Wim Rhebergen

 

Verpleeghuis

Home

 

Contact: info@rhegie.com

 

Altijd op zoek

 

 

 

Denkbeeld

april 1996

 

Dementerende mensen zijn bijna altijd op zoek. Naar hun tasje, naar hun huis, naar de kinderen die van school komen of naar hun vader en moeder die ongeduldig op hen wachten. Ze sjouwen soms hele dagen rond en vragen iedereen die ze tegenkomen naar de weg die hen ‘thuis’ brengt. Soms is het zoeken ontdaan van elke betekenis, zoeken zonder te weten waarom en waartoe. Wim Rhebergen schrijft over ontmoetingen met zoekenden in de psychogeriatrische hulpverlening.

 

 

 

Een ontmoeting met dementerenden

 

 

"Ik ben iets kwijt,”zegt ze, “Ik loop de hele dag al te zoeken."

"Wat zoekt u dan?"

"Ja, wist ik dat maar!"

"U weet niet wat u zoekt?"

"Nee! Kunt u me helpen?"

Ik zeg: "Soms vind je iets wat je zoekt, heel toevallig terug. En dat heet geluk!"

"U kunt het fijn zeggen, meneer!" Ze meent het oprecht. Dan fluistert ze in mijn oor: "Weet u wat ik kwijt ben? Mijn verstand."

"Laten we dan maar even bij elkaar gaan zitten," zeg ik dan, "want dan hebben we elkaar tenminste nog."

 

Verloren in je zelf

Verlieservaringen maken dat je jezelf verloren voelt, verloren in jezelf, beschadigd, niet meer in staat te zijn zoals je dacht te zijn. Zoekgedrag komt voort uit een gevoel van gemis. Wat kan ik doen voor deze mevrouw die me bekent dat ze haar verstand kwijt is?

Ik blijf bij haar zitten. Als mensen iets of iemand verloren hebben, kun je maar één ding doen: bij hen blijven, naast hen gaan zitten en als ze willen een hand om hen heenslaan, jezelf aan­bieden voor wat warmte en troost. Ik kan haar het verstand niet teruggeven. Ik vraag me af of ik die onzin over verstandsverlies uit haar hoofd moet proberen te praten. Moet ik zeggen dat over het leven toch geen verstandig woord te zeggen is?

Realiteitsbesef? Zij beseft dat ze zoe­kend rondloopt en dat is heel wat. Hoeveel mensen lopen in het leven niet doelloos van het één naar het ander zonder dat het tot hen door lijkt te dringen waarmee ze bezig zijn? De wan­hoop van deze mevrouw is dat ze zoveel be­grijpt.

Zodra ik bij haar zit, dringt de vraag zich op hoelang ik bij haar zal blijven. Eén minuut, twee minuten, drie minuten, een uur, een dag, alle dagen van ons leven?

"Ik moet nu opstappen!" zeg ik voorzichtig, "ande­ren hebben me ook nodig." Een argu­ment van likmevestje, maar toch! De hulp­verlening heeft vaak maar één antwoord op het chaotisch en ongeremde zoekge­drag: de structuur van de hulpverlening zelf die haar aandacht en tijd over zo velen moet verdelen, een rationele vanzelfspre­kendheid. Iedereen in de hulpverlening weet dit. Structuur beschermt iedereen: Deze mevrouw tegen de onein­digheid van haar zoeken, en de hulpverlener tegen de mate­loosheid van de hulpvraag.

"Nu al?" zegt ze beteuterd, "en je hebt nog niets gezegd."

Dat is waar. Ik heb nog niets gezegd. Ik heb naar haar geluis­terd, ik ben naast haar gaan zitten, ik heb gedacht over de vragen die ze bij mij opriep, ik heb gezegd dat het nu lang genoeg was geweest. Van een hulpverlener mag wel­licht meer worden verwacht. Een therapie bijvoor­beeld , een levensfilo­sofie , ordening in haar bestaan. "Wat verwacht u van mij?' vraag ik haar.

"Niets," zegt ze, "maar ik dacht dat je wel even bij me kon blijven."

"En die andere mensen dan?" Ik wijs met mijn hand naar andere zoekers.

"O die!"

Ze besluit plotseling dat het zoeken weer begint. "Ik ga nu maar." Ze staat op en lijkt me niet meer te zien. Ver­derop zie ik haar een lotgenoot aanklampen. "Nu zoeken er twee" denk ik. Er wordt in deze wereld heel wat afgezocht.

