Wim Rhebergen

 

Verpleeghuis

Home

 

Contact: info@rhegie.com 

Dolen door de tijd

 

 

 

Denkbeeld december 1996

 

De tijd die de klok aangeeft komt niet overeen met onze beleving van tijd. Die hangt af van de sociaal-culturele achtergrond en tal van biologische ritmes. Het maakt verschil of men jong, volwassen of oud is, gezond of ziek, in zijn huis woont of in een instelling verblijft.

Heeft een dementerende die niet meer weet wat de cijfers op de klok betekenen, het contact met de tijd verloren? Wat betekent tijd voor ons, mensen aan het einde van de twintigste eeuw?

 

 

 

 

 Kerst en Oud- en Nieuw zijn evenals verjaardagen, jubilea en allerlei vormen van herdenking en gedenking markeringen van de tijd, het myste­rieuze domein waarin we zijn opgenomen en waarvan we ons geen voor­stelling kunnen maken. Is de tijd een manier om zin te geven aan wat wij gewaarworden, zoals de filosoof Immanuel Kant beweerde, of moeten we specule­ren over een tijdszintuig, waarmee we de prikkels van de tijd opvan­gen? ­ Wij weten niet wat tijd is. Wat biedt ons houvast? Wat zijn onze oriëntatiepunten? We betekent tijd in de wereld van het verpleeghuis?

 

De klok

In de huiskamer van het verpleeghuis hangt een grote metalen klok. Ik zit bij een bewoner die niet wil praten. Ik mag wel bij hem blijven zit­ten, zegt hij, als hij maar niets hoeft te zeggen. Zomaar zitten! Ik zie hoe de wijzers van de klok zich voortbewe­gen en het lijkt of alles wat ik doe daartegen afgewogen wordt. De klok is ineens geen vriendelijke informant meer, maar een aanklager en een stuitend symbool van verganke­lijkheid.

"Flink zijn," denk ik, "niet van je stuk laten brengen, nege­ren dat ding!" Ik trotseer de beklem­ming die over me heen komt en blijf zit­ten. De zwijgende man en ik, twee mensen op de­zelfde plek, op hetzelfde tijdstip, onder­hevig aan dezelfde omge­vingsinvloeden, zwijgend naast elkaar: er groeit lotsverbon­denheid, troost in het leven. "Waarom hangt die klok daar?" vraag ik me af.

Het antwoord weet ik natuurlijk wel. Ik ben er zelf bij geweest toen het bedacht werd. Het is

voor ons een manier om aan reali­teits­oriëntatie te doen. Weten hoe laat het is, is voor ons een belang­rijk gegeven waaraan de psychi­sche gesteld­heid afgeme­ten kan worden. Oriëntatie in tijd vormt met de oriëntatie in plaats en persoon een soort drie­luik, waarin de mens getekend staat.

De klok is een belangrijk voorwerp in de huiskamer van ons verpleeghuis. Ze heeft felle,  indringende kleuren en hangt op een zodanige plaats dat je er niet aan voorbij kunt lopen. De kalender hangt ernaast.

De tijd die de klok aangeeft komt niet overeen met onze beleving van tijd. Er is een groot aantal factoren die onze tijdsbeleving beïnvloeden: activiteit, ervaring, leeftijd, temperatuur, drugs, sociaal-culturele achtergrond en meer in het algemeen de hoeveelheid informatie die op ons afkomt. Het maakt verschil of men jong, volwassen of oud is, gezond of ziek, in eigen huis woont of in een instelling verblijft. Wat betekent tijd voor ons, mensen aan het einde van de twintigste eeuw?

