Wim Rhebergen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Interviews

Home

 

Contact: info@rhegie.com

      Wie heeft deze schilderijen gemaakt?

 

 

 

Birkbode

december 2002

Een gesprek met mevrouw Alie Bindels

 

Het grote schilderij met de zonnebloemen lijkt  een overweldigend licht uit te stralen, een laaiende, zomerse energie, die de huiskamer een vrolijke, warme sfeer geeft.

Wie even naar de beide andere schilderijen van haar kijkt, ontdekt daarin eenzelfde kracht. Wie heeft deze schilderijen gemaakt? Een gesprek met mevrouw Alie Bindels.

 

Aaltje

“Ze noemen me Alie, maar eigenlijk heet ik Aaltje, vernoemd naar tante Aaltje, die in Groningen woonde.  Ik ben geboren in Hilversum, maar toen ik twee jaar was, verhuisden mijn ouders naar Laren. Het is een prachtig dorp, waar veel kunstenaars woonden. Meijer was zo’n kunstenaar. Hij woonde achter ons huis en was zo arm als de mieren. Hij kwam bij ons steeds water halen. Ik heb bij hem wel eens door de open deur gekeken en zag het ijzeren ledikant staan, waarin hij en zijn vrouw sliepen. Zo klein als ik toen was, wist ik dat ze heel erg arm waren. Het waren vriendelijke mensen. Als ik aan de deur kwam, kreeg ik altijd iets lekkers. Eigenlijk heb ik van hem de kunst van het schilderen afgekeken. Echte schilderlessen heb ik nooit gehad.”

 

Op school

“Als kind tekende ik tijdens de lessen al stiekem onder de bank in de hoop dat niemand het zag. Maar ze zagen het natuurlijk wel, maar ze lieten me mijn gang gaan en zeiden er niets van. Totdat Sinterklaas kwam. Ik geloofde niet meer in het bestaan van Sinterklaas, maar toch beefde ik van angst toen hij mij bij zich riep. Gelukkig, even later zei hij tegen Piet: “Geef haar maar een paar snoepjes, want zij doet dat nooit meer!” Ik heb het ook nooit meer gedaan. Ja, dat dat nu op mijn leeftijd nog weet!”

 

De Humanitaire School in Laren

“Aan die schooltijd heb ik mooie herinneringen. Ik ging naar de Humanitaire School in Laren. Alle docenten waren vegetariërs. Op een dag kwam ik kwam huppelend en springend van school en zei tegen mijn moeder: “Ik wil ook vegetariër worden, ik eet geen vlees meer.”

Mijn moeder zei: “Jij gaat vlees eten. Jij bent veel te mager!”

Ik herinner me ook nog Meester Van Amstel. Hij speelde als we zongen viool. Hij kwam uit Alkmaar. Op één van de schoolreisjes hebben we toen de kaasmarkt in Alkmaar bezocht. Eerst met de stoomtram, daarna met de trein en toen met de boot. Bij zijn ouders kregen we een traktatie aangeboden.”

 

Een zondags uitstapje

“’s Zondags gingen we soms naar de Zuiderzee. We liepen eerst over de heide en reden daarna met de Gooise Stoomtrein tot daar waar de familie Ruter woonde. De vrouw van Ruter had een platgeslagen neus. Haar man had haar eens een zetje gegeven, zodat ze in de kelder viel. Ze is in Utrecht behandeld en had daar een wassen neus gekregen. Die witte wassen neus maakte het allemaal nog erger dan het was. Ze had een ontzettend lelijk gezicht. De dochter van Ruter was een van mijn vriendinnetjes. Mevrouw Ruter was trouwens wel heel aardig en zei, nadat we waren uitgespeeld: “Ga maar op bed liggen, jullie zullen wel moe zijn.” Ze trakteerde op ranja in een kopje en gebroken biscuit. Het was heel armoedig. Bij ons thuis hadden we het een stuk beter!”

 

Het huis waarin we woonden en de hut van Mie

.”Mijn vader kwam van goeden huize. Hij verdiende de kost als vertegenwoordiger van een bedrijf in Amsterdam. We woonden in een groot huis aan de vijver. In de woonkamer stonden twee grote kasten. We hadden twee poezen. Mijn zuster en ik speelden vaak vadertje en moedertje tussen de openstaande deuren van beide kasten. De poezen hadden we dan keurig aangekleed met een hemdje en een broekje en ze waren onze kinderen. Achter ons huis huurde mijn vader een stukje land. Daar stond ook de hut van Mie. Mie woonde daar samen met haar man en haar zoon. De man van Mie had een stomp, nadat hij betrokken was geweest bij een ongeluk. Omdat Mie behalve een man ook nog een kind moest verzorgen en nergens een huis had, mocht ze in de hut wonen. Op het stukje gehuurde land van mijn vader verbouwden ze dan groenten en aardappelen. De helft was voor hen en de andere helft was voor ons. Ik zie Mie nog met de mesthoop in de weer en haar man met de stomp, die de tuin wiedde. Als kind maakte dat een grote indruk op me.

Ik heb later gehoord dat Mie in Laren een standbeeld heeft gekregen.”

