E-books               Home                                   PDF-versie

 

 

 

 

Piet Gielen

                    Bladwijzers

Hoofdstuk 1   

Hoofdstuk 2   

Hoofdstuk 3   

Hoofdstuk 4   

Hoofdstuk 5   

Hoofdstuk 6   

Hoofdstuk 7   

Hoofdstuk 8   

Hoofdstuk 9   

Hoofdstuk10  

 
 


De glazen poort

 

 

 

Serie: Ga je mee naar La.ri.lo?

Deel 4        ca. 11 jaar

 

 

Copyright: tekst  Piet Gielen 2008       Methode lettergrepen in kleurreliëf 2006

 

 

 

 

Hoofdstuk 1    Afscheid van Oma Knot

 

In Larilo is men meestal niet diepbedroefd bij een sterfgeval.

De mensen geloven dat je naar een betere wereld gaat.

Nu Oma Knot gestorven is, lijkt alles een beetje anders.

Ze was zo’n bekend figuur in het dorp.

Ze gaf altijd een opgewekte draai aan de gebeurtenissen in Larilo.

Ze was de enige die de burgemeester aankon,

als die weer eens veel te blij was met zichzelf.

 

Ook de oude boom op het plein is bedroefd.

Hij is net een treurwilg.

Zijn bladeren hangen slap naar beneden.

Het is nog wel zomer,

maar de atmosfeer in Larilo is nu verkild.

De boom denkt er steeds aan,

hoe Oma hem eens uit een diepe somberheid heeft gered.

Als je dat kunt,

moet je van goeden huize komen.

 

“Ik wist niet dat ik zó veel van Oma hield”, zegt Kapi.

“Ik moet er eigenlijk steeds om huilen.”

“Met mij is het precies zo”, zegt Pika.

“Hoe moet dat nu met Joep?”

Joep is de man van Oma Knot.

Hij zit stil in zijn stoel.

Gisteren leefde Oma nog.

Ze heeft toen voor het laatst met Joep en de kinderen gesproken.

Het gesprek heeft grote indruk op hen gemaakt.

 

“Schatten van me, mijn werk is klaar in Larilo”,

had Oma ernstig gezegd.

“Ik ga weg naar een andere wereld,

en ik word daar opnieuw jong.

Jullie moeten niet treuren.”

“Je hebt goed praten”, zei Joep.

“Ik blijf hier alleen achter.

Net nu ik met jou het geluk heb gevonden.”

Oma keek Joep doordringend aan en zei:

“Joep, je moet weten, dat ons geluk nooit verloren gaat.

Het geluk zal altijd in je geheugen blijven hangen.

Ik kan echter niet de loop van het leven veranderen.

Het is nu tijd voor mij om te gaan.

Ik voel dat.

En kinderen, wat ik nog wil zeggen,

de glazen ring is voor jullie.

Joep wil toch niet meer weg uit Larilo.

Hij zal daarom niets aan zo’n glazen ring hebben.

Jullie kunnen ermee gaan reizen in de ruimte en de tijd,

en wijsheid verzamelen.”

“Als u niet meegaat, vind ik daar niets aan”,

zei Kapi.

“Ik ook niet”, viel Pika hem bij.

Haar stem trilde van verontwaardiging.

Eigenlijk was ze heel boos, dat Oma dood zou gaan.

Hoe haalde ze het in haar hoofd om dat te doen.

“Jullie zijn jong, kinderen”, zei Oma.

“Jullie zijn aan het leven verplicht om zelfstandig

de wereld in te gaan.

Ik ben geen kloek, die altijd op jullie

mag blijven broeden.

Het zou heel ongezond zijn,

als ik bij jullie in Larilo zou blijven.

Wel neem ik jullie in mijn hart mee.

Overal waar ik kom,

zullen jullie zo bij me zijn.

Dag alle drie, groet de burgemeester,

en de stadsdichter, tenminste als jullie hem zien.”

En weg was Oma.

Dood. De rode wangen werden langzaam bleek.

“Hoe kan ze dat nu doen?”,

zei Joep, en hij keek stil voor zich uit.

 

In alle stilte hebben de drie Oma in een kist gelegd, in de huiskamer.

Ze hebben haar rode strikjes in het haar gedaan.

De rode strikjes, die ze ook droeg, toen ze verliefd werd op Joep.

 

De mensen van Larilo komen aanlopen om afscheid te nemen.

Het erfje bij het huis is al aardig vol.

Ook de burgemeester is gearriveerd.

“Zij was de enige, die mij kon helpen

met moeilijke bestuurszaken”, zegt hij.

“En met de lastige dingen van het leven”,

voegt hij er zacht aan toe.

 

Clown Ploffer is ijlings gekomen met zijn Italiaanse papegaai.

“Oma heeft ons veel liefde gegeven”, zegt hij.

“Daarom weet Larilo nu  beter dan vroeger wat verdriet is.

Want wie liefheeft, die heeft ook soms verdriet.

We moeten nu dan wel aannemen,

dat ze nu naar een betere wereld is gegaan.

Net als mijn dochter Mariska.

Maar het is ook zo, dat het erg koud om het hart wordt,

als wij deze dierbare mensen moeten missen in onze eigen wereld.

Op dit moment kan deze clown even niet lachen.”

De papegaai bijt Oma even in een oor.

“Wakker worden”, zegt hij met een snik in zijn snavel.

Ja, als dat kon.

“Dit heb ik allemaal niet voorzien in mijn glazen bol”,

zegt Asteria, die nu met haar zoontje Goean bij de kist staat.

Zij is de beste vrouw, die ik in mijn leven ontmoet heb.

Ze was als een moeder voor me.

Goean legt bloemen aan de voeten van Oma.

En hij geeft Joep een hand.

“Fijn dat jullie er zijn”, zegt Joep dan.

Hij praat weer.

 

“Ik stel voor, dat we ter ere van Oma enkele dierbare liedjes gaan zingen”,

zegt de burgemeester.

"Liedjes die in Larilo bekend zijn geworden

na Oma’s reis met de glazen koffer."

Heel Larilo zingt vervolgens het lied uit Irak.

En daarna klinkt in de schemer het Venloos lied:

Als de sterren daarboven stralen

en als de maan daar boven Herungen hangt

en dan ergens in het groen verscholen

de nachtegaal een liefdesliedje zingt,

dan wil ik wandelen met mijn meisje naar Schandelo

en dan wil ik haar  kussen bij de Venkoelen naast een paadje.

 

Joep moet huilen.

De herinneringen worden hem te machtig.

Zijn tranen vallen op de bloemen,

die rondom de kist liggen.

Hij sluit samen met Kapi en Pika de kist.

 

De agenten van Larilo nemen de kist op, en dragen hem naar buiten.

Ook de jonge agent Blom is erbij.

 

De stoet gaat nu richting het plein.

De burgemeester heeft namelijk besloten,

dat Oma wordt begraven bij de oude boom.

Op het graf zal een kopie van een beeld van de kunstenaar Tajiri worden geplaatst.

Het beeld van Mevrouw Goliath.

“Want had mevrouw Knot niet de kracht van een reuzin?”,

zei hij.

 

 

 

Hoofdstuk 2 Het boek van Goean

 

“Wat is het hier leeg, nu Oma Knot er niet meer is”, zegt Asteria zacht.

Ze veegt een traan weg.

Oma is een week dood.

Asteria blijft met Goean bij Joep om hem wat op te vangen.

Ook Kapi en Pika komen iedere dag op bezoek.

Gelukkig dat Goean erbij is.

Hij beurt iedereen op, omdat hij zo relaxed is.

 

Goean is vandaag 10 jaar geworden.

Dit is de dag, dat hij het boek van zijn oude Opa Gozal zal krijgen.

Het is een prentenboek met geheimen.

Asteria heeft het al die tijd zorgvuldig bewaard.

Opa Gozal was een zeer wijze man.

Velen zeggen, dat hij de geheime krachten van de indianen kende.

De mensen bezochten hem om hulp te krijgen.

“Goean zal mijn taak voortzetten”, zei hij altijd profetisch.

“Maar dan moet hij eerst de geheimen van het prentenboek ontrafelen.”

Hij maakte dan meestal een pauze, en zei vervolgens heel nadrukkelijk:

“Goean zal daarin zeker slagen.

Hij zal hulp krijgen van twee dappere kinderen.

Want in het boek staat, dat drie jonge ‘glasketiers’

de raadsels zullen ontsluieren.

Glasketiers zullen het dus zijn, en niet van die vechtlustige musketiers.

Want er komen geen dodelijke steekwapens aan te pas.

Het zal allemaal iets met glas zijn, meer weet ik niet.”

 

Goean kijkt verguld,

als Asteria hem het boek overhandigt.

Het is een echt oud boek met een roodleren kaft.

Goean is onder de indruk van zo’n oud boek

met een glimmende kaft, en met bladen van perkament.

Hij wordt er stil van.

Voorzichtig slaat hij de eerste bladzijde op.

“Wat staat daar?”, vraagt Pika.

“Lees eens voor. Ik ben zo nieuwsgierig.”

 

Op de eerste bladzijde staat een geheimzinnige tekst.

En Goean leest met duidelijke stem voor,

wat er staat:

De drie glasketiers zullen de prenten doen oplichten

met het geschenk van Josko.

De zon zal in 7 kleuren breken.

Voor  elke prent heeft de zon een eigen kleur.

Iedere  prent herbergt een geheime opdracht.

Die opdracht moet in vrede worden uitgevoerd.

Volg de volgorde van de schepping,

en wek de prenten met de juiste kleur tot leven.

Want, als je een prent benadert met de verkeerde kleur,

dan zullen er monsters ontwaken.

De geheime talenten van  de glasketiers zullen zich openbaren,

en van dienst zijn.

De indianenzoon heeft de juiste greep voor de slang.

Het meisje kan het licht vasthouden in de duisternis.

De andere zoon zal met zijn blik de demonen bevriezen.

Als zij hun taak goed vervullen,

zullen zij voor de wereld van Larilo

de glazen poort ontsluiten.

Als zij niet in hun opdracht slagen,

zal Larilo duizend jaar in onwetendheid leven.

 

“Wel alle peertjes”, zegt Joep verbaasd.

“Dat is nogal wat.

Alle geheimen van die prenten moeten ontrafeld worden”.

“Ik denk dat ik weet wie de drie glasketiers zijn”,

merkt Goean slim op.

“De glasketiers, dat zijn natuurlijk Kapi en Pika”.

“Die hebben al zo veel opdrachten uitgevoerd met de glazen koffer.

Die weten van wanten.

Het woord glasketier heeft natuurlijk alles te maken met glas.

De derde glasketier dat ben ik zelf, denk ik.

Maar wie is Josko?

Weten jullie dat misschien?”

“Ja wel”, zegt Kapi.

“Josko heeft de glazen ring gemaakt, die Oma ons heeft geschonken”.

Hij pinkt een traan weg, nu hij weer aan Oma denkt.

“Zou die ring het geschenk zijn van Josko,

waarover in dit boek wordt gesproken?”

“Dat zou heel goed kunnen”, zegt Joep.

“Als glas geslepen is als een prisma,

verdeelt het glas het licht in verschillende kleuren.

Als je Josko’s ring goed in het licht houdt,

kun je het zien.

Kijk maar!

Inderdaad: het licht verdeelt zich door de ring,

net zoals je dat soms bij een plasje olie in water ziet,

dat in alle kleuren wegvloeit.

Of bij een regenboog.”

 

“Nu kunnen we aan onze opdracht gaan beginnen”,

zegt Goean opgewekt.

Asteria verschiet van kleur.

“Zou je niet even wachten, Goean,

niet zo haastig, je bent nog zo jong.

