Wim Rhebergen

 

 

 

 

 

 

 

 

Interviews

Home

 

Contact: info@rhegie.com

 

 

 

 


                                                                

    Maud, 1954                                       Alex Luigjes

 

 

 

 

Birkbode

februari 1999

 

 

 

 

 

 

Recensie

Dat Alex Luigjes heel wat pijlen op zijn boog heeft, blijkt op deze expositie al aanstonds. Zie o.a. uit een aantal savant aquarelleerde en gepastelleerde modelstudies, waaronder een fijnzinnige waterverfschets van een rugnaakt speciaal genoteerd zij.

Een uitnemend mansportret met rode jas trekt insgelijks de aandacht. Zijn 'Loosdrecht', vlug en fleurig op 't b;ad gezet en 'n flitsend-rap 'Haven van Spakenbrug', een plezante Harderwijkse

impressie en een aantrekkelijk interieur als nr. 20 maken aanspraak op warme waardering. evenzo de joyeus speels gedaan "Uitspanning op Kortenhoef'.

Van Luigjes portretkunst geven ook de snel gepenseelde (de schets van een dame in het geel (no. 18_, het mansportret no. 24 en het deugdelijke portret 'Maud' een treffende indruk.

 

J.L.

 

Amersfoortse Courant (?), 1960.

 

 

 

 

Alex Luigjes, 85 jaar, glazenier, schilder en geboren Amersfoorter, woont nu in Puntenburg, Amersfoort.

Hij exposeerde van 21 januari tot 4 maart dit jaar in de Vijverzaal van de Puntenburg.   Een vermelding van de expositie hebt u in de vorige Birkbode kunnen lezen. Als ik hem opbel voor een interview, nodigt hij mij uit om op zijn kamer te komen. Hij heeft daar ook nog wat werk dat hij mij graag zou willen laten zien. Op zijn kamer zie ik dan twee zelfportretten: een op jongere leeftijd, een op oudere leeftijd. Wat opvalt, is de overeenkomst: zijn zelfbewuste blik, de kracht waarmee hij in deze wereld kijkt, zijn vitaliteit. Dan begint ons gesprek.

 

De wortels van het kunstenaarschap

“Als kind was ik al een beetje een eenling. Ik rommelde wat in de sloten buiten, was druk in de weer met stekelbaarsjes, torretjes, vliegjes, slakjes en had een eigen tuintje, waarin ik me uitleefde. Ik zag er soms niet uit. Mijn vader zei wel eens spottend: “Heb jij vergeten je kleren uit te trekken?” Ik ging op in mijn eigen spel. Urenlang kon ik door een stukje gekleurd glas kijken. Fascinerend hoe raadselachtig mooi de wereld dan kon worden! Als je door rood glas kijkt, wordt de wereld rood. Ik ontdekte dat de wereld een wereld van kleuren is. In deze jonge jaren liggen de wortels van mijn kunstenaarschap.”

 

Zien en verstaan

“Ik was twaalf jaar toen ik in het glas- en lood atelier aan de Korte Bergstraat kwam te werken. Het was hard werken, maar behalve hard werken leerde mijn baas me ook kleuren te zien. Er zijn zoveel kleuren en schakeringen van kleuren. Je moet ze stuk voor stuk ontdekken en eigen maken. Kleuren moet je proeven, tasten, voelen, met al je zintuigen opsnuiven en in je lichaam opnemen, ik noem dat proces wel eens: ”Zien en verstaan”. Mijn vader was een schilder die aan de kurk proefde welke soort verf in de pot zat: rauwe, lichte lijnolie of gekookte, donkere lijnolie. Dat bedoel ik.”

 

Het glas en het licht

“In het atelier stonden beneden de grote glasplaten, daarboven de halve platen en op de bovenste plank schoenendozen met kleine stukjes gekleurd glas. De kunst is om oog te krijgen voor de werking van het licht in het glas: fel licht, wijkend licht, stilstaand en bewegend licht. Het Noorderlicht staat stil, maar het licht in het Oosten, Zuiden en Westen beweegt, het verandert voortdurend. Elke kleur heeft zijn eigen toonwaarde - tussen donkerblauw en lichtblauw ligt een hele wereld. In de glazenierkunst is kracht en beweging van licht en tijd een essentieel gegeven. Mijn schilderen is daarvan een voortzetting. Als je stukjes verschillend gekleurd glas over elkaar legt, ben je in feite al aan het schilderen. Het schilderspalet kent geen zwart. Het donker moet je zelf maken. De schoonheid van het duister is de kracht van de herinnering.”

 

Glas en de glazenier

“Glas ontstaat bij blikseminslag; de aarde smelt en verglaast. De Feniciërs ongeveer 500 jaar voor Christus maakten reeds allerlei voorwerpen van glas. Het was een kunstzinnig volk, waarvan we tegenwoordig nog bekers en schalen terug vinden bij de diverse opgravingen. Het glazeniersvak stamt uit de tijd van de Middeleeuwen, en ontwikkelde zich sterk in de tijd dat men de kathedralen bouwde. Hele families trokken van plaats tot plaats. Iedereen werkte mee aan het bouwwerk: men schilderde, maakte beelden, maakte kleurige ramen met vaak bijbelse voorstellingen. Er wordt wel eens gezegd dat we tegenwoordig niet meer die kleuren van toen kunnen maken. Waarom zegt men dat? Deze stelling heeft me altijd geïntrigeerd en heeft uiteindelijk geleid naar een scriptie die ik heb geschreven onder de titel: “Van aarde tot venster”.