 

Cyclische en lineaire tijd

We kunnen onderscheid maken tussen een cyclische tijdsopvatting en een line­aire tijdsopvatting. De cyclische is de oudste. Hierbij gaat men uit van de kringlopen van de natuur, van de stand van zon, maan en sterren, van de herhaling en eeuwige weder­keer van de din­gen. Het zichtbare en het onzichtbare vormen één groot raderwerk, waar alles wat is, reeds eerder was en ook altijd zal zijn. Alles komt zoals het in de loop van de dingen beslo­ten ligt, en alles zal ook weer ver­dwijnen als de tijd daarvoor gekomen is. In het hindoeïstisch India, waar de cycli­sche tijds­opvat­ting diepgeworteld is, is dan ook geen geschiedbeschrijving ontstaan zoals in het Westen, maar heeft men geschriften die eeuwige wijs­heid bevat­ten, en  die spre­ken over het 'zijn' van de din­gen.  

De lineaire tijdsopvatting daarentegen plaatst de gebeurtenissen op een doorgaande lijn. Elk moment heeft op deze lijn zijn eigen plaats en kan niet verward worden met andere momenten. Deze opeenvolgende momen­ten vormen tezamen de geschiedenis van de voort­gang van de dingen, uniek en onomkeerbaar. Zo heeft alles zijn geschiedenis: de wereld, de natie en de individuele mens, als grondslag van de identiteit.

De lineaire tijdsopvatting is een belangrijke uitvinding van de joods-christelijke bescha­ving. Deze tijdsopvatting maakt de tijdmeting los van de kringlo­pen van de natuur. Het systeem van tijdmeting wordt daardoor objec­tief: altijd en overal op de­zelfde manier wordt de tijd gemeten en

aangegeven. De tijd is daarmee concreet gewor­den: bereken­baar, een­duidig, niet voor

misver­stand vat­baar.

Lineaire tijd is beheerste tijd. We leren klok te kijken, we leren onze agenda te gebrui­ken, we leren onze verlangens te beteugelen en ons gedrag te reguleren. De tijd van klok en kalender

ver­wijzen in de verte nog wel naar de stand van zon, maan en sterren, maar zijn in wezen kunstmatig. De invoering van zomer- en wintertijd maakt duidelijk hoe we zelf onze tijdsbepaling verzinnen en veranderen als ons dat goeddunkt.

 

Er is een soort code in onze maatschappij die ons voorhoudt alles op de juiste tijd te doen, niet te vroeg en niet te laat,  niet te lang en niet te kort. We kunnen tijd benut­ten en tijd verspillen, tijd winnen en tijd verliezen. En dat betekent: organiseren, ordenen, plan­nen, agenderen, roosteren, voor­uitzien,inschat­ten, duidelijkheid scheppen, structureren, disciplineren. Met al dat gere­gel en de neurotisch obsessie om de tijd naar onze hand te zetten, jagen we onszelf op. Wie alle tijd heeft, zoals ouderen, staat aan de kant en telt niet mee. Hoe voller onze agenda, des te meer maatschappelijk aanzien.

 

Heb je geen haast?

Ik zit nog steeds bij de bewoner in de huiskamer en hij informeert maar eens: "Heb je geen haast?"

"Eigenlijk wel," beken ik, "ik heb vandaag nog veel te doen!

"O! Ik niet. Ik leef maar wat aan. Ze zorgen hier wel goed voor me."

Ik knik. Het maakt hem ook niet uit of het twaalf uur is of half één, als het eten maar komt als hij trek begint te krijgen. Maar ik ben in de lineaire tijd gevangen. Afspraak komt na af­spraak en ik ren van het ene naar de andere. Als er iets tussen komt, ontspoor ik. Paniek. Haast is altijd een vorm van paniek.

Zomaar stil zitten is moeilijk, want ik doe dingen. Ik doe de dingen planmatig. Als ik met het ene klaar ben, begin ik met het volgende. En als ik zo om me heen kijk, doen veel van mijn collega's. dat. We hebben een werkschema. En o wee als je de indruk maakt dat je tijd over hebt!

Voor de bewoner bij wie ik zit, telt dat allemaal niet. Hij doet dat wat hem op dat ogen­blik het beste lijkt. Als even later het eten wordt opge­diend, zie ik hoe hij begint met het toetje. Dat vindt hij het lekkerst.