En wat moeten wij tegen de ouders van Kapi en Pika zeggen,

als jullie wat overkomt?”

“Maak je niet druk, moeder”, zegt Goean.

"Volgens de regels van bepaalde indianenstammen

ben ik al bijna volwassen.

Dat staat in alle indianenboeken.

Oma heeft ook al tegen Kapi en Pika gezegd,

dat ze zelfstandig de wereld in moeten gaan.

De tijd van het gekloek is voorbij.”

“Ik zal daar nooit aan wennen!”, verzucht Asteria.

En voor Asteria nog meer bezwaren naar voren kan brengen,

pakt Pika het boek.

“Hou die ring eens boven die eerste prent, Kapi.

Hier, deze prent met de indianen”.

Dat doet Kapi, en iedereen ziet

dat het licht door de ring heen

uit elkaar valt.

En de rode kleur valt precies op de rode veren

in de hoofdtooi van een oude Indiaan.

 

De indiaan begint te leven.

Hij begroet de kinderen hartelijk en enthousiast.

“Eindelijk, daar zijn de drie glasketiers.

We hebben heel lang op jullie gewacht.

Wees welkom in ons dorp.

Treedt nader”.

Goean, Kapi en Pika stappen op de oude man af,

alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

En floeps, ineens zijn ze verdwenen uit de wereld van Larilo.

Ze zitten nu ergens in het magische boek.

 

“Ik heb toch gezegd, dat het niet goed kan gaan!”,

huilt Asteria helemaal overstuur.

“Wat gebeurt hier allemaal?

Waar is mijn kind gebleven?

Waar zijn Kapi en Pika.

Hoe leg ik dat aan hun ouders uit?

Zij weten van niets.”

“Laten we maar rustig blijven”, zegt Joep.

“Kapi en Pika zijn toch ook veilig teruggekeerd

van hun kofferreis.

En Goean heeft dit boek toch van je vader geërfd.

Waar maak je je dan zorgen over?

Heb je minder vertrouwen dan je vader in Goean?”

 

“Je zult wel gelijk hebben”, zegt Asteria aarzelend.

Ze vertrouwt het nog niet helemaal.

“We laten het boek wel open liggen bij deze prent.

Want als ze terugkomen,

zal dat na deze prent zijn.

“Ik bel zeker wel naar de ouders,

dat Kapi en Pika voorlopig hier logeren.

Per slot hebben de kinderen nu vakantie,

en hoeven ze niet naar school.
Ik hoop echt dat ze snel terugkomen,

want wat moet ik zeggen als dat niet het geval is?”

“Ik help je wel”, zegt Joep.

“De kinderen komen zeker terug.

En hun ouders zijn nogal wat van ze gewend.”

 

 

 

Hoofdstuk 3 De condor

 

De oude indiaan kijkt de kinderen vriendelijk aan.

“Mijn naam is Regenboog.

Kijk maar naar de veren in mijn hoofdtooi.

De veren hebben de kleuren van de regenboog.

Ze zijn afkomstig van de talloze kleurrijke vogels,

die in de landen van het Andesgebergte vliegen.

Jullie zijn hier in Bolivia aan de voet van dit hooggebergte.

Ik ben het opperhoofd van het dorp.

Vroeger woonde hier je grootvader Gozal, Goean.

Het dorp is heel mooi.

Het ligt verscholen in de prachtige natuur van Zuid-Amerika.

Het was hier altijd goed wonen.

Maar de tijden zijn veranderd.

Wij hebben het op het ogenblik moeilijk.

De demonen van de Andes belagen de mensen.

Sommige mensen zijn helemaal doorgeslagen.

Ze weten niet meer wat ze doen.

Ze zijn verslaafd aan drugs.

Of ze gedragen zich heel gemeen en laf.

Vele mensen zijn geestelijk uit balans,

en horen akelige stemmen.

Er zijn bezeten kinderen, die hun ouders terroriseren.

Sommige dieren zijn ook volkomen van slag

Ik heb niet de kracht om de demonen te verdrijven.

Jij Goean, jij bent de kleinzoon van Gozal,

zijn erfgenaam.

Jij hebt bij je geboorte krachten ontvangen,

waarmee je ons kunt helpen.

Gozal was mijn vriend.

Hij wist de geheime waterbron,

die aan de mensen kracht gaf.

Toen Gozal de wijde wereld introk,

ging het hier mis.

Jij, kleinzoon van Gozal moet de weg voor ons vinden

naar de verloren waterbron.

Goean, als jij de waterbron voor ons terugvindt,

dan kan ik in rust sterven.

Mijn dagen zijn geteld.

Ga aan de slag, jongen.

Ik wil mij voegen bij de zielen van mijn voorvaderen.”

“Ik ben maar een jongen van 10 jaar”, zegt Goean bedeesd.

“Hoe kan ik de waterbron vinden en de demonen verjagen?”

 

“Je grootvader zal je de geheime weg wijzen”,

zegt Regenboog zelfverzekerd.

“Jullie zijn niet voor niets naar ons dorp getoverd.

Jullie zijn alle drie nodig om ons uit de misère te helpen.

Alleen, eet eerst met ons mee van de meelpap.

De meelpap, die mijn dochter heeft gemaakt”, zegt hij lachend.

“Echte indianenpap, dat lijkt me wel wat”, zegt Pika.

Ze heeft wel trek in wat eten na zoveel emotie.

Kapi kijkt een beetje benauwd.

Meelpap, wie eet nou zoiets?

Even later zit hij er toch smakelijk van te eten.

De pap valt dus nogal mee.

Eigenlijk is die zelfs heel lekker.

 

Het is nog ochtend.

Goean, Kapi en Pika besluiten meteen op pad te gaan.

“We gaan de bergen in”, zegt Goean zelfbewust.

Het is net of hij precies weet,

wat er moet gebeuren.

“Waterbronnen kun je ook in de bergen vinden,

ook al zien die bergen er soms akelig droog uit”, zegt hij.

Als ze willen vertrekken,

wordt het hen moeilijk gemaakt.

De mensen dringen om hen heen.

Ze kunnen niet verder.

Een oude vrouw trekt aan de haren van Kapi.

Zulke felblonde haren zijn hier zeldzaam.

Ze wil zo’n bijzondere pluk wit jongenshaar

in haar huis hebben, om ermee te pronken.

Ze laat de haren niet los.

Kapi kijkt haar strak aan.

Hij kijkt als het ware dwars door haar heen.

De vrouw schrikt even.

Kapi ziet iets wegflitsen uit haar ogen.

Ineens wordt de vrouw rustig.

Er valt een ijsklontje uit haar haarvlecht.

Kapi raapt het op, en kijkt er eens naar.

“Wel alle parkieten, dit is een bevroren demon,”

zegt hij.

Alsof hij altijd al heeft geweten, dat er zoiets bestond.

“Ik dacht, dat het een soort verzinsel was,

wat er in het boek van Opa Gozal stond

over het bevriezen van demonen.

Het is dus geen fantasie. Kijk maar!

Nu heb ik hier echt een bevroren demon in mijn hand.

Ik zal hem ver weg werpen,

zodat niemand het klontje meer kan terugvinden.

Kapi is te laat.

Het ijsklontje is al ontdooid door de warmte van zijn hand.

Zijn hand is helemaal nat.

De demon ontvouwt zich tot zijn ware grootte.

Krijsend stort hij zich op een rondsnuffelende hond,

die vervolgens vreselijk te keer gaat.

“Het is echt wel nodig, dat we die bron gaan vinden”,

zegt Pika.

Resoluut duwt ze de mensen opzij.

“Laat ons erdoor.”

Iedereen gaat opzij.

Ze zijn onder de indruk van dit kordate, blonde meisje.

Zeker nadat ze hebben gezien, waartoe Kapi allemaal in staat is.

“Oma Knot zou ons zo moeten zien”, zegt Pika.

Kapi moet even huilen.

Wat mist hij Oma.

Oma had het ijsklontje zeker niet laten smelten.

Haar maakte je niets wijs.

 

De drie kinderen klauteren zich een weg naar boven.

Het valt niet mee.

Toen ze het boek instapten,

hadden ze natuurlijk geen bergschoenen aan,

en dat is jammer.

Bergschoenen zouden hun vandaag goed van pas zijn gekomen.

“Weet je wel zeker, Goean, dat dit de juiste richting is?”,

vraagt Kapi hijgend.

Hij heeft moeite het tempo bij te houden.

“Ik denk het wel, mijn moeder zegt regelmatig,

dat Opa Gozal als klein kind vaak zoek was.

Later bleek, dat hij gewoon ‘even’ in de bergen was geweest.

 

Zo sjouwen ze de hele dag door.

Zo nu en dan nemen ze wat van de vruchten en noten.

Die heeft Opperhoofd Regenboog hun meegegeven.

Als de avond valt, wordt het behoorlijk koud in de bergen.

De kinderen lopen te rillen.

Ze hebben over hun T-shirt geen jas aan.

 

“We gaan een vuur maken”, zegt Pika.

Dat is gemakkelijker gezegd, dan gedaan.

Ze hebben geen lucifers bij zich.

“Ik weet zeker dat grootvader voor ons zal zorgen”,

zegt Goean.

Hij is pas 10 jaar oud,

en toch is hij hier in de bergen een leider,

die precies weet wat er moet gebeuren,

en die hen weet gerust te stellen.

Terwijl Goean dit zegt, komt er vanuit de bergtoppen

een loeigrote vogel aanvliegen.

Het is een condor.

Hij landt vlak voor de voeten van Goean.

“Dag heer Goean, ik ben hier als uw dienaar.

Ik heb vroeger uw grootvader gediend,

en nu bied ik u mijn diensten aan.”

“Als u wil dienen, kunt u dan niet zorgen,

dat we hier wat warmte krijgen”,

spreekt Pika voor haar beurt.

“Dat was ik me ook al aan het bedenken”, zegt Goean.

“Kom onder mijn vleugels, vrienden.

Ik waak over jullie”, zegt de condor vriendelijk.

Die vleugels zijn zo groot,

daar hadden wel twintig kinderen onder gekund.

Onder de vleugels is het knus en warm.

Al gauw liggen ze lekker te slapen.

Goean droomt van zijn grootvader.

“Ga langs het pad van de rode stenen”, zegt die in zijn droom.

 

De volgende morgen zijn ze een beetje stijf

van het liggen op de harde rotsgrond.

“Ik geloof dat ik een deuk in mijn rug heb”,

zegt Pika.

Ik heb de hele nacht op een scherpe steen gelegen.”

“Dat is een rode steen”, zegt Goean wijs.

“Hier heb ik over gedroomd.

Mijn grootvader heeft vroeger deze steen hier neergelegd.

Ik droomde hoe hij naar de steen zocht,

en die hier neerlegde.

Net als Klein Duimpje,

maakte hij een spoor van stenen.

Als we de weg van deze rode stenen zoeken,

vinden we zeker de bron.

Maar eerst gaan we wat eten.

Gelukkig heeft Opperhoofd Regenboog

flink wat vruchten en noten meegegeven.”

 

Het is voor een mens bijna onmogelijk

om de rode stenen te vinden.

De kinderen zijn daarom blij met de hulp van de condor,

die hen bijstaat.

Hij heeft scherpe ogen

De condor kan vanuit de hoge lucht alle kleine details zien.

Dus zeker ook kleinere rode stenen.

 

 

 

Hoofdstuk 4   Het kind bij de grot

 

Aan het eind van de morgen hebben de kinderen

via de rode stenen een berggrot gevonden.

Het is alsof Goean hier vaker is geweest,

zo gemakkelijk gaat het allemaal.

Maar hij is ook voor het eerst in deze bergen,

net als Kapi en Pika.

“Hier zal de waterbron zijn”,  zegt Goean.

