij. Eigenlijk kan ik daardoor zeggen dat ik een echte Amsterdammer ben. Later ben ik nog vaak in Utrecht geweest, bij mijn tante. Meestal was ik er met mijn vriendje. Op de weg terug namen we de postduiven van mijn oom mee. Op een bepaalde plek lieten we ze gaan. Mijn oom en tante wisten dan dat we veilig op dat punt aangekomen waren."

Amsterdam
"We woonden in de Dapperbuurt. Ik bezocht de school aan de Balistraat. Ik was een keurige jongen, fatsoenlijk en altijd netjes gekleed. Mijn moeder verstond de kunst om zelf kleren te maken. Alleen de schoenen werden gekocht. Ik droeg mooie, moderne kleren. Maar ik herinner me ook die keer dat ik mijn pet vergeten had. We zouden die dag naar Artis gaan, en juffrouw Borst zei: "Zo kan ik je niet meenemen. Waar is je pet?" Ik ben naar huis gerend. Mijn vader zei: "Is ze nu helemaal besodemietert!" Ik kreeg een briefje voor juffrouw Borst mee: "Ik wil de jongen niet duperen, maar bemoeit u zich alstublieft niet met het toilet van mijn zoon!" Ja, juffrouw Borst zullen we niet vergeten. We zeiden als jongens altijd: "Juffrouw Borst mag er wezen!" Mijn latere vrouw heeft dezelfde school bezocht, maar ik heb haar in die tijd niet ontmoet."

Driejarige ULO en kweekschool
"Na de lagere school ging ik naar de driejarige ULO. Er was ook een vierjarige ULO met de studierichtingen A (handelskennis) en B (wiskunde). Ik kon goed leren. De ULO heb ik in 2½ jaar kunnen afronden. De insteek was in die tijd september of februari - en ik zat op de zogenaamde februarischool. Met extra bijlessen kon ik het toelatingsexamen voor de kweekschool (tegenwoordig pedagogische academie) afleggen. Eerst schriftelijk en toen mondeling. Ik was een klein ventje, die er goed uitzag. Volgens mij wilden ze mij daarom wel hebben. Het eerste jaar heb ik trouwens over moeten doen. Ik was lid van de AJC (Arbeiders Jeugd Centrale) geworden en had een meisje (mijn huidige vrouw) leren kennen. In 1937 werkte ik als de zogenaamde kwekeling met acte."

AJC
"In 1930 werd ik lid van de AJC. Deze beweging heeft enorme invloed op mijn ontwikkeling gehad. Ik leerde daar ook mijn vrouw kennen. Ik weet het nog, 20 januari van dat jaar maakten we een wintertocht. Ergens in de buurt van Bussum vroeg de leider: "Wie wil er water halen!" We hadden een primus bij ons en zouden een kopje thee maken. Een voor mij onbekend meisje stak de vinger op en zei: "Dat willen wij wel doen!" en ze wees op mij. Later moesten we samen een verslag over de tocht maken. Ik zei tegen mijn ouders: "Er komt zo dadelijk een meisje bij ons thuis!"  Riek was assistent-leider van een meisjeshorde en ik assistent-leider van een jongenshorde. Bij de AJC spraken we over de troep, die uit verschillende horden bestond. Elke horde had een leider. De assistent-hordeleider was dan een lid van de horde, die de leden van de horde vertegenwoordigde bij de leider. Op deze manier leerde je wat het betekende om andere mensen te vertegenwoordigen, een belangrijk principe in de democratische vorming. Ik heb in die tijd Ies Baart leren kennen, een inspirerende man, die slechts met een ULO-diploma zich heeft ontwikkeld tot voorzitter van de Algemene Nederlandse Bedrijfsbond en tot lid van de Tweede Kamer."

Kwekeling met acte
"Een kwekeling met acte - dat betekende dat je voor een habbekrats voor de klas stond. In sommige delen van het land kreeg je helemaal niets. Het was een vorm van uitbuiting. Men maakte op grote schaal misbruik van de werkloosheid in die dagen. Ik trok in die tijd door het land met een tentoonstelling "Hoe tekent het kind in Indië."  Voor de uren die ik daarmee bezig was, kreeg ik het beginnersloon van een onderwijzer."

Mobilisatie en oorlogstijd
"In 1939 werd Nederland gemobiliseerd. Ik was ook gekeurd, in 1937. De kapitein zag aan mijn kleren dat ik van de AJC was. Toen ik zei bij de geneeskundige dienst te willen werken, zei hij meesmuilend: "Jaja, u wilt liever dat anderen de wapens dragen!" Veel AJC-ers weigerden de militaire dienst. Vredespolitiek was een belangrijk onderwerp in onze discussies, maar er was ook een zeker besef dat bij de opkomst van Hitler in Duitsland er ook van ons zelf iets gevraagd zou worden. Ik heb bewust de militaire dienst niet geweigerd. Toen de tweede wereldoorlog begon, zat ik als hospik in Wezep, bij Zwolle. We werden snel teruggetrokken en we verbleven in een schooltje bij Kamerik, een klein dorpje nabij Woerden. In de oorlogstijd is de AJC opgeheven.

