Wim Rhebergen

 

 

Verhalen en gedichten

Home

 

Contact: info@rhegie.com

 

 

 

 

 

 

De Heerlijke Bossen

 

 

 

Een authentiek verhaal

 

 

 

 

Mijn man is dood. Hij was ziek en aan zijn ziekte is hij overleden. Ik heb hem in die laatste dagen van zijn leven verzorgd. We zijn toen heel dicht bij elkaar gekomen.

Ik kende hem al in mijn kindertijd. Hij was mijn buurjongen, vijf jaar ouder dan ik. Hij kwam wel eens bij ons thuis. Voor een kind is een leeftijdsverschil van vijf jaar heel groot, maar later valt dat allemaal weg.

Op de bruiloft van Mien en Cor zijn we elkaar weer tegen gekomen. Hij was toen een jongeman van vijfentwintig jaar, een knappe, maar wat onhandige boerenzoon in zijn zondagse pak, die net de boerderij van zijn vader had overgenomen. Zijn vader was met een tragisch ongeval om het leven gekomen. Ik denk dat die trouwerij de eerste keer was dat hij na het overlijden van zijn vader weer uitging. Hij zag me en kwam naar me toe en zei: “Ken je me nog?”

"Natuurlijk ken ik jou,” zei ik, “Je bent toch Hans van de Boeve, mijn vroegere buurjongen?"

Ik vertelde hem dat ik als dienstmeid bij Droogbeschuit werkte, de rijke dorpsfabrikant. Iedereen kende hem. Droogbeschuit was een gerespecteerd man en deed veel goede dingen voor het dorp, tenminste dat zei men. Maar zijn vrouw, met wie ik dagelijks te maken had, was een helleveeg, een afschuwelijke vrouw, die tot op het bot verzuurd was en bij wie ik geen goed kon doen. Wanneer iemand mij vandaag een ander baantje zou aanbieden, zo verzekerde ik hem, zou ik dat het met beide handen aannemen. "Weet  jij niet iets?" vroeg ik met een giechellach.

Eh eh!”, zei hij en met vuurrode kop ging hij er weer vandoor. Het zij hem vergeven. Elegantie is de boerenjongens vreemd. Ik heb hem die hele avond niet meer gezien. Maar aan het einde van de avond stond hij ineens weer voor mij. Hij had al een flinke slok op. En dat was ook wellicht ook nodig om met zijn brandende vraag naar me toe te durven komen. Ja, dat heb ik vaak gedacht. Drank maakt bange jongens moedig. Hij zei: “Ik wil een vrouw, die me kinderen schenkt. En jij bent degene die ik daarvoor vraag!” Ik heb er natuurlijk over nagedacht. Trouwen doe je nu eenmaal niet zomaar. Maar alles afwegende heb ik ja gezegd. Ik wilde bij Droogbeschuit weg en hij was een jongen die er goed uitzag. Meid, zo hield ik mezelf voor, wat wil je meer? Niet lang daarna zijn we getrouwd.

We hebben heel veel van elkaar gehouden. We waren een goed liefdesspan. We hebben van die beginjaren van ons huwelijk genoten. We gingen samen vaak uit. Hij pronkte met me, want al zeg ik het zelf, ik zag er goed uit; en ik pronkte met hem, mijn veroveraar. Ja, zo noemde ik hem. Hij leek in die dagen iets van zijn stijfheid te verliezen en werd wat losser, geiniger.

Maar er werden geen kinderen geboren. In het eerste jaar is dat geen punt en in het tweede jaar eigenlijk ook niet. Je denkt: "Ach, dat komt allemaal wel!” Maar in dat derde jaar begon dat toch steeds meer te knagen. Toen ben ik naar de dokter geweest. Zonder zijn medeweten overigens. Over zulke dingen spreek je nu eenmaal niet gemakkelijk. Ik kan zeggen dat ik het heel erg vond om te horen dat we nooit kinderen zouden krijgen.