De condor staat naast hem.

“We gaan naar binnen”, zegt Pika,

die altijd van aanpakken weet.

Op een steen achter de ingang zien ze een klein kind zitten.

“Woon jij hier?”, vraagt Kapi.

“Ik bewaak de bron”, zegt het kind.

Het is een meisje.

Ze lijkt precies op Iris,

de kleindochter van Opperhoofd Regenboog,

die ze in het dorp hebben leren kennen.

“Jullie mogen hier niet langs”, zegt het kleine meisje bits.

“De bron is verborgen, en dat moet zo blijven.

Ik weet, dat jullie ernaartoe willen.

Maar zo lang ik hier sta,

gaat dat niet door.

Ik ben de kleindochter van het opperhoofd,

en ik houd jullie tegen.”

Goean gaat recht tegenover haar staan.

Hij kijkt haar strak aan, en zegt krachtig:

“Wij hebben een opdracht.

De mensen uit het dorp hebben het water

uit de bron nodig.

Wat je zegt, is niet logisch.

Het klopt niet.

We zijn hier juist, omdat je grootvader dat heeft gevraagd.

En dan kun je nog zo veel op zijn kleindochter lijken,

wij gaan door.

Opzij!“

“Daar komt niets van in”, zegt het meisje.

Uit haar mond schiet plotseling een vlam richting Goean.

Zijn haar wordt geraakt.

Iedereen ruikt de schroeilucht.

Pika dooft het schroeiende haar snel met haar zakdoek.

“Goean, dat was op het nippertje”, zegt ze.

“Dat is geen meisje”, zegt Kapi.

“Die daar staat, dat is Iris niet,

het is een demon.

Een vermomde demon,

in de gedaante van Iris om ons in verwarring te brengen.”

“Ik krijg je wel”, krijst het meisje.

Ze verandert in een stinkende grote, donkere demon,

die zich meester maakt van Kapi.

Hij verdwijnt via een neusgat van Kapi

in zijn lichaam.

Zijn kleur wordt vies bruin.

Kapi begint woest te schreeuwen.

Hij stort zich op Goean,

en begint met hem te vechten.

Hij bindt hem vast met stukken plant,

die daar in de grot in het schaarse licht groeien.

“Wat doe je nou, Kapi?”, roept Pika geschrokken.

“Ik krijg jou ook wel”,

klinkt het heel akelig uit Kapi’s mond.

Pika vlucht de grot uit.

Wie had dit allemaal verwacht?

En waar is de condor gebleven?

Net nu je hem nodig hebt,

is de vogel is gevlogen.

Pika verstopt zich achter een rotsblok.

Ze hapt maar eens in een vrucht.

Wat moet ze anders?

Hoe zou Oma Knot dit oplossen?

Die had de demon wel even van katoen gegeven.

Waarom is Oma ook doodgegaan?

Pika is gewoon kwaad,

omdat ze niet weet wat ze moet doen.

De glazen ring kan ze ook niet gebruiken.

Die ligt in Larilo. Bij Joep.

Stom, dat ze die ring niet bij zich hebben.

Oma heeft hun die ring toch niet voor niets gegeven?

Het huilen staat haar nader dan het lachen.

Ze weet niet wat ze moet doen.

Ze wil ook niet verder weggaan van de grot.

Ze wil in de buurt blijven van Goean en Kapi.

 

Ze zit al een tijdje voor zich uit te staren

als ze in de verte de condor ziet aankomen.

Met zijn poten draagt hij twee emmers.

In zijn snavel houdt een soort scheerspiegel,

die de middagzon weerkaatst.

Hij landt vlak bij Pika.

“Waar was je nou?”, moppert Pika.

“Het is hier een puinhoop.

Ik weet niet wat ik moet doen.

Het wemelt hier van de demonen.”

“Dat weet ik”, zegt de condor.

“Leer mij de demonen kennen.

Ze vermommen zich in lieflijke gedaanten.

Zoals van een kind of een mooie vrouw of man.

Het zijn valse droombeelden.

Als je erin tuint,

ben je vervolgens het haasje.”

“Ja dat zal wel”, zegt Pika

nog steeds geïrriteerd.

“Wat gaan we eraan doen?”

“Jij moet weer de grot in, Pika.

Ik ben te groot om door de ingang van de grot te gaan.

Ik kan me nu eenmaal niet kleiner maken.

Kijk, deze spiegel is je wapen.

Die heb ik in het dorp gehaald,

net als de emmers.

Probeer Kapi de spiegel voor te houden.

De demon in hem zal proberen dit te verhinderen.

Maar geef niet op!

Blijf beslist aanhouden.

Als het de eerste keer niet lukt,

probeer het een tweede keer.

Kapi wordt er sterker van,

als hij moet vechten met de demon in zijn lichaam.

Die sterkte kan hij later weer gebruiken bij volgende avonturen.

Kapi moet via de spiegel

de demon in zijn eigen ogen strak aankijken.

De demon zal zo bevriezen,

en hij zal als ijsklontje uit zijn lichaam vallen.

Breng het klontje meteen naar buiten.

Ik breng het hoog de bergen in,

waar het altijd vriest.

Het ijs zal daar de demon gevangen houden.

Jij kunt het licht vasthouden in duistere situaties.

Wees dus niet bang.

Verblind de demon met je innerlijk licht.

Het licht dat in je is,

ook al is het in de grot nog zo donker,

of akelig”

“Als ik maar wist, hoe ik met dat licht

de demon kan verblinden”, verzucht Pika.

“Hoe doe je dat?”

“Richt je blik op het punt tussen je wenkbrauwen”, zegt de condor.

“Kijk geconcentreerd,

en laat je door niets afleiden.

De demon zal van alles proberen om je uit je concentratie te halen.

Maar wat er ook gebeurt,

hou je blik gericht op het punt tussen de wenkbrauwen.”

“Er zit niets anders op”, stemt Pika in.

“Ik wil Goean en Kapi niet aan hun lot overlaten”.

Ze sluipt de grot binnen.

Ze heeft de spiegel in haar hand.

Als Kapi haar ziet,

begint hij woest in haar richting te slaan.

Goean, die nog gevangen zit,

kijkt benauwd toe.

Hij heeft geprobeerd zich los te wurmen uit de plantenstrikken.

Dat is maar gedeeltelijk gelukt.

Pika loopt dapper richting Kapi.

Dit is toch Kapi, wat is dat nou?

Ze hebben samen al zo veel mee gemaakt.

Wat moet die demon?

Kapi geeft haar een flinke lel in het gezicht.

Ze bloedt.

Ze richt haar blik naar het punt tussen haar wenkbrauwen.

“Allee Kapi, vecht alsjeblieft voor jezelf!

Wat is dat nou?”, roept ze

Haar ogen geven licht door aan Kapi.

En Goean heeft zich ineens losgewurmd.

Hij besluipt Kapi van achteren,

en neemt hem in een houdgreep.

“Kijken”, schreeuwt Pika.

“Kapi, kijk naar jezelf in de spiegel!

Kijk in je eigen ogen!”

Ze houdt Kapi de spiegel voor.

Zijn hoofd beweegt wild heen en weer.

“Kijken”, zegt Goean nu ook,

en hij houdt met beide handen

het hoofd van Kapi in bedwang.

Er valt een ijsklontje uit Kapi’s neus.

Hij schokt over zijn hele lichaam

Het is gelukt!

Kapi is vrij van de demon.

Hij moet huilen van vreugde.

Pika rent met het klontje naar buiten naar de condor.

Het smelt al een beetje,

maar gelukkig gaat het goed.

De condor vliegt er hoog mee de lucht in,

waar het heel koud is.

Zo gaat het ijsklontje veilig naar de bergen,

waar het aan de ijsmassa vastklontert,

zodat niemand ooit het blokje terug kan vinden.

 

“Wij gaan meteen het bronwater halen”, zegt Pika.

“Hier zijn twee emmers,

die de condor uit het dorp gehaald heeft.

Ze heeft nu de smaak van het avontuur helemaal te pakken.

“Ik heb zelf trouwens ook wel erge dorst gekregen”, zegt Goean,

en hij neemt met zijn handen flink wat water uit de bron.

Als ze weer buiten de grot zijn met twee volle emmers,

staat de condor op hen te wachten.

“Kapi en Pika kunnen op mijn rug mee naar het dorp.

En de twee emmers neem ik hangend aan mijn poten mee.

Twee emmers zijn alleen niet genoeg voor alle mensen.

We moeten hier dus een paar keer terugkomen.

In de tussentijden kan Goean de bron bewaken,

tot we alle demonen in het dorp uitgeschakeld hebben.”

“Die gaan mooi de vrieskast van de Andes in”, zegt Kapi.

“Ik ben het ijsklontjesmonster”, zegt hij trots.

Hij slaat zich op zijn borst.

“Schep maar niet zo op”, zegt Pika.

“Nog maar enkele minuten geleden

was je nog aan het huilen.”

 

Het is laat op de dag, wanneer de klus geklaard is.

De duisternis valt al in.

Het heeft twintig emmers bronwater gekost

om de dorpsbewoners weer op krachten te brengen.

Aan het einde van de dag heeft Kapi

vijftig demonen verklonterd.

Die liggen nu onherkenbaar ergens hoog in de bergen.

Opperhoofd Regenboog heeft verklaard,

dat zijn dochter Iris de bewaakster

van de geheime bron zal zijn.

De condor zal haar altijd bijstaan.

 

Goean, Kapi en Pika zijn net 5 minuten terug bij Joep en Asteria.

Pika zit met een pleister op het gezicht te glimmen.

“Ik dacht, dat ik als kleinzoon van Opa Gozal hier de dapperste was.

Maar Pika, nota bene een meisje,

die was de flinkste”, merkt Goean bewonderend op.

Joep pinkt een traan weg.

Hij moet denken aan Oma Knot, die ook altijd zo flink was. 

“Jullie hebben de glazen ring uit je handen laten vallen,

toen jullie het boek instapten”, zegt hij.

“Ik heb hem bewaard.

Hier is hij.”

“De volgende keer nemen we hem mee”, zegt Goean.

“Die zullen we vaak nodig hebben.

Dat is nu wel duidelijk.

We weten niet, welke avonturen er nog aankomen.

Kijk eens wat ik van het opperhoofd heb gekregen.”

Hij heeft een grote rode glazen steen in zijn handen.

De steen is vierkant en mooi bewerkt.

“Bewaar hem goed”, zegt Asteria.

“Hij heeft vast een betekenis, anders stond er niet

in het boek, dat jullie glasketiers zijn.”

 

 

Hoofdstuk 5 De bedroefde farao

 

“Onderhand ben ik benieuwd naar het volgend avontuur”,

zegt Kapi de volgende dag..

“Laten we het boek en de glazen ring eens pakken.”

De tweede prent in het boek is een Egyptische afbeelding.

Ze zien een huilende farao bij een schaal met vruchten.

De vruchten zijn grijs getekend.

“Het lijken wel sinaasappelen, maar dan zonder kleur.

Vreemd eigenlijk.

Ik denk daarom, dat we de kleur oranje moeten gebruiken”,

zegt Pika opgewonden.

“Misschien gaan de sinaasappelen dan wel weer schitteren.

De anderen stemmen er ogenblikkelijk mee in.

Binnen een minuut zijn ze weer in het boek verdwenen.

“Ik houd mijn hart vast”, zegt Asteria.

“Egypte met die farao’s, dat is zo lang geleden.

In wat voor wereld komen ze nu weer terecht?”

“Deze farao had duidelijk problemen.

Anders zat hij niet zo te huilen”, zegt Joep.

“Ik hoop, dat de kinderen hem kunnen helpen.

De kinderen moeten nu eenmaal doen wat de opdracht is”,

voegt hij er ter geruststelling aan toe.