"Wat doet u nou?" vraagt de ziekenverzorgende. Hij grijnst en propt zijn mond opnieuw vol en laat een klodder pudding op de tafel vallen. Ik kijk naar hem en zwijg. Ik voel de afkeuring van de zieken­verzorgende die niet begrijpt dat ik de man maar zo zijn gang laat gaan. Zij heeft het immers al zo druk en een klein woord van mijn kant bespaart haar heel wat werk. Beschaving in stand houden is ook een taak van de hulpverlening. De kloof tussen de werel­den van de hulpverlening en van de hulp­vragers lijkt ineens on­overbrugbaar groot. Geen tijd hebben staat tegenover alle tijd hebben, geknoei tegenover beschaving, een botsing van waarden.

 

Het ritmische leven

Het leven is ritmisch. Alle niveaus van het leven kennen ritmes, cyclische bewegingen die het functioneren kenmerken, biologische klokken. Bij die laatste term moeten we wel beseffen dat het hierbij niet gaat om de strakke regel­maat van een mechaniek, maar om een flexibel patroon, dat gevoelig is voor invloeden van buitenaf. Het ritme kan sneller of langza­mer gaan kloppen; het kan van slag geraken, maar het kan zich ook herstellen en de oorspronkelijke vorm weer aannemen.

 

Ritmen zijn er in talloze vormen. Men onderscheidt:

-                      ultradiane ritmen, die korter duren dan een etmaal, bijvoorbeeld de slaapcyclus (duur ongeveer negentig minuten)

-                      circadiane ritmen, die ongeveer 24 uur duren: voorbeelden hiervan zijn de twee belangrijkste ritmes, die ons functioneren bepalen, de ­slaap-waakcy­clus en de temperatuurcyclus.

-                      infradiane ritmen die langer duren dan een etmaal, bijvoorbeeld de menstruatiecyclus bij de vrouw en de levenscyclus: jong - volwassen - oud.

Al die ritmes zijn sterk verschillend. Ze werken op elkaar in, vallen soms met elkaar samen en gaan dan weer uiteen. Soms ontstaat er een sterke ritmiek die is alle uithoeken van ons lichaam voelbaar is, en die ons een sterk en goed gevoel geeft. Alles lijkt met elkaar te kloppen en we zeggen bijvoorbeeld dat we goed in ons vel zitten. Maar er zijn ook van die tijden dat niets lijkt te kloppen, dat alles ons tegenzit en dat het gewoon niet wil. We hebben onze dag niet.

Als we het ritme niet meer hervin­den, explodeert het ge­drag. De radeloos­heid slaat toe: onrust, irrita­tie, geagi­teerde woede, agres­sieve en regressieve neigingen, wan­hoop, fatale lusteloosheid en een knagend ongeloof aan het nut van de dingen. Een enorme wer­vel­wind lijkt dan opgesto­ken te zijn, en alles draait mee in de onbestemd­heid van het niet meer weten wat en hoe, de des­oriëntatie in de levenszin.

Het ritme is het huis waarin we wonen, maar wie dat ritme kwijt is, gaat op zoek naar de geborgenheid van de wie­gende moeder­buik. In de oude­renzorg kennen we alle­maal het rondjes lopen, het steeds weer het­zelfde zeggen en doen, de verhalen die maar steeds op­nieuw beginnen en nooit afgemaakt worden: het aanhou­dend zingen, jammeren, roepen, ook het onophoudelijk tikken, duwen en trekken: bezweringen van de wanorde die dementerende teistert.

 

In de namiddag

De algemene cyclus van het leven - jong, volwassen, oud -  verandert ritmes en beïnvloedt de afstemming van ritmes. Zo is het dag-nachtritme bij tieners bijvoorbeeld niet ingesteld op 24 uur, maar op 26 uur of meer, terwijl bij ouderen de biologische op 22 uur of minder is ingesteld. Ouderen zullen daarom 's morgens vroeg wakker zijn en de behoefte hebben 's avonds bijtijds naar bed te gaan. Bij het ouder worden kost het ook meer moeite om de ver­schillende ritmes op el­kaar af te stemmen.