Later heb ik door het hele land lezingen gehouden over dit onderwerp. Bij de opkomst van de kleurenfotografie ben ik herhaaldelijk gevraagd iets over mijn kennis van kleuren te vertellen.”

 

Ik heb het vak moeten leren

“Ik heb het vak moeten leren. Verschillende meesters hebben een aandeel gehad in mijn ontwikkeling. In de loop van de tijd groeit je persoonlijkheid. Je leert nieuwe dingen, je gaat scherper zien, je let op andere zaken. Van nature ben ik een nieuwsgierig man. Ik blijf niet op mijn kamer zitten, ik trek er op uit, ik wil weten hoe iets is. Als schilder ga ik de natuur in. Ik bestudeer hoe iemand op zijn fiets stapt en hoe iemand er afvalt. Er zijn heel veel dingen in het leven die heel gewoon zijn, maar waarvan je toch niet weet hoe dat nu precies gaat. De kleur van het daglicht heb ik zelf ontdekt. Als ik dan ‘s avonds de lucht aan de horizon bestudeer, zie ik kleuren en lijnen; roze dat groen wordt in het verdwijnpunt.” 

 

Sport en beweging

“Een ander aspect is de sport. Ik heb altijd aan sport gedaan. Atletiek, boksen, worstelen (Grieks en Romeins), gewichtheffen, zwemmen - ik ben nog altijd lid van de reddingsbrigade. Ik tennis ook altijd nog. De boksclub kwam bijeen in het oude postkantoortje aan de Stadsring, achter het oude politiebureau. Ik zat toentertijd in het jeugdwerk, begeleidde de zogenaamde asfaltjeugd, jongens die gewend waren om met elkaar te knokken. Ik moest uitleggen wat sportiviteit was. En als ik zo aan het vertellen was, zag ik hoe aandachtig ze naar mij luisterden - al wilden sommigen dat niet laten blijken. In de sport leer je hoe je met je verlies moet omgaan.”

 

Ilona

“In mijn hele leven heb ik op jonge mensen gelet. Hoe belangrijk is het niet dat zij zich goed ontwikkelen! Mensen kunnen door het leven verprutst worden. Ik houd van vertellen, ik wil anderen graag iets leren, dingen laten zien. En als we het over mijn werk hebben - zo kan ik zeggen - zijn kleuren enorm belangrijk. Kleuren kunnen je gemoedstoestand beïnvloeden, gevoelens in je opwekken, rust geven, genezen. In het schilderen - met glas of verf - komt dat allemaal bij elkaar: ervaring, groei, beeld en verhaal, essentie, de beheersing van het ambacht en de intuïtie. In de Vijverzaal hangt een portret van Ilona. Ze kwam mij hier op mijn kamer het eten brengen. Ze zag mijn schilderijen en stelde allerlei vragen, eerst een beetje schichtig en verlegen, maar mettertijd steeds vrijer. Over alles en nog wat heb ik met haar gepraat. Op een gegeven moment heb ik haar geschilderd. Als de tentoonstelling afgelopen is, mag ze het portret hebben.”

 

Het schilderij met het amandelboompje

“Dit amandelboompje, ook wel prunus genoemd, stond in de tuin van mijn atelier en terwijl ik binnen zat met het zicht op het boompje, maakte ik dit schilderij. Ja, wat er toen gebeurde, is moeilijk te zeggen. Misschien was ik te sterk geconcentreerd, ik weet het niet, maar ineens was ik geblokkeerd. Mijn sterke handen die altijd lood en zware kisten hadden gedragen en nog nooit hadden geweigerd, konden het waterverfkwastje niet meer vasthouden. Ik dacht - hoewel je eigenlijk helemaal niet kunt denken -, maar iets was er toch in mijn gedachten van: “Ik moet naar die stoel daarginds, weg van deze plaats van onheil”; mijn voeten stonden stil en bewogen zich niet. Het was dinsdag 13 maart 1990, de verjaardag van mijn schoonmoeder. Ik zal deze dag nooit meer vergeten. Drie maal heb ik een CVA gehad. Het is heel hard werken geweest om te herstellen. Zo heb ik alles opschreven wat ik wist, alles over het vak, de kleuren, blocnotes vol, want zo dacht ik maar steeds: “Als je het niet meer weet, kun je het nazoeken!” Ik was mijn woordenschat kwijt. Woord voor woord moest ik ze weer terughalen. Precies een jaar later was ik zover dat ik mijn kwast weer kon vasthouden. Op de plek waar ik was opgehouden, ben ik toen opnieuw begonnen. Vanuit dezelfde ooghoek schilderde ik het boompje dat daar nog altijd stond, af. Deze periode is een confrontatie met mezelf geweest. Ik ben een knokker - altijd geweest.”