 

“Mijn zoon Ramses is weg”, huilt de farao.

“Hij is niet teruggekeerd van een verre reis.

Dat wil zeggen, zijn lichaam is wel hier,

maar zijn ziel is niet teruggekomen.

Zijn lichaam ligt daar achter in de kamer

in de sarcofaag.

Die sarcofaag heb ik over laten brengen uit de piramide.

Het lichaam ademt een klein beetje, en dat is ook alles.

Zijn ziel is ergens in het heelal blijven steken.

Ik denk dat die domme priesters hem

de verkeerde weg hebben gewezen bij de piramidereis.”

“Wat apart”, zegt Goean.

“Ik heb wel eens gehoord van mensen,

die in coma zijn.

Maar niet van een piramidereis.

Wat is een piramidereis precies?

Het lijkt me heel spannend, heel apart.”

“Let op je woorden, Goean”,

roept Pika hem tot de orde.

“Zie je niet, dat de farao bedroefd is?

Dan zeg je niet ‘heel apart’.

Het lijkt dan net alsof je erop kickt, wat hier gebeurd is.”

“Het geeft niet”, snikt de farao.

“Ik wil wel vertellen,

wat er is voorgevallen.

Ons land is volledig veranderd

sinds deze narigheid met mijn zoon Ramses.

De kleur oranje is sindsdien helemaal uit ons land verdwenen.

Dat is heel akelig.

De sinaasappelen zien er ongezond en grijs uit nu.

Het zonlicht is koud van kleur geworden.

We worden er allemaal depressief van.

En we geloven niet, dat er ooit nog geluk is weggelegd voor ons.”

“Wat apart”, zegt Kapi nu.

Hij probeert zich helemaal in te leven in de farao

Maar Pika geeft hem een tik.

“Zeg jij nu niet ook ‘apart’, dat hoort niet.”

Kapi’s wangen verschieten naar grijs.

De rode blos op zijn wangen is ineens verdwenen

“Hoe zit dat eigenlijk met die piramidereis,

mijnheer de farao?”, vraagt Pika doortastend.

“Ja, ik ben ook wel benieuwd”, zegt Goean,

die even wil laten horen,

dat hij er ook is.

“Jullie zijn duidelijk niet van hier,

anders zou je het wel weten”, constateert de farao.

“Een piramidereis is voorbehouden aan farao’s, en aan zeer hoge priesters.

Als zij er rijp voor zijn, nemen zij plaats in een sarcofaag in de piramide.”

“Wat is een sarcofaag precies”, vraagt Kapi.

“Een sarcofaag, dat is een stenen doodskist.”

“Wat griezelig. Gaan ze daar levend in?”, vraagt Pika.

“Ze gaan er levend in, en ze komen er weer levend uit”,

legt de farao uit.

“Na hun zielenreis komen ze terug met lichaam en ziel,

en ze dienen dan het land en zijn bewoners.

Als alles tenminste goed gaat. Doorgaans wel.

Bij Ramses is er wat misgegaan.

Zijn ziel is ergens blijven hangen.

De priesters, die met hem mee zijn geweest op zielenreis,

weten er ook geen raad mee.

Ze hebben onderweg niets bijzonders gemerkt,

en ze gissen ook maar wat.

Ik heb er al een paar ter dood laten brengen.

Zo  kwaad was ik. Eigenlijk erg dom van me.

Nu kunnen ze helemaal niets meer zeggen,

waar we wat aan zouden kunnen hebben.”

“Ook heel onbeschaafd”, merkt Goean op.

Ineens is Goean weer de leider,

die aangeeft wanneer er geholpen mag worden.

“Als u wilt, dat we u helpen, moet u beloven

nooit meer een doodvonnis uit te vaardigen.”

“Als mijn zoon daarmee gezond wordt,

en de kleur oranje weer gaat stralen in mijn rijk,

dan beloof ik dat graag.

Eigenlijk spreek je heel brutaal tegen een farao.

Weet je wel wie ik ben?

Ik ben een godenmens!”

Hij aarzelt even en zucht:

“Maar wel een godenmens in een harde tijd van de geschiedenis.”

“Waar gaat zo’n zielenreis doorgaans naar toe? “, vraagt Kapi.

“De reis gaat meestal naar het sterrenbeeld Orion.

Het woongebied van onze Goden.

Je gaat in zo’n sarcofaag liggen,

en je brengt je lichaam in diepe rust.

Het lichaam heeft bijna geen zuurstof nodig,

als je ziel opstijgt en in het heelal gaat reizen.

De ziel gaat razend snel langs sterren en planeten.

op weg naar zijn bestemming.

Ik heb het ook meegemaakt.

Mijn ziel schoot zo voorbij aan Saturnus.

Ik zag de ringen om deze planeet helder voor mijn geestesoog.

Het was een prachtige tocht.

Als je na het verblijf bij de Goden terugkomt,

is het zaak op het juiste moment in de sarcofaag aan te komen.

Je ziel mag niet te vroeg in de sarcofaag arriveren.

Want als je wakker wordt,

heeft het lichaam meteen weer veel zuurstof nodig.

En als de deksel nog op de sarcofaag ligt, is dat lastig.

Mijn zoon is waarschijnlijk te vroeg geweest,

en toen is zijn ziel vast en zeker opnieuw gaan reizen.

Om zijn lichaam te sparen.

Om het lichaam niet te laten stikken.

En nu is zijn ziel op een onbekende plek in de ruimte

Zijn zielenreis was naar de sterrengroep de Pleiaden.

Waar de tweede reis naar toe ging, ik zou het niet weten.

Bovendien, zijn de Pleiaden nu niet te zien.

We zitten namelijk in de zogenaamde wintertijd.

De zon staat ver in het zuiden.

Voorzover het hier winter is.

Het is hier meestal niet koud in de winter.

Maar nu is het een stuk kouder,

zo zonder de warme kleur oranje.”

“Wij gaan de ziel van Ramses zoeken”, zegt Goean beslist.

“Met de glazen ring moet dat mogelijk zijn.

En ik heb een idee, hoe dat moet.

Wij hoeven slechts de naam van Ramses tegelijk uit te spreken,

en floep we weten het.

Geef me eens allebei een hand, Kapi en Pika.”

En zonder nog verder te hoeven overleggen

roepen ze tegelijk: “Ramses”.

En, zoef, weg zijn ze.

De kinderen schieten samen het heelal in.

“Dit is prettiger dan een sarcofaag”, zegt Kapi tevreden.

“In zo’n sarcofaag liggen, daar moet ik niet aan denken.”

“Dit is veel meer kicken”, zegt Goean.

“Kan het wat serieuzer”, moppert Pika.

Als ze in de buurt komen van een blauwgroene planeet bij de Pleiaden,

wordt de vaart ineens minder.

“Hier zal het waarschijnlijk wel zijn”, denkt Pika hardop.

Ze landen in heuvels met raar zand,

dat bestaat uit grote blauwgroene korrels.

In de verte zien ze een doorzichtig wezen,

dat hen doordringend opneemt.

Dat wil zeggen, het wezen heeft geen ogen,

en toch kan het hen waarnemen!

Dat kunnen ze voelen.

“Het is hier wel koud”, zegt Pika.

“Net zo koud als boven in de Andes.”

Het wezen beïnvloedt hen op de een of andere manier.

Ze kunnen ineens niet meer vrij bewegen.

Zonder precies te weten, hoe dat gegaan is,

zijn ze plotsklaps in een lichte ruimte, die doet denken

aan heel licht blauwgroen glas.

Er zijn hier meer van die vreemde wezens.

Op de een of andere manier maken ze hun duidelijk,

dat ze welkom zijn.

Gelukkig!  Ze hoeven niet bang te zijn.

Ze communiceren zonder te praten.

Praten zou ook niet kunnen, want ze hebben geen mond.

Ze communiceren met gedachten.

De wezens lijken net te bestaan uit vloeibaar glas.

Het lijkt wel, of ze in een wereld zijn

met computeranimaties, die geleidelijk veranderen.

Alleen zitten ze nu zelf ook helemaal in die wereld.

In de verte zien ze een oranje gloed.

Die kleur komt op deze planeet zeldzaam over

tussen al die groenblauwe tinten.

“Dat heeft vast iets met Ramses te maken”, zegt Kapi.

“Ik heb hier verder nog nergens oranje gezien.”

 

Als ze dichterbij komen, zien ze een soort projectie van de Ramses,

die ze op de aarde hebben gezien.

Ramses zit gehurkt bij een wezen, dat er volledig anders uitziet

dan de andere bewoners op deze planeet.

Zonder iets te zeggen maakt Ramses hen duidelijk

dat dit Osis is,

de liefdevolle leider van de planeet Xander.

Deze Osis is gewond teruggekeerd na een hevige strijd in de ruimte.

De planeet werd vanuit de ruimte aangevallen

door vijandige wezens.

Osis ging vooraan om zijn planeet te verdedigen.

Hij won.

De vijandelijke wezens sloegen op de vlucht.

Maar hij werd zelf wel geraakt door een hevige straal,

en raakte ernstig gewond.

Osis wordt nu door de doctoren behandeld.

Op deze planeet geneest men zieken

met de verschillende golflengten van licht.

Osis kon helaas niet toereikend behandeld worden

met de kleuren van zijn eigen planeet Xander.

Ze beschikken daar over de meeste kleuren van de regenboog.

En ze hebben ook andere kleuren, die aardemensen niet kunnen zien.

Alleen de aardekleur oranje hebben ze zelf niet.

En dat was nu net de kleur, die voor Osis nodig was.

Dit speelde allemaal, 

toen Ramses op zijn zielenreis de planeet Xander aandeed.

Faraozonen hebben vaak grote gaven.

Zodoende  kon Ramses zijn vriend Osis helpen.

Hij deed dit door oranje licht te onttrekken

aan het Egyptische rijk van zijn vader.

Niemand begrijpt hoe dat gaat,

maar Ramses kan zoiets volbrengen,

alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

Osis is inmiddels goed hersteld,

en Ramses kan weer terug naar zijn lichaam, dat op aarde ligt.

Hij weet eigenlijk alleen niet, hoe dat zou moeten.

Hij is er een beetje zenuwachtig van, als hij eraan denkt,

hoe hij terug moet gaan.

Hij heeft geen idee, hoe dat nu moet.

Hij mist zijn vader en de rest van de familie.

Hij vertelt dat hij niet te vroeg was teruggekeerd in de sarcofaag.

Dat verhaal is een gedachtespinsel van zijn vader.

Hij is gewoon hier gebleven om Osis te helpen.

“Dan zijn de priesters helemaal voor niets ter dood gebracht”, zegt Pika verontwaardigd.

Ramses kijkt bedrukt.

“Die priesters waren mijn vrienden.

Ik ken ze goed.

Ik vind het heel erg,

dat die dingen zo gaan in het Egyptische rijk.

Iedereen vindt het normaal, dat er vonnissen zijn, als de farao boos is.

Als ik farao word, ga ik dat veranderen.

Ja, ik heb veel geleerd in de tijd,

dat ik hier op de planeet Xander was.

Ik begreep al niet,

dat niet een van de priesters een zielenreis ondernam

om mij hier op te halen na mijn taak.

Nu jullie hier zijn, is er hopelijk een oplossing voor mijn terugreis.”

“Die is er zeker”, zegt Goean opgewekt.

“U kunt samen met ons terugreizen met de glazen ring!

“Wat gek”, vervolgt Goean.

“We zijn al een tijd hier. En ik heb helemaal geen honger.

Hoe kan dat?

Op aarde kan ik altijd wel eten.”

“Dat is normaal”, zegt Ramses.

“Op deze planeet haal je kracht uit het gekleurde licht.