Voor dit afstemmen twee momenten belangrijk: zonsopgang en zonsondergang. Dit zijn ook twee omslagmomenten van de belangrijkste circadiane cycli. ­Om ongeveer vijf uur in de ochtend wordt een com­plex biolo­gisch proces in gang gezet dat aan het einde van de dag de piek hiervan bereikt. Bloeddruk, pols, stofwisseling, ademhaling, hersenactiviteit en temperatuur veranderen om de 12 uur fundamenteel van karakter.

Belangrijke factoren in dit afstemmingsproces zijn licht, temperatuur, voeding, beweging en activiteit, buiten­lucht. De praktische consequenties ervan liggen voor de hand: licht en verwarming uit als men gaat slapen, goed ontbijten als de dag begint, niet de hele dag stilzitten, maar wat ondernemen, even naar buiten.

 

In de namiddag zie ik mijn gesprekspartner weer. Hij loopt op de gang, is wat rusteloos en vraagt of ik weet of hij hier ergens een taxi kan bestellen. Ik geloof niet dat hij me herkent.

"Alles komt zoals het komt", denk ik. Het is nu blijkbaar tijd om in beweging te komen. Hij moet nog wat doen, zegt hij, maar hij kan niet precies zeggen wat.

Deze opleving in de namiddag, zo is wel eens gesuggereerd, stamt van onze voorouders, die er tegen het vallen van de avond nog op uit moesten om voedsel te vinden en gedwongen waren alles in zichzelf daarvoor te mobiliseren. Zijn gemoedsstemming komt in ieder geval overeen met het circadi­ane ritme dat tegen zonson­dergang haar omslagmoment heeft.

"­Hoe serieus nemen we dit gegeven in onze instituties?" vraag ik me af. 

"Ik loop wel even met u mee," zeg ik. "Even een frisse neus halen. Daar hebben we beiden,

geloof ik, behoefte aan.” Een maal buiten hadden we allebei zin in een borrel en doken het café in. Toen moesten we eten en gingen we weer naar huis terug.

 

Alles heeft zijn tijd

De relatie die de mens met de tijd heeft, zo maakt mijn gespreks­partner duidelijk, is gecompliceerd. De klok en de kalender kunnen hem gestolen worden, door zijn dementering zijn de cijfers betekenisloos geworden. Heeft hij het contact met de tijd nu verloren? Voor hem zijn andere zaken belangrijk. Hoe laat wordt een mens wakker? Wanneer heeft hij zin om te eten? Hoe lang kan hij zijn aan­dacht ergens bijhouden? Wil hij nog wat doen of zit hij liever maar wat te zitten?

Volgens Anna Freud ontstaat tijdsbesef zodra we ervaren dat aan onze verlangens niet ogenblikkelijk tegemoet gekomen wordt en wij geduld moeten betonen. Hoe vaak hebben wij dat geduld niet, en voelen ons opgejaagd, onrustig, kwaad, verdrietig, tekort gedaan? Daar hebben we geen klok voor nodig.

 

Kerst en Oud en Nieuw zijn markeringen van de tijd, zo begon mijn betoog. Ze ­hebben een meervoudige beteke­nis, waarbij de historische bete­kenis zich vermengt met de eeuwige waarheid: ze dragen alle de belof­te van een nieuw begin.

Ook in het verpleeghuis vieren we Kerstmis. We tuigen de kerstboom op, steken de kaarsen

aan, zingen liederen en lezen de oude verhalen. Met Oud- en Nieuwjaar eten we oliebollen en appelflappen en steken het vuurwerk af om de boze geesten van het jaar te verdrijven, de oude herinneringen die ons kwellen. En dan beginnen de kerkklokken te luiden: "Gelukkig Nieuwjaar!"