 

Zoekt en gij zult vinden

In de Bijbel staan aller­lei zoekverhalen. Jezus Christus zegt in de Evangeliën: "Bidt en u zal gegeven worden, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal opengedaan worden. Prachti­ge uitspraken. De buurvrouw, zo herinner ik me uit mijn jeugd, had de teksten op een wandbordje aan de muur hangen. Ik be­grijp dat wel. Ik vroeg haar naar de betekenis. Haar antwoord was: "Het zijn goede woorden. Je kunt er veel aan hebben." De woorden staan nu ook diep in mij gegrift en op onverwachte momenten spelen ze soms op.

Een oude pastor - hij is inmiddels overleden - zei eens tot een demen­terende: "Ach, me­vrouw, we zijn allemaal op weg naar het Huis van Onze Vader." Ze knikte toen dat ze het begreep, en hoorde niet dat er even verderop spottend gelachen werd om die twee dwaze oude mensen. "Onze pastor is ook al een eind op weg!" was het schrille commentaar.

In het gnostische geschrift Het gesprek met de Verlosser  lezen we: "Degene die zoekt, is tevens degene die openbaart" en "hij die spreekt is ook diegene die hoort en hij die ziet is ook degene die openbaart." De antwoorden op onze vragen liggen blijkbaar in onszelf. Misschien kunnen we ook zeggen: in het leven dat we leven, in de geconcretiseerde zoektocht van ons bestaan. Je bent een gnosticus als je dat gelooft.

 

Zing een lied

Stel je voor dat je in een land bent zo groot als Australië en je hebt geen landkaart, hoe weet je dan waar je bent? En hoe weet je welke weg je moet kiezen om van A naar B te komen? Hoe weet je wat je plek op deze aarde is en welke plek de ander toebehoort? Hoe weet je waar de heilige plaatsen zijn?

De Engelse schrijver Bruce Chatwin beschrijft in zijn boek De gezongen aarde over zijn speur­tocht naar het myste­rie van de zangsporen bij de aborigi­nals. Op een gegeven moment ontmoet hij een oude man die zijn wijs- en middelvinger tot een V spreidt en ver­volgens op en neer over de landkaart beweegt, als een passer, terwijl zijn lippen rad en geluidloos prevelen. Later hoort hij dat de men een zangspoor aan het afmeten was. De bejaarde aboriginal kende de eeuwenoude liederenschat en wist daardoor precies om welk stukje land het ging. "Dus je bedoelt dat die oude Alan liede­ren kent van 1500 kilometer verderop?" vraagt Bruce Chatwin dan verbaasd.

De zangsporen blijken een enorme informatiebron te zijn, een soort databank waarmee je de weg in dit immens grote land kunt vinden, een mysterieuze verzame­ling kennis waarmee je de wereld kunt be­grij­pen. "

Liederen zijn ankerpunten. Zing een lied en je bent weer thuis. Er wordt gelukkig veel gezon­gen met mensen die dementeren. "Waar de blanke top der dui­nen, schit­tert in de zonne­gloed."

 

De mens wordt een spoor

De dementerende mevrouw over wie ik sprak, kan niet stil zitten, ze staat op en rent er vandoor. De kracht waarmee ze dat doet, is indruk­wekkend. Lopen, begrijp ik van Bruce Chat­win, is niet zomaar iets, lopen heeft iets met de oerbeginse­len van de natuur te maken, lopen is een wonderbaar­lijk thera­peutisch middel, lopen lost het vuil in de ziel op. Ik kijk naar haar. Ze is haar verstand kwijt, dat zegt ze zelf, een bekentenis en een oordeel. Ze wil naar huis, naar vader, moe­der. Als ik haar weer tegenkom, kijkt ze me niet aan. Ik moet niet zeuren dat ik het niet begrijp. ­Ze loopt haar emotie eruit: woede, verdriet, schuld, wat niet al.

Wie zoekt, kan maar aan één ding denken. Wie zoekt ver­liest de betrekkelijkheid van de dingen uit het oog. Wie zoekt zoals een dementerende soms hele dagen zoekt, heeft iets van het absolute in zich. Gaat het om het terugvinden van dat wat verloren ging? Of gaat het om te vinden wat in het verschiet ligt? De verlichting van de ziel? Aanvaarding? Verzoening? Ver­zoening met het leven? Met het eigen zelf? ­Waar gaat het om? Gaat het, zoals de Boeddha zegt, om het vinden van het 'einde van de weg'? En wat betekent dit? Bruce Chatwin schrijft: "Door een leven lang te zwer­ven en het zangspoor van zijn voorouder te zingen, wordt een mens uitein­delijk het spoor, de voorouder en het lied".