Dan hoef je niet te eten.”

 

Ze nemen afscheid van Osis en de andere bewoners

van de planeet Xander.

Ze schieten vervolgens met zijn vieren het heelal in, richting aarde.

Ze landen bij het ‘ziekbed’ van het lichaam van Ramses.

Die doet zijn ogen open, en zegt: “Zo, ik ben er weer.”

De bedienden rennen naar de farao.

Die komt gauw toesnellen.

Voor zover dat kan met de kleren die hij aanheeft,

en met de kroon die hij op zijn hoofd draagt.

Ze zien, dat de sinaasappelen op de schaal bij het bed

weer oranje zijn geworden.

De farao huilt en sluit zijn zoon in de armen.

“Alle doodvonnissen, die nog uitstaan,

worden onmiddellijk ingetrokken”, zegt hij opgetogen.

“In heel Egypte is het deze week feest!”

 

“En voor jullie heb ik ook een cadeau.

Ik schenk jullie iets heel kostbaars.

Het is nog maar net uitgevonden door onze geleerden.

Ik geef jullie een heel grote groene glazen steen,

een prachtig juweel.

Liever had ik jullie een oranje steen gegeven.

Maar gezien de situatie met Ramses konden we die niet maken.

We konden de oranje kleur niet te pakken krijgen.

We kwamen steeds bij een grijze glazen steen uit.”

“We zijn hier heel blij mee”, zegt Goean.

“Wat zullen ze die steen in Larilo mooi vinden!

Mijn moeder zal er blij mee zijn.

Zij houdt van stenen en kralen.

Het is nu wel tijd om te gaan.

Wij moeten afscheid van jullie nemen.”

“Jullie zijn altijd welkom aan het hof”, zegt de farao.

Jullie zijn niet van faraobloed, maar jullie gedrag is koninklijk.

Daar kan ik wat van leren.”

“Zoals geen doodvonnissen meer uitvaardigen”, zegt Pika.

“Ik zal deze wens van jou altijd onthouden”, zegt de farao.

      

       Hoofdstuk 6   De tijdklok van de aarde

 

Na een rustdag is het tijd voor een nieuw avontuur.

De kinderen bestuderen prent nummer drie.

Het is een afbeelding van een Frans bos.

In het bos is een reusachtige ouderwetse wekker getekend.

“Ik denk, dat we de kleur groen moeten gebruiken”, zegt Pika.

“Het bos is helemaal groen, en we hebben die groene steen

van de farao niet voor niets gekregen.

Dat is vast een aanwijzing.”

“Ik heb hier geen goed gevoel bij”, zegt Goean.

Hij maakt een afwijzend gebaar.

Maar voor hij verder wat kan zeggen,

heeft Pika met de glazen ring

de groene kleur op de prent gericht.

En weg zijn ze. De prent in.

“Ik krijg een beetje buikpijn”, zegt Asteria.

“Die kinderen zijn veel te haastig.”

“Ik vertrouw het ook niet.

Maar ja, ze zijn al weer weg.

Wat moeten we?”, valt Joep haar bij.

 

Kapi, Pika en Goean bevinden zich nu in een oud Frans bos

ergens in de vorige eeuw.

Of nog verder in de tijd terug.

Ze zijn nog niet goed en wel in het dennenbos,

of ze voelen de grond hevig wiebelen.

In een flits zien ze een vliegende dinosaurus voorbijschieten,

alsof er even een andere televisiezender door het programma gaat.

“Dat is schrikken, wat is hier aan de hand?”, zegt Kapi.

Ze staan met zijn drieën behoorlijk te shaken[1].

“Het was net of de bomen even veranderden in grote varens”, zegt Goean.

“Dat zag ik ook”, zegt Pika.

“Kijk eens”. Ze wijst naar een plek achter Goean.

Daar richt zich een of ander vervaarlijk monster op.

“Wel alle dennenappels, hij heeft drie grote slangentongen.

Ik ben bang, dat we met de verkeerde kleur de prent zijn ingestapt”,

verzucht Kapi.

“We hebben dit monster in zijn slaap gewekt.

Goean had gelijk. Groen is de verkeerde kleur.”

“Sorry jongens”, zegt Pika.

“We zitten nu echt in de shit.”

Ze voelen de grond opnieuw schudden.

Ineens zien ze op een paar meter afstand

een sneltrein door het bos flitsen.

“Dat was op het nippertje”, zegt Goean.

“Het was net of al die bomen even helemaal weg waren.

Hier is iets helemaal verkeerd”.

De kinderen zien, dat het vreemde monster dichterbij komt.

Voor de veiligheid verstoppen ze zich achter het kreupelhout.

Het monster begint te schreeuwen.

Hij roept iets over een klok, die hij moet hebben.

Hij stampt stevig op de grond,

en meteen zien ze weer een vliegende dinosaurus langskomen.

Als het monster zich wat verwijdert van de plek,

wordt alles weer normaal in het bos.

“Ik snap er niets van”, zegt Kapi.

“Het is net of je steeds van de ene tijd in de andere tijd glijdt.

Eerst gingen we naar de oertijd met dinosaurussen.

En toen kwam er een hogesnelheidstrein uit de 21e eeuw.

En nu zijn we weer terug, waar we binnenkwamen in de vorige eeuw.”

“Dat heb je goed opgemerkt”, horen ze vanuit een boom.

“Die stem ken ik!”, zegt Pika blij.

“Dat is Paloma, de duif, die ons geholpen heeft

bij ons avontuur met de glazen koffer.”

“Wat bent u een mooie duif”, zegt Goean beleefd.

“Ik ben blij, dat ik u eindelijk eens zie.

Want ik heb veel over u gehoord, van Kapi.”

“Ik ben een mooie duif”, zegt Paloma.

“Met mooi zijn kom je alleen niet verder.

Het gaat in het bestaan om de juiste daden.

Als je niet goed naar je innerlijk luistert,

te haastig bent, en niet goed overdenkt,

wat je moet doen,

dan wek je de monsters.

Dus Pika, in het vervolg niet zo ondoordacht handelen.

Jullie hebben Wodo gewekt!

Wodo, die wij met zo veel moeite tot zwijgen hadden gebracht.

Hij heeft het namelijk voorzien op de tijdklok,

het wonderbaarlijke instrument,

dat het innerlijk van de aarde regelt.

Kennen jullie het verhaal over de oorsprong van de aarde niet?

Ik zal het jullie vertellen.

Er werd eens een klont vuur uit de zon geslingerd,

De klont vuur koelde later af,

en hij was voorbestemd om de planeet aarde te worden.

Er was toen echter een en al chaos in dit deel van het heelal.

De Schepper heeft daarom aan Koko, de broer van Josko, gevraagd

om orde te scheppen op de aarde,

zodat het een mooie planeet kon worden.

Met een ordelijk verlopende toekomst.

En met een fatsoenlijk tijdsplan.

Want niet overal in het heelal loopt de tijd netjes in de pas.

Het is uitzonderlijk, als de tijd netjes in de pas loopt.

De aarde miste dus ook een geordende tijd.

Koko heeft een superklok gemaakt voor het innerlijk van de aarde.

Alleen Wodo, een andere broer van Josko, was jaloers.

Zijn tong spleet van kwaadheid in drie giftige stukken.

Door alle opwinding veranderde zijn lichaam steeds meer in dat van een monster.

Voortdurend liep hij te stampen bij de grote klok,

en zo verhinderde hij,

dat de tijd goed kon intreden in het aards gebeuren.

Telkens als hij met zijn poten op de grond dreunde

in de buurt van de klok, versprong de tijd.

Jullie hebben net zelf al meegemaakt, hoe dat gaat.

Nu Wodo weer wakker is, gaat er van alles mis op de aarde.

In Londen zijn de mensen uit de vorige eeuw weer te voorschijn gekomen.

Er lopen daar nu twee eeuwen door elkaar.

Het zijn vreselijke toestanden.

De mensen knokken met de huidige bewoners van het huis,

waar ze vroeger zelf in woonden.

En ze verdwalen in de stad,

omdat er door de loop van de tijd zo veel veranderd is.

Jullie snappen wat er allemaal mis kan gaan,

als de oertijden weer door de tijd van nu gaan heenlopen.

Dinosaurussen die door de straten van New York lopen.

En er vliegen politiehelikopters boven.

Zie je de puinhoop al voor je?

Al die tijden, die dwars door elkaar lopen.

Het monster moet worden uitgeschakeld.”

“Hoe moet dat dan?”, vraagt Kapi.

“Dat kan door de drie gespleten tongen af te knippen,

zodat het gif uit zijn lichaam verdwijnt.

De enige, die dat kan is Goean.

Hij heeft de juiste gave hiervoor.

Ook moet de klok opgewonden worden.

Dat moet namelijk iedere vijftigduizend jaar gebeuren.

Iedere keer, als er bijna zo’n periode voorbij is,

wordt er iemand geboren die de klok kan opwinden.

Voor het huidige tijdperk is dat Kapi.

Terwijl Goean en Pika het monster uitschakelen,

zal Kapi de klok moeten terugzetten.

De klok bevindt zich in een kelder onder dit bos.”

 

De kinderen zitten weer te shaken.

“Dat monster is zo woest,

ik ben blij dat hij even uit de buurt is”, zegt Goean.

“Zelfs als hij in de verte op de grond stampt,

wiebelt de tijd alweer.

Ik zag net een plant van duizenden jaren geleden

even door de tijd glijden.

Ik weet niet of ik het monster kan temmen.

Ik ben nu eenmaal geen superman.”

“Toch moet jij hem onschadelijk maken”, zegt Paloma.

“Het zou toch verschrikkelijk zijn, als dat niet gebeurt!

Er zijn zoveel  goede dingen op de aarde opgebouwd.

Alles zou teloorgaan.

Het is een belediging van de Schepper,

als al dat moois wordt vernietigd in de tijdchaos.”

“Ik heb een idee”, zegt Pika.

“Wij hebben toch de glazen ring.

Daarmee kun je in de tijd reizen.

Als wij nu eerst eens terugreizen naar het moment,

voordat we het boek instapten bij prent nummer drie.

Wij kunnen zo alsnog met de goede kleur het bos ingaan.

Wodo blijft dan slapen, en het is voor Goean gemakkelijker

om zijn drie gespleten tongen af te knippen.

Maar wat is nu de juiste  kleur?

Dat weten we niet.”

“Dat kun je toch wel weten”, zegt Paloma.

“Denk eens aan de naam van het opperhoofd.”

“Regenboog, o dan weet ik het”,

zegt Goean.

“De regenboog onthult de volgorde van de schepping.

Alleen, wat komt er na rood en oranje in de regenboog?“

“Geel”, zegt Kapi.

“Wij moeten wel tempo maken met de glazen ring,

want ik hoor Wodo weer aankomen.”

 

“Gek”, zegt Asteria.

“Jullie staan hier bij het boek, en het is net of jullie al vertrokken waren”.

Pika lacht. Ze is blij, dat ze haar fout kan herstellen.

“Waarom jij dat denkt, dat leggen we later uit.

We moeten namelijk snel aan de slag.

We gaan met de kleur geel het bos in.”

En voordat Asteria en Joep, die bij haar staan,

er erg in hebben,

zijn ze alweer vertrokken.

Ze landen bij een slapende Wodo.

Naast hem ligt een oude sleutel.

Die is zo’n twintig centimeter groot.

Het is de sleutel van de ingang naar de klok.

“De ingang moet in de buurt zijn ”, zegt Kapi.

“Anders zou die sleutel hier niet liggen.”

Hij kijkt eens rond.

In een rots ziet hij een sleutelgat.

“Oké”, bekommeren jullie je om Wodo.

