Wim Rhebergen

 

 

Gedichten en verhalen

Home

 

Contact: info@rhegie.com

 

 

 

Kersen doorslikken of uitspugen

 

 

 

 

Birkbode

juni 1991

herdrukt mei 1998

 

 

 

Utrecht, Centraal Station

 

Zeven weken oud moet ik geweest zijn toen ik bij de ouders van mijn moeder werd ondergebracht. De eerste jaren van mijn leven hebben zij voor mij gezorgd.

Pa en moeke noemde ik hen.

Zo werd me dat geleerd en zo noemde trouwens iedereen hen.

Toen ik zeven jaar werd, ben ik naar mijn moeder terug gegaan. De man met wie ze getrouwd was, noemde ik oom en later papa. Hij was al spoedig voor mij een soort vader. Maar het klopte niet, het klopte van geen kant.

Dat voelde ik, elke dag opnieuw en het begon me hoe langer hoe meer dwars te zitten.

Ik werd er onrustig van.

Wie was mijn echte vader? Wat was dat voor een man? En wat was de reden dat ik hem niet kende? Wat was er gebeurd en waarom wist ik daar niets van? 

Het werd me niet verteld. Mijn moeder sprak er niet over en toen ik het mijn grootmoeder vroeg, bekende zij dat zij het ook niet wist. En toch ben ik er achter gekomen. Eigenlijke door een toevallige samenloop van omstandigheden. We moeten ver in de tijd terug.

 

Bij mooi weer werd er in het weekend in de IJssel bij Deventer druk gezwommen. De rivier was toen nog niet vervuild. Jongelui hadden daar hun eigen ontmoetingsplaats. Het was steeds een gezellige boel en er werd flink gedronken, jenever, bier. Tegen mijn vriend zei: “Zie je die mooie meid? Wie het eerst bij haar is, mag met haar naar de bioscoop.”

We vlogen erop af. Ik was de eerste die naast haar op de deken plofte. Ze zei: “Hej, wie ben jij dan wel?”

We hebben haar de zaak uitgelegd en zij beloofde met mij naar de bioscoop te gaan. Niet diezelfde avond, want dan had ze al wat, maar ze zou wel van zich laten horen. We hebben er een borrel op gedronken.

Drie weken later nam ze contact met me op. Ze wilde wel met me uit. En toen zei ze: “Je lijkt op iemand.” Toen ik haar wat beter leerde kennen, ben ik bij haar thuis geweest en in haar fotoalbum wees ze iemand aan die op me leek.

“Wie is dat?” vroeg ik nieuwsgierig en zei gedecideerd: “Ik wil hem ontmoeten.”

Ik heb hem een brief geschreven. “Het is mooi dat je een N.V. sticht, maar het is lullig dat je er niet naar omkijkt!”

Ik wilde contact met hem. Drie dagen later kreeg ik een telegram. Of ik maar naar het station in Utrecht wilde komen. Hij zou er ook zijn en we zouden elkaar kunnen ontmoeten.

Achter een krant heb ik hem toen een half uur geobserveerd. Hij liep wat heen en weer te drentelen. Toen ben ik op hem afgestapt.

“Bent u de heer X? Ik ben Y.”

Hij vroeg: “Wat wil je? Studeren? Geld? Zeg maar op!”

Ik had maar één vraag: “Waarom heb je in al die tijd nooit iets van je laten horen? “

“Je moeder wilde dat niet.”

Die middag zijn we in zijn auto wat rondgereden. Hij wees me een huis aan dat ik al kende en waarbij ik al steeds de neiging had gehad om naar toe te fietsen. “Daar heeft je grootvader gewoond.”

Hij was mijn vader; een lange vent, een gewone man eigenlijk, niets bijzonders. We hebben nadien contact gehouden. We gingen afstandelijk met elkaar om. Enerzijds kon ik zijn handelwijze ten aanzien van mij wel begrijpen. De familie waartoe hij behoorde, zat ingeklemd in bepaalde gezagsverhoudingen, waarvan men zich niet kon losmaken. Anderzijds had ik ook de nodige verwijten. Volgens mij heb je een erecode in het leven, waarmee hij mijns inziens wat slordig mee omging. Hij zei tegen mij: “Je bent een zevenmaandskind, we hebben je vijf keer proberen te aborteren en het is een wonder dat je het hebt overleefd.”

Toen hij dat zei, ging er een schok door me heen. Ik begreep ineens dat ik nergens bij hoorde, niet bij mijn vader en niet bij mijn moeder, echt nergens. Ik was een verloren ziel.

Ik dacht: “Ik ga leven zoals ik wil.”

Jaren later werd mijn vriendin zwanger. Toen kwam hij weer op de proppen. Hij zei: “We geven je geld en een adres. Laat het maar weghalen.”

Ik heb het verdomd. Ik dacht: “Dit wil ik niet. Ik wil geen herhaling van de manier waarop ik op de wereld ben gezet.”

Weet je wat het is? Als je kersen eet. moet je de pitten doorslikken of uitspugen. Je moet de consequenties van wat je doet aanvaarden. Ik heb geslikt.”