 

Weglopen en thuiskomen

Toen ze nog in haar huis woonde, liep ze 's avonds tegen het donker weg. Dat is het verhaal, haar man vertelde het ons. Hij is er wanhopig van geworden, hij begreep het niet. Ineens was ze weg. De politie heeft haar een paar maal moeten terugbren­gen. Toen is ze naar het verpleeghuis gegaan.

We wandelen nu samen in de tuin. Het is mooi weer. Een flard muziek komt uit één van de ramen, en als we in de buurt van de keuken zijn gekomen, ruiken we wat we vandaag zullen eten. "Ze zijn al druk bezig," zeg ik. "Hield u van koken?"

"Natuurlijk," antwoordt ze op geagiteerde toon. Ze zwijgt dan even en zegt dat ze terug wil.

"Nu al?"

"Ja, nu al!"

Het huis wat je verlaat, is je thuis niet meer. En de vraag is of je ergens anders ooit je thuis opnieuw zult vinden. Waar en wanneer zul je opnieuw de verbondenheid met je omge­ving voe­len, je veilig en vertrouwd weten, en daardoor zelf­bewust en vrij in doen en laten? Misschien gaat het om dit basisgevoel: weten wie je bent, weten wie je ouders zijn (het huis staat vanouds ook voor de familie), weten wat je plek is in de voortgaande lijn van de geschiedenis, weten wat je moet doen en zeggen. Misschien draait alles om het besef van waardig­heid die de mens in zich draagt. Sommige mensen voelen zich overal thuis. Anderen voelen zich vooral thuis in hun eigen huis, in hun eigen straat, in hun eigen dorp of stad. Sommige mensen voelen zich in hun eigen huis niet meer thuis. Ze gaan op weg. Het gevoel is sterk en soms allesbe­heersend.

Als we op de afdeling komen, loopt ze zonder iets te zeggen door. Ik zie aan haar gedrag dat ze de omgeving herkent. Het lijkt een soort 'thuiskomen', en ze loopt van me weg. Thuis­komen en weglopen, één beweging. Verderop vraagt ze enkele onbekenden of ze mee mag. Natuurlijk mag dat. Wie zou haar kunnen, willen tegenhouden?

 

Ik vertel een verhaaltje

 "Wilt u me de weg naar huis wijzen?" De vraag blijft zich herhalen. Wat moet je dan zeggen? Moet je een ingewikkelde discussie beginnen over het huis dat niet meer bestaat? Over de heerschappij van de dood in dit leven? Of stuur je ze gewoon met een kluitje in het riet?

Een hulpverlener voelt zich soms opgelucht als hij op een nette manier aan zo'n onoplosba­re zoekvraag kan ontsnappen. Je kijkt even de andere kant uit, je bent even druk met iets anders, je loopt even een blokje om.

Dementerende mensen geven nooit op. Ze blijven doorzoeken en met het verstrijken van de dag wordt de wilde onrust in hen groter en groter. Ze wankelen op hun benen, vermoeid en ver­ward en nog houdt het niet op. Soms gaat de onrust de hele nacht door. Ze liggen soms nog maar nauwelijks in bed of ze staan al weer naast hun bed. Lopen, lopen, weg! 

En moet een mens dan niet slapen? Even op adem komen? Een kleine pauze maken? Wie beschermt hen tegen die onbedwing­bare kracht in hun binnenste die maar doorgaat, ook als het li­chaam het opgeeft? Slapen kun je pas als je inner­lijk rustig bent. Zo eenvoudig is dat. Hoe wordt een mens innerlijk rustig?  Tegen­woordig vertel ik mensen verhaal­tjes. Een sprookje met ‘eind goed, al goed.” Zoekverhalen uit de Bijbel, verhalen over de aansporen van de aboriginals. Je kunt ook samen met iemand bidden, even stil zijn, een lied zingen en een zoen geven. Als moeders en vaders hun kinde­ren naar bed bren­gen, blijven ze nog even bij hen. Ik denk dat dit goed is.