Dan ga ik op die klok af.“

 

“Pika, hou zijn hoofd eens vast”, zegt Goean.

Ze hebben de schaar van Oma Knot meegenomen.

Behendig knipt Goean de eerste gespleten tong af.

Wodo kreunt in zijn slaap.

De volgende tongpunten krijgen dezelfde behandeling van Goean.

Als de klus geklaard is, wordt Wodo wakker.

Pika en Goean rennen verschrikt naar het kreupelhout

om zich daarachter te verstoppen.

“Wees niet bang”, zegt Wodo.

Hij is een beetje moeilijk te verstaan,

omdat hij weinig tong meer over heeft.

“Wat ben ik dom geweest”, zegt hij.

“Gelukkig is het gif uit mijn lichaam verdwenen.

Bedankt, mijn redders van het kwaad.

Wat was ik jaloers en dom.”

Er staan tranen in zijn ogen.

Ze zien, dat zijn lichaam verandert.

Het wordt vriendelijker van aanblik.

“Je kunt zien, dat hij een broer van Josko is”, zegt Pika.

 

Intussen is Kapi alweer terug.

“Het was een fluitje van een cent”, zegt hij glimlachend.

Drie keer draaien met dezelfde sleutel, als die bij de ingang hoort.

En kijk eens wat er bij de klok lag!

Een grote gele glazen steen!

Nu heeft de aarde weer vijftigduizend jaar de juiste tijd.

Ik hang de sleutel hoog aan deze boom.

Dan kan Paloma hem ophalen, als hij tijd heeft.”

“Ik kan hem ook aan Koko geven”, zegt Wodo.

“Ik wil het met hem goed gaan maken.”

“Wij kunnen hem nu wel vertrouwen”, zegt Goean.

“Geef hem gerust de sleutel.

 

 

Hoofdstuk 7    De muziekplaneet

 

“Ik wist niet, dat de tijd kan wiebelen”, zegt Joep.

“Wat interessant eigenlijk.
Alleen het idee, dat alles in de tijd mis kan gaan,

is doodeng.

Als ik daarover nadenk, doe ik geen oog meer dicht.

Jullie hebben de aarde een groot probleem bespaard.

Het is vreemd, dat niemand op de aarde beseft,

dat men daar zo in rust in de goede volgorde leeft

dankzij die klok van Koko.

In de boeken over Frankrijk heb ik er nog nooit iets over gelezen.

Het is zeker een groot geheim op de aarde.

Ik heb wel eens over de tovenaar Merlijn gelezen

uit de tijd van Koning Arthur en de ridders van de tafelronde.

Die tovenaar Merlijn leefde achterstevoren.

Behoorlijk ingewikkeld, als je weet wat er gaat gebeuren,

en je tegelijkertijd niet weet, wat er al is gebeurd.”

 

“Ik heb vannacht schitterende muziek gehoord in mijn dromen”,

zegt Asteria dromerig.

“En ik zag jullie rondvliegen met zwanen.

Het waren geen gewone zwanen.

Want ze hadden geen ogen. 

Ze hadden wel grote oren.

Die zaten als een soort schotelantennes aan hun kop.

En ze hadden lange poten.

Hun veren waren lichtgevend wit.

Die zwanen voerden samen met jullie dansen uit

in een purperen luchtruim.

Zoiets heb ik nog nooit in mijn glazen bol gezien.

Ik denk, dat het met jullie nieuwe avontuur te maken heeft.

Het wordt vast iets moois.

Ik kan namelijk ook een beetje vooruitkijken, net als de tovenaar Merlijn.

Alleen heb ik daar meestal de glazen bol voor nodig.

Maar nu zag ik het in mijn droom.”

 

“Ja, laten we eens naar de volgende prent kijken”,

zegt Goean energiek.

“We kunnen nu veilig de kleur groen gebruiken.

Dat is de volgende kleur van de regenboog.”

“Kijk eens”, zegt Kapi, “dat is de toren van Utrecht.

Het is de Domtoren.

Die wordt door vreemde spiralen omkringeld.

Wat merkwaardig.

De spiralen lopen in lange dunne draden naar alle richtingen.”

“Het lijkt wel, of Daan de Stadsdichter van Venlo

daar beneden bij de toren staat”, zegt Pika blij verrast.

Ze herkent de creatieve jongeman,

die hen zo behulpzaam was

bij het avontuur met de glazen koffer van Venlo.

Ze wiebelt van ongeduld.

“Laten we gauw die prent instappen.”

 

“Dag Daan, dag makker”, roept Kapi,

als ze daar op het Domplein van Utrecht landen.

De mensen kijken er een beetje vreemd van op.

Net was het plekje leeg, waar nu zo maar drie kinderen staan.

Daan weet niet, wat hij ziet.

Hij moet huilen.

“Ik heb zo veel aan jullie gedacht.

Ik heb me steeds afgevraagd, hoe jullie het maakten.

Ik ben blij om jullie te zien.

Waar zijn Joep en Oma Knot?”

“Oma is overleden.

Ze is naar een andere sfeer overgegaan.

Joep is het allemaal aan het verwerken.

Asteria, de moeder van Goean is bij hem.”

“Is Oma dood?“, zegt Daan geschrokken.

Hij moet weer huilen.

“Ze was me zo dierbaar.

Ik weet natuurlijk wel, dat haar ziel ergens verder gaat.

En dat die ook telkens weer geboren wordt in een nieuw lichaam.

Het doet me toch pijn, dat je haar niet meer direct kunt aanspreken.”

Ook de kinderen moeten nu huilen.

Ze beseffen nu pas echt, hoe kostbaar het is,

als je zo iemand als Oma Knot gekend hebt.

Het is een diepe herinnering van geluk voor de rest van je leven,

maar het verlies snijdt regelmatig flink door je heen.

“Laten we koffie met een appelpunt gaan nemen

in dat cafeetje daar”, zegt Daan.

“Dan kunnen we even gezellig praten.”

“Dat is een goed idee”, zegt Pika

“Aards appelgebak.

Dat hebben we ook in Venlo op het stadhuis gegeten

met burgemeester Hubert. In mei 2007.

Ik kan het me nog herinneren

als de dag van gisteren.”

 

“Het is hier nu vijf jaar later”, zegt Daan.

“Jullie zijn onze wereld binnengekomen in het jaar 2012.

Het wordt op de aarde steeds warmer.

Het klimaat verandert.

Het ijs op de polen en op de bergtoppen

smelt zienderogen.

En het is ook drukker geworden in de atmosfeer.

Al die draadloze verbindingen van telefoontjes, laptops

en andere apparaatjes geven straling in de lucht.

Alles zindert ervan.

Je hebt daarom die spiralen en draden op de prent gezien.

Ook in mijn stadje Venlo gebeurt dit allemaal.

Het is een onzichtbaar gewirwar van straling in de lucht.

Ik raak er helemaal gestresst van in mijn gevoelige dichterziel.

Ik voel bijna geen rustige ritmes meer.

De woorden vloeien niet meer soepel.

Vroeger droomde ik ’s nachts

van de zwanenwezens van de planeet Sieknus.

Ik hoorde dan hun fijnzinnige ritmes.

En hun ongeëvenaarde muziek.

Zo had ik weer veel inspiratie voor mijn gedichten.

Dit gaat nu een stuk moeilijker

met zoveel straling van de technische apparaatjes in de atmosfeer.

Om bij te komen ga ik af en toe naar het Museum

‘Van speelklok tot pierement’.

Dan luister ik naar de filmband van het glazen draaiorgel.

Door de hogere klanken kom ik weer tot rust.”

“Ik wil hem ook nog eens horen”, zegt Kapi.

“En Goean moet hem zien.

Die was er niet bij, toen het draaiorgel van Josko zo prachtig speelde.

Dan zien we Oma ook weer op de film!”

Daan rekent af, en ze gaan naar het museum, dat vlakbij is.

 

Het is een geweldige belevenis om de film te zien in het museum.

De klanken van het glazen draaiorgel zijn ongelooflijk fijnzinnig

Als ze weer buiten staan, voelen ze zich heerlijk verfrist.

“Wat zou ik graag eens naar die planeet Sieknus gaan”, zegt Goean ineens.

“Ik zou die muziek en die ritmes graag willen horen.”

“Sieknus ligt bij het sterrenbeeld De Zwaan”, zegt Daan.

“Als jullie de glazen ring bij je hebben,

kunnen we er zo naar toe.

Eigenlijk heb ik daar ook zin in,

nu ik 5 jaar niet meer weg geweest ben van de aarde.”

“Je bent een beetje ouder geworden”, zegt Pika.

“Boven op je hoofd ben je zelfs een tikkeltje kaal.”

“Dat deert mij niet, voor een dichter telt alleen het innerlijk”,

zegt Daan.

“Waar is je pet gebleven?”, vraagt Kapi.

“Die was versleten”, zegt Daan.

 

Met de glazen ring zijn ze in een paar minuten op de planeet Sieknus.

De lucht is zacht purper.

Je gaat er met zwevende stappen glijdend vooruit.

“We lijken wel voorname vogels’, zegt Pika.

“Zo deftig, als we hier bewegen.

Het gaat gewoon vanzelf.

We lijken net zwanen.

Dat kan natuurlijk ook niet anders,

op een planeet als deze in het sterrenbeeld De Zwaan.

Asteria heeft ons in haar droom goed gezien.”

“Ja mijn moeder is keigaaf hè?”, zegt Goean trots.

Het duurt niet lang, of ze zijn omgeven

door zwaanachtige wezens.

En inderdaad.

Die hebben geen ogen, net als in de droom van Asteria.

Ze hebben wel een tuitvormig soort mond,

en ronde oren als schoteltjes.

Er komen steeds meer van deze vogels rondom hen staan.

Heel zacht beginnen ze met een soort lied.

Ziemmm.., ziemmm..

Alsof het eerst van heel ver komt,

en geleidelijk in je hoofd en hart neerstrijkt.

Daan en de kinderen voelen een diepe ontroering.

“Het is net, alsof ik na een eeuwenlange reis

weer thuis kom”, zegt Daan.

“Deze wezens zijn me zo dierbaar.”

“Ik herken iets van wat ze zingen”, zegt Goean.

“Mijn moeder neuriet soms een stukje van deze melodie.

Net zoals mijn oma het vroeger ook neuriede.

Hier is de melodie zo compleet,

dat ik er helemaal warm van wordt.

Ik wist niet dat er zulke mooie muziek bestond.”

 

“Welkom op Sieknus”, klinkt het uit de mond van de grootste vogel.

“De stem heeft een diepe trilling als van een glazen orgel.

Jullie zijn hier bij de Zwaansies.

Namens de Schepper zorgen wij voor de muziek in dit deel van het heelal.

Wij geven ook muziek aan de aarde.

Dat doen we al vele eeuwen.

’s Nachts geven wij de muziek door in de dromen van de mensen.

Grote componisten zoals Mozart hebben van ons hun muziek opgevangen.

Er zijn miljoenen mogelijkheden in geluidsvibraties.

Met als gevolg dat er veel soorten muziek en ritmes zijn.

Voor elk wat wils.

Alleen op dit moment kunnen wij de aarde moeilijk bereiken.

Er zijn zo veel draadloze trillingen

door computers, gsm’s, tomtoms en ga maar door.

Ze veroorzaken veel stress.

De mensen krijgen ’s nachts in hun dromen

onze muziek niet goed meer door.

Zo krijgen ze geen fijne rust in hun body.

Wij hebben niet de mogelijkheid om naar de planeet Aarde te gaan.

De atmosfeer is er te dik voor onze lichamen.

Wij zouden ook in elkaar gedrukt worden door de zwaartekracht.

 

Daarom zijn we blij, dat jullie hiernaartoe zijn gekomen.