In 1942 trouwden wij. Enkele AJC-ers komen dan nog in het geheim bij elkaar. We praten en zingen. Het is riskant, maar we doen het toch. Twee Joodse vrienden van ons worden opgeroepen om naar Duitsland te gaan. We bieden hen aan om bij ons onder te duiken, maar zij weigeren. Zij zouden zich er wel doorheen slaan, was hun gedachte. Wij hebben ze nooit meer terug gezien. Later hebben we van een ooggetuige uit Polen gehoord hoe beide vrienden aan hun eind zijn gekomen. Mijn vader heeft negen maanden in Vught gezeten, hij had aan Joden onderdak geboden. Wij waren ook actief in het verspreiden van het Parool, een verzetskrant. Vijf mei werd Nederland bevrijd. Zes dagen later, 11 mei is er de eerste bijeenkomst van de AJC na de oorlog in het Concertgebouw in Amsterdam. Ik word uitgenodigd om op die bijeenkomst te spreken. Het gemis van onze Joodse vrienden is erg groot."

Bezoldigd bestuurder van de AJC
"In 1945 werd ik gevraagd bezoldigd bestuurder van de AJC te worden. Tot 1954 ben ik in die functie door het hele land getrokken, veel vergaderd en veel gesproken op de AJC-bijeenkomsten . Op de bijeenkomsten werden er ook korte sketches opgevoerd en films vertoond over de zomerkampen, die op Vierhouten werden georganiseerd. Voor de oorlog werden de jongeren de Rode Valken genoemd, na de oorlog de Trekvogels. De filosofie was: Rode Valken zijn roofvogels, en dat willen we niet zijn. Bovendien zijn roofvogels eenlingen, en wij willen in een sociaal verband ons bewegen. Maar wat belangrijk is, de AJC, zowel voor de oorlog als na de oorlog, had sterk vormende aspecten. Gezamenlijke spraken wij uit: "Wij, rode valken, voelen ons deel van de strijdende arbeidersklasse" en "Wij streven naar soberheid en eenvoud, wij gebruiken geen alcohol en tabak, wij hebben eerbied voor iedere eerlijke overtuiging, ook als ze de onze niet is." Bij de Trekvogels spraken we van de 'Grote Reis'. We leerden de 12-jarigen eerst hun straat en buurt te verkennen, vervolgens de stad waar ze woonden, het eigen land en dan de wereld. We verdiepten ons in de wereldgeschiedenis, met name in de geschiedenis van het socialisme met de grote leiders zoals Troelstra en Wibaut, maar ook Roosevelt, de vroegere president van Amerika.  De oorlogsherinneringen speelden een belangrijke rol. De strijd tegen het fascisme was een belangrijk onderwerp. In theorie was de 'Grote Reis' mooi uitgedacht, maar in de praktijk was die toch moeilijk te verwezenlijken. De meeste groepen bestonden uit meerdere leeftijden. In 1954 heb ik afscheid genomen. Dat jaar was er nog een Centraal Vriendschapsfeest in Utrecht, waar 1500 tot 2000 leden bij elkaar kwamen. Het was een hele klus om die te organiseren, omdat het moeilijk was om iedereen bij mensen onder te brengen. Vroeger was dat nauwelijks een probleem. We voelden dat de maatschappij aan het veranderen was. De AJC, opgericht in 1918, werd in 1959 opgeheven. Daarmee kwam een einde aan het georganiseerd en politiek geëngageerd jeugdwerk. De zestiger jaren kwamen er aan, met haar vrije omgangsvormen, spontane rebellie en afkeer van organisatorische bindingen."

Onderwijs
"Na de AJC ben ik in het onderwijs terecht gekomen, hier in Amersfoort. In 1956 werd ik organisatorisch cursusleider in Middeloo. Toen Middeloo een rijksregeling werd, ben ik vertrokken en werd docent bij de ULO, later de Mavo. Naast de hoofdakte had ik twee bijaktes: Engels en Frans. In 1982 verliet ik in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd het onderwijs, ik was toen conrector van Scholengemeenschap De Schothorst. Het was een aardig afscheid, het leek althans dat zij mij misten."

De historie van de AJC
"De AJC en haar ontwikkeling bleef intrigeren. Aan mij werd gevraagd mee te helpen om de geschiedenis van de AJC te achterhalen. Ik werd mettertijd voorzitter van het onderzoek naar de AJC. Vooral de secretaris heeft toen heel wat gedaan om allerlei belangwekkend materiaal te verzamelen. We gaven ook een blad uit. We zitten inmiddels in de 24e jaargang. Het archief van AJC is nu ondergebracht bij de IISG (Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis)."