 

Mijn broer bracht altijd wat mee

“Mijn broer werd door mijn vader vanwege zijn baldadig gedrag naar de zeevaartschool in Amsterdam gestuurd. Dat was voor hem geen straf. De zeevaartschool beviel zo goed dat hij zeeman is geworden en hij is dat ook altijd gebleven. Als hij tussen zijn reizen door dan thuis kwam, nam hij altijd wel wat mee. Bijvoorbeeld een aap, die we Keesje noemden.

We waren gek op Keesje. Keesje heeft wel alle vazen van de schouw aan scherven gegooid. Met de kerst is hij in de kerstboom geklommen en heeft net zo lang gezwaaid tot alle versierselen er waren uitgeschud. Het was niet tegen te houden: Keesje moest naar Artis. Dat was huilen voor ons. Hij had een jasje en een broekje aan toen we hem bij de dierentuin brachten. Een week later zijn we wezen kijken hoe hij het maakte. Hij keek ons niet eens aan. Hij had het veel te druk met zijn nieuwe kameraadjes.

Soms nam mijn broer ook wel eens iemand mee Zo herinner ik me een Indisch mannetje. De stoomtrein was om één of andere reden door naar Soest gereden en toen ze noodgedwongen weer terug reden, zei dat Indische mannetje: “Alles op elkaar lijken, ja!”

Op een dag kwam een zeeman uit Letland met hem mee. Robert heette hij. Ik werd op slag verliefd en trouwde met hem, ik was toen negentien jaar. Tussen zijn reizen, die maandenlang konden duren, was hij dan veertien dagen thuis. Toen brak de oorlog uit.”

 

Opnieuw beginnen

“Robert zat op een boot naar Amerika en kon niet terug. De hele oorlog heb ik hem niet gezien. Ik was zwanger en kreeg een zoontje, Robbie, genoemd naar zijn vader. Na de oorlog zie ik hem dan weer. Hij was blij weer bij ons te zijn. “Wat ben ik gelukkig, dat jullie nog in leven zijn”, zei hij maar steeds. Hij meende het echt. Inmiddels was hij Amerikaan geworden; hij woonde daar en had een goede baan. Hij wilde daar blijven. Ik wilde niet naar Amerika, kleine Robbie wel. Hij was vier jaar. Ik zei: “Papa wil je naar Amerika meenemen, wat vind jij ervan?” Robbie was opgetogen en had het maar over ‘varen op een mooie, grote boot’. Robbie heeft het daar in Amerika goed gehad. Hij schreef me regelmatig. “Papa heeft een schrijfmachine voor me gekocht en ook iets voor jou. Hij houdt nog steeds van jou.” Ik moest na de oorlog opnieuw met mijn leven beginnen. Ik kreeg een baan bij dokter Houtappel in Laren, kreeg daar kost en inwoning en wat geld. Op de zolder van het doktershuis ben ik begonnen met schilderen. Er werden grote TL-lichten geïnstalleerd. Tijdens het schilderen draaide ik klassieke muziek. Ik verlangde naar rust, maar het ergste moest nog komen!”

 

Schilderen een uitkomst

“Robbie overlijdt. Hij is dertien jaar geworden. Het is een ongeluk. Het kan iedereen overkomen. Een troost: Er waren net mooie foto’s van hem gemaakt! Ik vond het verschrikkelijk en nog steeds, als ik in bed lig, denk ik aan hem. Ik moet het aannemen.

Er zit niets anders op. Ik ben nooit in Amerika geweest. Later heeft Robert mij nog gezocht toen hij in Nederland terug was. Hij kon me niet vinden. Voor mij was het schilderen een uitkomst. Ik had een autootje en ging er op uit. Mijn schetsboekje nam ik mee. Thuis werkte ik de schetsen uit. Ik heb de toren van Eemnes geschilderd vanuit de polder. En nog meer landschappen. Ik heb heel veel schilderijen gemaakt. Ze zeiden wel eens: “Waarom verkoop je ze niet?” Ik had er geen zin in. Ik gaf ze liever weg.”

 

Laren, een schildersdorp

“Laren is een schildersdorp. Van kindsbeen heb ik schilders gekend, Dievenbach, misschien hebt u er wel eens van gehoord, was familie van me. Ik bezocht alle schilderij- tentoonstellingen. In Hotel Hamdorf, een sjiek hotel in het midden van Laren, hadden de schilders een eigen lokaaltje. Ik ben er nooit geweest, ik weet niet wat ze er deden, ze zaten maar wat te roken en te drinken, denk ik. Ik weet alleen dat ik in Hamdorf als klein kind de bloemencantate heb gezongen, in een mooie bloemetjesjurk, die mijn moeder had gemaakt. Later ben ik naar Baarn verhuisd.”

 

De drie schilderijen

“De drie schilderijen die hier hangen, zijn door dokter Jaspers nog van de veiling gehaald. In het ziekenhuis heb ik iets getekend, dat de notaris toestemming gaf al mijn bezittingen te verkopen. Dat is gebeurd. Al mijn schilderijen hangen nu ergens anders. Alleen deze drie heb ik nu nog. Dokter Jaspers zei: ”Heb je toch nog iets!” Zo is het! Ik ben er heel erg blij mee.”