Het lot van de aardse mensen raakt ons zeer.

Zij hebben onze muziek in het verleden zo fantastisch

opgevangen en verwerkt.

Elk werelddeel op zijn eigen wijze.

Wij kunnen jullie nu piepkleine antennes meegeven.

Ze zijn zo klein als aards stof.

Voor de mensen zijn ze niet herkenbaar als antennes.

Toch zullen ze functioneren.

We geven jullie een buideltje mee.

Als jullie terug zijn in de stad Utrecht,

kunnen jullie daar die prachtige toren beklimmen.

En boven op de toren geven jullie de antennes mee met de wind.

De wind zal ze over de hele planeet verspreiden.

Op die manier kunnen we weer voor eeuwen muziek doorgeven.

Nu nog helderder dan vroeger.

De mensen zullen ’s ochtends verkwikt opstaan,

en veel minder gestresst met elkaar omgaan.

“Wat een eer, dat wij deze taak mogen vervullen”, zegt Kapi.

“Ja inderdaad”, zegt Daan.

De vier bezoekers buigen diep voor de Zwaansies,

die eerst nog een ongelooflijk mooi afscheidslied zingen.

Het lijkt wel of er honderden muziekinstrumenten

verstopt zitten in hun stemmen.

De kinderen en Daan wiegen mee met de muziek,

zoals ze dat nog nooit beleefd hebben.

 

Gewapend met de buidel piepkleine antennes

gaat de reis terug naar Utrecht.

Daar gaan ze meteen hun taak vervullen.

“Het is hier zwaar klimmen”, zegt Pika,

“als je net op Sieknus bent geweest.

Daar gaat alles zo vanzelf.”

Boven op de toren geven ze de antennes over aan de wind.

 

“Dat kost jullie een bekeuring”, horen ze 

een torenwachter achter hen boos zeggen.

“Hoe kunnen jullie er zo’n rommel van maken.”

“Dat hebben wij er graag voor over”, zegt Daan.

“Morgen zult u namelijk veel minder gestresst zijn

door deze actie van ons.”

Hij moet enorm schaterlachen.

De kinderen ook.

De torenwachter snapt er helemaal niets van,

en verontwaardigd valt hij uit.

“Mij ook nog uitlachen! Het is fraai.”

“U moest als volwassene verstandiger zijn, mijnheer.

U geeft me nogal een voorbeeld aan deze kinderen. “

De vier moeten nu nog harder lachen.

“Hoeveel is het? Wat moeten we betalen?”, vraagt Daan.

 

“Ach laat ook maar zitten”, zegt de torenwachter.

Hij begint vervolgens een liedje te fluiten.

 

“Het werkt al!”, zegt Kapi.

“Nou kinderen, wat zal ik jullie missen”, zegt Daan.

“Ik weet dat ik jullie pas in het jaar 2040 terugzie.

Voor mij zal dat een lange moeilijke tijd zijn.

Want ik heb hier op aarde niet zulke vrienden als jullie.

Voor jullie duurt het maar een paar dagen,

want bij een van de volgende prenten

hebben jullie bij ons weer een taak,

en wel in het jaar 2040.

Als dichter weet je dingen,

die voor anderen in eerste instantie verborgen zijn.”

 

En, flits, de kinderen, zijn weg van de Utrechtse toren.

Sommige mensen kijken verbaasd.

Stonden daar op die lege plek net geen drie kinderen?

En lag daar niet een prachtige oranje glazen steen bij de kinderen?

Die is ook weg!

 

Daan veegt even met zijn zakdoek over zijn ogen,

en gaat vervolgens dapper de trap af.

Hij gaat terug naar zijn stad Venlo

om mooie gedichten te gaan maken

met lekker lopende ritmes.

 

Hoofdstuk 8 Antimaterie

 

“Nu is lichtblauw aan de beurt”, zegt Kapi,

als ze de volgende morgen bij het oude boek staan.

“Wat apart, die prent is half leeg”, zegt Goean.

“Ik ben benieuwd, wat we hier gaan aantreffen.”

“Passen jullie wel op”, zegt Asteria

Ze kan er maar niet aan wennen,

dat de kinderen telkens op avontuur gaan.

En ze heeft weer sterke voorgevoelens.

“Ik voel dat hier iets heel engs gaande is”, zegt ze.

“Maak je geen zorgen”, zegt Pika.

“We zijn altijd nog teruggekomen”.

 

De kinderen komen terecht in een dorp,

waarvan ze maar de helft zien.

Een half dorp.

Dat is raar.

Aan de oostkant zien ze een grote zwarte leegte.

Een huis is maar half te zien.

Het onzichtbare deel van het huis

bevindt zich in de zwarte leegte.

“Wat ziet dat er gek uit”, zegt Kapi.

“Erg gevaarlijk en griezelig eigenlijk.

Asteria had gelijk.

We moeten voorzichtig zijn.”

De mensen in het dorp kijken bedrukt.

Ze begrijpen nog steeds niet

wat hen drie maanden geleden is overkomen.

Ze zijn in een soort shock.

 

In het dorp staan ook enkele touringcars.

Er staan groepen mensen met fototoestellen bij deze bussen.

Ook zijn er kraampjes, waar je eten kunt kopen.

De handelaren zijn vrolijk,

want er valt veel te verdienen met al die bezoekers.

“Het lijkt hier wel iets voor toeristen”,

zegt Goean.

Er staan overal grote borden met teksten

in allerlei talen.

Houd afstand van de zwarte energie.

Levensgevaar!!!

 

Ze zien, hoe een gids een groep mensen uit een touringcar

gaat toespreken.

“Zullen we mee gaan luisteren?”, zegt Pika.

“Wees eens stil!. Wat zegt die gids nou?”

 

“Beste mensen.

U bent hier getuige van een bijzonder fenomeen.

Drie maanden  geleden is het allemaal begonnen.

Zoiets is op de aarde nooit eerder voorgekomen.

De helft van dit mooie dorp verdween zo maar ineens.

Eerst wisten we niet wat de oorzaak was.

Inmiddels weten we,

dat het gigantische zwarte gat hier antimaterie is.

Zo’n zwart gat slokt alles op, wat het tegenkomt.

Mensen, dieren, voorwerpen, licht,

niets is veilig voor de antimaterie.

Ziet u dat?”

Ze zien hoe een vogel, die zich van geen gevaar bewust is,

de zwarte leegte invliegt.

Even later is hij geheel in het zwarte niets verdwenen.

“Die zien we nooit meer terug”, zegt de gids jolig.

“Hoe is dit allemaal gebeurd?”, vraagt een van de toeristen.

”Ik zal het u vertellen.

In het huis waar u nog maar de helft van ziet,

woonde ingenieur Telema.

De goede man voelde zich erg betrokken bij onze aarde.

Zoals u weet, hebben we nu in 2025 grote problemen

met de energiebronnen.

De geleerden zoeken zich suf naar nieuwe energievormen.

Wel nu, ingenieur Telema was op het idee gekomen

met een nieuw soort antenne energie uit het heelal op te vangen.

Eigenlijk was het een goed idee.

Iedereen had er grote verwachtingen van.

Hij was beslist een energievorm op het spoor,

die tot dan toe onbekend was,

en die veelbelovend leek.

Onze ingenieur deed het ene experiment na het andere.

Helaas is er toch iets misgegaan.

De geleerden vermoeden, dat hij via zijn antenne

contact heeft gemaakt met een zwart gat in de ruimte.

Maar zelfs als een zwart gat heel klein is,

en zich op grote afstand van de aarde bevindt,

dan kan het toch gevaarlijk zijn voor onze eigen materie.

Een sterk zwart gat van slechts een millimeter

heeft al de potentie

om een planeet op te slokken.

Dus als iemand van grote afstand met een antenne

contact krijgt met een zwart gat,

dan is dat ook linke soep.”

“Apart”, zegt Goean.

“Nu gebruik je weer het woord ‘apart’ op het verkeerde moment, Goean”,

zegt Pika verontwaardigd.

“Besef je niet, dat hier mensen en huizen verdwenen zijn.

Dat is erg, dat is een ramp.

Niet iets om op te kicken.

Er zijn al genoeg mensen,

die hier alleen maar komen voor de sensatie.”

“Ik zal in het vervolg wel ‘merkwaardig’ zeggen”,

zucht Goean.

“Je doet wel overgevoelig.”

De gids gaat verder:

“Mevrouw Telema is in het halve huis blijven wonen.

Ze is ervan overtuigd, dat haar man in de buurt is,

daar in de duisternis.

Eigenlijk is het heel gevaarlijk wat ze doet.”

“Nou ik vind het dapper”, zegt Pika.

“Je moet nooit de moed opgeven.

We gaan haar opzoeken.”

“Dat moet je echt niet doen”, zegt de gids.

“Ben je wel goed bij je hoofd?

Wil je je ouders voor altijd ongelukkig maken

door in het zwarte niets te verdwijnen?”

“Dat gebeurt heus niet”, zegt Pika.

Ik kan het licht vasthouden in de duisternis.

Dat heb ik in de Andes ontdekt.

En ik heb een idee.

Misschien kan ik zo in die donkere leegte

de antenne van mijnheer Telema wel zien.

Ik hoef hem maar iets anders te richten,

en alles is weer bij het oude.”

“Dit vind ik heel griezelig”, zegt Kapi.

“Zo’n zwart gat is wel iets anders

dan een demon in de Andes.

Je kunt het beter niet doen.”

“Wilde je dan die mensen laten stikken, Kapi?

Hup, we gaan naar mevrouw Telema.”

 

Het gezicht van mevrouw Telema ziet bleek van de zorgen.

Haar ogen staan moe.

En haar stem klinkt nogal mat door alle verdriet.

Toch zegt ze resoluut.

“Meisje, ik vind het een bedenkelijke zaak,

wat je wil gaan doen.

Ik hou erg veel van mijn man,

maar als jou iets overkomt,

zal ik dat eeuwig betreuren, kind.

Hoe kan ik zoiets tegenover je ouders verantwoorden?”

“Waar was die werkkamer, mevrouw?”,

vraagt Pika echter kordaat.

Ze is niet tegen te houden.

“Daar achter bij de keuken, rechts.”

Kapi en Goean staan erbij te zweten

van de zenuwen.

Dit avontuur gaat hun eigenlijk boven hun pet.

Maar Pika staat al vlak bij de zwarte muur van leegte.

Mevrouw Telema schudt verslagen haar hoofd

over zoveel eigengereidheid bij Pika.

“Komen jullie mijn arm eens vasthouden Kapi en Goean.

Om mij tegen te houden, als de zwarte leegte mij

helemaal naar binnen wil trekken.”

 

Boven het deel van het dorp dat er nog is,

cirkelt een helikopter.

Die is van de politie.

Er is een melding binnengekomen,

dat 3 kinderen gevaar lopen bij de antimaterie.

De gids heeft namelijk 112 gebeld.

De kinderen horen de politie door de luidspreker van helikopter

tegen hen praten.

“Hier spreekt de politie.

Kom onmiddellijk naar buiten.

Jullie lopen gevaar.

Mevrouw Telema, overtuig alsjeblieft de kinderen

om naar buiten te komen.”

 

“Wat een bangeriken!”, zegt Pika.

“Hup jongens, kom hierheen!”, roept ze.

“Ze is intussen net zo eigenwijs geworden

als vroeger Oma Knot”, zegt Kapi.

“We zullen maar doen wat ze zegt.

Bij oma Knot liepen de avonturen ook altijd goed af.”

Pika richt haar blik op het punt tussen haar wenkbrauwen.

Zo sluit ze zich aan op het sterke licht,

dat de duisternis aankan.

De jongens houden haar aan één arm vast.

“Zie je al wat met je licht?”, vraagt Goean.