We hebben er ook later nooit over gepraat. Ik weet niet wat mijn man daarover dacht, maar hij dacht er zeker over en mettertijd begon hij vreemd te worden.

Eerst zie je dat niet zo, maar op een zeker moment drong het tot me door dat het in ons huis stil was geworden. Er werden geen grappen meer gemaakt en mensen kwamen ook niet meer bij ons op bezoek. Het leek alsof ze ons meden. We gingen ook niet meer uit. Als we ergens op visite werden uitgenodigd, liet hij mij alleen gaan. Hij had altijd wel een reden om niet mee te gaan. Het was te druk met de boerderij of zo. Als ik hem op wat andere gedachten wilde brengen, snauwde hij me toe. "Mens, waar bemoei je je toch mee?"

Ik voelde me schuldig. Hij had me getrouwd om kinderen te baren en ik schoot tekort. Ik was de oorzaak van zijn getob. Ik had hem niet gegeven wat hij me had gevraagd. O ja, die gedachten daasden altijd maar in mijn hoofd.

Ik ben met de evangelist wezen praten. De evangelist is niet de dominee, maar iemand die de zondagsschool in het dorp deed en - dat had ik wel eens horen zeggen - mensen in grote zalen toesprak. Hij wist ontzettend veel van de bijbel. Ik ben een heel gelovig mens en ik ben met hem gaan praten. Hij begrijpt als geen ander wat er in de menselijke ziel omgaat.

Hij gaf mij advies. Wanneer ik lucht nodig had, zo zei hij, moest ik maar eens een wandelingetje maken. God openbaarde zich in de natuur. En wat heeft die man ontzettend gelijk gekregen. Ik ging wandelen.

Meneer, u moet mij geloven, dat is een hele stap voor een boerenvrouw zoals ik: Zomaar wandelen is voor een boerenvrouw ongepast. Een boerenvrouw werkt met haar man samen op de boerderij en het is ondenkbaar dat ze zomaar voor plezier gaat wandelen. Stadsvrouwen doen zoiets misschien, omdat die niets anders te doen hebben, maar boerenvrouwen zijn er voor het werk. In het dorp zullen ze er zeker schande over gesproken hebben. U hoeft me niets te vertellen. Er wordt wat afgekletst. Die dorpelingen zijn stuk voor stuk allemaal oorblazers. Ik heb doorgezet en het advies van de evangelist opgevolgd. Ik dacht: Laat ze maar praten. Ik heb God aan mijn kant en die boerenvrouwen, die zich zo nodig voor hun man het apenzuur willen werken, kunnen me wat. Ze doen zichzelf daarmee tekort. Wandelen in Gods vrije natuur zou hen zoveel geluk en vooral genot kunnen schenken.

Op een van mijn wandelingen kwam ik in de Heerlijke Bossen terecht. De bossen behoorden ooit tot het landgoed van de heer en liggen aan de andere kant van het dorp. In die Heerlijke Bossen heeft zich Gods Liefde aan mij geopenbaard. Ik weet nog hoe ik de eerste keer over een van die paden liep en er een man naar me toe kwam. Hij zei slechts: “Ik ben een engel van de liefde”. Ik heb niets gezegd en ben met hem meegegaan. Nadien ben ik nog heel vaak in de Heerlijke Bossen geweest en heb daar heel veel engelen van de liefde leren kennen. Als ik dan thuis kwam, was ik helemaal opgetogen. God hield van me. Ik had Zijn liefde aan de lijve mogen ervaren. Toen mijn man ziek werd, zijn deze bezoeken opgehouden. Ze waren niet meer nodig. Door die ontmoetingen in de Heerlijke Bossen voelde ik me weer opnieuw vrouw en kon mijn man de liefde geven die nodig was.

Tussen haakjes mijnheer, wie bent u eigenlijk? Als ik u goed aankijk, zou u een engel van de liefde kunnen zijn. Maar vergeef me, ik heb de liefde al ontvangen en aan mijn man gegeven. Mijn man is nu dood. Voor hem hoef ik het niet meer te doen. Voor u is er dus niets meer bij mij te halen!