“Ik geloof het wel.

Ik heb hier iets te pakken.”

Van Pika is nog maar de helft zichtbaar.

De andere helft is in de zwarte materie onzichtbaar geworden.

De jongens moeten alle kracht bijzetten om haar vast te blijven houden.

“Uw man is hier nog”, horen ze Pika zeggen.

Haar stem klinkt nu hol en leeg.

“Dan moet daar ook de antenne zijn”, zegt mevrouw Telema.

“Ik zie hem al”, zegt Pika.

“Ik draai hem gewoon in een andere richting.

Dat moet genoeg zijn. Nou, dat gaat niet.”

En dan begint haar stem vreemd te piepen.

Ze horen even niets, en ze voelen,

hoe er nog harder aan Pika wordt getrokken.

Wat is die zwarte energie sterk.

Even lijkt het, of Pika kilometers wordt uitgerekt.

Dan horen ze haar weer.

“Trek eens hard aan mij jongens.

Trek mij het huis binnen, ik heb de antenne vast.”

Het is een enorm karwei.

De jongens geven het uiterste van hun krachten.

Even later ligt Pika binnen met de antenne in haar hand.

Langzaam zien ze de zwarte leegte lichter worden.

Ze zien, hoe mijnheer Telema op zijn stoel steeds zichtbaarder wordt.

Hij begint zelfs wat te bewegen.

“Tjonge wat heb ik geslapen”, zegt hij.

“Ik was helemaal weg.”

“Zeg dat wel, man”, beaamt zijn vrouw.

“Kom hier.” Ze geeft hem een dikke zoen.

Na een half uur is de verdwenen helft van het dorp

weer helemaal in de oorspronkelijke staat.

De mensen, die verdwenen waren in de antimaterie,

hebben geen besef dat ze drie maanden lang

van het leven uitgesloten zijn geweest.

Ze verbazen zich over de toeristische voorzieningen van het dorp.

De lucht is vol van teruggekeerde vogels.

 

De gids is niet honderd procent blij.

Hij is teleurgesteld.

Het spektakel is voorbij.

Hij kan nu wel een nieuwe baan gaan zoeken.

Kapi zit wat te spelen met de antenne,

waar alles mee begonnen is.

Mevrouw Telema kijkt bezorgd toe.

Ze vertrouwt het niet meer met die antenne.

Dan horen ze plotseling een schitterend lied.

Iedereen knapt ervan op.

“Het is het lied van de Zwaansies”, zegt Goean.

“We hebben contact met hun planeet.

Supergaaf, zeg.

Dit is echt een antenne voor het heelal.

Knap werk mijnheer Telema.

je moet alleen goed richten.”

Iedereen moet erg lachen.

“Geef mij die antenne maar, Kapi”, zegt mevrouw Telema.

“Voor we weer contact krijgen met zo’n zwart gat.

Ik berg hem meteen op.”

Dit lijkt iedereen ook wel verstandiger,

al hadden ze graag nog verder geluisterd naar de Zwaansies.

“Dit is voor jullie als dank”, zegt mijnheer Telema.

De kinderen krijgen een prachtige grote glazen steen.

Deze is lichtblauw.

“Wat zou de bedoeling precies zijn van die mooie stenen?”,

vraagt Kapi zich hardop af.

 

 

Hoofdstuk 9  De genezende geuren van Atlantis

 

De glasstenen zijn allemaal even groot.

Het lijken wel kleine blokken,

die je op elkaar kunt stapelen.

"Het is net een soort lego”, zegt Joep verbaasd.

"Ze passen precies in elkaar.

Je kunt er huizen van maken en grote glazen gebouwen,

of glaskathedralen.

Wat zal het licht toverachtig mooi zijn in zulke bouwsels!"

"We hebben nu vijf kleuren gehad”, zegt Goean zakelijk.

Hij verlangt naar een nieuw avontuur.

"De volgende kleur in de regenboog is indigo", zegt Asteria.

“Indigo is een diepe, donkere blauwe kleur,

de kleur van de diepe zee."

Ze laat zich helemaal meeslepen

door het enthousiasme van de kinderen.

Van haar aanvankelijke aarzelingen is weinig meer over.

"Laat eens zien wat er op prent zes staat”,

mengt Kapi zich in het gesprek.

Ze slaan het boek open.

En ze zien op prent zes een triest tafereel

van enkele zieke en halfnaakte mensen, die om hulp smeken.

In het midden van hen staat een man van middelbare leeftijd.

Het is alsof ze die man ergens van kennen.

In de verte zien ze het silhouet van een stad.

Ze zien de huizen , de torens en een brug met vier beelden.

"Kijk eens goed naar die man in het midden”, zegt Kapi.

"Hebben we die man niet eerder ontmoet?"

Met zijn allen turen ze naar de prent.

Plotseling roept Pika opgewonden:

"Wat zijn we toch sufferds.

Die stad is Venlo, en die man in het midden is Daan, de stadsdichter.

Hij kon met zijn zachte fluwelen stem zulke mooie verzen voordragen.

De brug die jullie zien, is de brug met de vier wachters van Tajiri.

Wat zou er toch in Venlo gebeurd zijn,

dat ze allemaal zo treurig kijken?"

"Ze hebben de genezende geuren van Atlantis nodig", zegt Asteria mysterieus.

Hoe Asteria aan die wijsheid komt, weet niemand.

Maar de ervaring heeft uitgewezen

dat je zulke uitspraken van Asteria heel serieus moet nemen.

"We gaan naar Venlo", zegt Goean zelfverzekerd.

Hij neemt de leiding als vanzelf weer op zich.

Voordat Joep en Asteria het beseffen,

zijn de kinderen het boek al weer ingedoken.

Beiden blijven verbaasd staan.

Behalve hen is er niemand meer in de kamer.

"Wat gaat dat bij die kinderen snel”, zegt Joep.

"Ze staan bij je, je praat met hen,

en floep, ze zitten ergens anders.

Hoe kan dat steeds zo gaan?"

"Het is een wonderlijke wereld,

waarin de kinderen leven", zegt Asteria.

 

Goean, Kapi en Pika landen precies voor de neus van Daan.

Midden tussen de zieke en halfnaakte mensen,

die ze op de prent zagen.

Maar wat is het is het warm!

De zon staat hoog aan de hemel en brandt op hun huid.

"We zijn de zonnebrandolie vergeten!", merkt Pika op.

Wie had die hitte ook in Venlo verwacht?

En het stinkt overal in de stad; heel anders

dan de vorige keer dat zij in Venlo waren.

Venlo was toen een frisse en heerlijke stad, waar het goed toeven was.

Daan knippert met zijn ogen,

als hij zijn vrienden ineens weer voor zich ziet staan.

Wat heeft hij hen al die jaren gemist.

Hij kan wel huilen van blijdschap, maar zijn tranen zijn op.

Hij heeft te veel ellende gezien en meegemaakt.

Zijn gevoelige geest is helemaal uitgeput.

Soms maakt hij nog wel eens een gedicht.

Het is altijd een droevig gedicht met veel heimwee naar de tijd van voorheen.

Dan begint hij te spreken, en de kinderen herkennen ogenblikkelijk zijn stem.

"Mijn verontschuldigingen, lieve kinderen,

dat ik jullie in zulke droevige omstandigheden moet ontvangen.

De aarde is door verschrikkelijk rampen getroffen

in de jaren, dat we elkaar niet meer hebben gezien.

Ook Venlo heeft daar daaronder moeten lijden,

zoals elke stad en elk dorp op de aarde.

We leven nu in het jaar 2040.

Ik zal jullie uitleggen, wat er allemaal is gebeurd.

Elk jaar is de aarde warmer geworden.

In het begin was dat nog niet zo erg.

De Venlonaren genoten van het goede weer.

De terrassen is de stad waren vaak vol.

Maar lang heeft dat niet geduurd.

Overal op aarde deden zich rampen voor.

Het ijs van de polen smolt,

en de zeespiegel werd steeds hoger.

Er kwamen stormen, orkanen en nog erger.

In sommige landen kwamen er grote overstromingen.

En in andere landen hield het op met regenen en droogde de grond uit.

Er kwam voedselgebrek en oorlog.

In Nederland werden de dijken driemaal verhoogd,

en nog was dat niet genoeg.

Sommige polders moesten aan de zee teruggegeven worden.

En kijk naar Moeder Maas, de rivier die langs Venlo stroomt.

Die is breed en wild geworden.

Aan de andere kant van de Maas bij Blerick is een straat in het water verdwenen.

En daar, aan deze kant van de rivier,

staat een huis met zijn voeten in het water.

Hoe lang zal dat huis daar nog staan?

En waar moeten de bewoners dan blijven?

Er worden nieuwe huizen gebouwd op de oostelijke heuvelrug,

maar die huizen zijn duur en voor veel mensen onbetaalbaar.

Met die huizenbouw zijn er overigens ook veel problemen.

Het is te warm en te benauwd om de hele dag te kunnen werken.

De bouwvakkers kunnen alleen maar in de vroege ochtend

of in de late avond aan de slag.

Tijdens het middaguur ligt alles stil.

Iedereen trekt zich in zijn huis terug,

omdat het lichaam die vreselijke broeierige hitte niet kan verwerken.

De dokters hebben officieel daarvoor gewaarschuwd.

Maar eigenlijk hoefde dat niet, want iedereen bleef uit zichzelf al thuis.

De mensen kunnen amper hun kleren verdragen.

Er is ook een epidemie gaande, en niemand weet wat de oorzaak daarvan is.

De dokters staan voor een raadsel.

Het meest vreemde is, dat de mensen koortsachtig beginnen te zweten.

En het afgescheiden zweet is blauw.

De epidemie heeft een grote omvang genomen.

De straten en de trottoirs kleuren blauw van dat menselijke zweet,

dat erop gedrupt is.

En overal stinkt het.

De geur die van het zweet afkomt, is niet te harden."

De kinderen zijn stil van het verhaal, dat Daan vertelt.

Het is allemaal veel erger dan ze ooit hadden kunnen bedenken.

Wat kunnen zij in deze wereld van ellende doen?

Pika denkt een klein moment aan Oma,

die altijd wel een oplossing wist.

Zij liet nooit de moed liet zakken.

In Kapi's hoofd is het stil.

Hij weet niet wat hij moet denken.

En Goean? Die denkt aan zijn moeder Asteria,

die zo vaak gewaarschuwd heeft voor al die vreemde avonturen.

Nu Daan uitgesproken is,

dringt het pas tot hen door, dat het overal stil is.

Nergens is er het geluid van een auto of een trein.

Ook de vogels zingen niet.

Daan kijkt naar de kinderen.

Als hij ziet, hoe bedremmeld ze erbij staan,

heeft hij spijt van zijn woorden.

"Wat kunnen die kinderen hier nog doen?" denkt hij.

En terwijl hij dat denkt, lichten zijn ogen op.

"Vrienden van me, ik ben heel blij met jullie komst.

Jullie komst betekent ongetwijfeld,

dat het einde van de ellende nu gauw voorbij is.

Er komt een nieuwe tijd.

Jullie gaan ons helpen.

Jullie hebben toch wel die glazen ring bij jullie?

Die glazen ring hebben we nodig.

We gaan naar Atlantis, ver terug in de tijd.

Ik was het vergeten, maar nu ik jullie zie en aan de glazen ring denk,

herinner ik me dat ze op Atlantis koelkristallen hadden.

Ik heb die koelkristallen toen gezien, en de kracht daarvan ervaren.

De aarde heeft koelkristallen nodig."

Als Daan deze woorden zegt, horen ze in de verte een vogel fluiten.

Het is alsof de vogel de woorden van Daan herhaalt,

en doorgeeft aan de andere vogels.

En ook aan de spin, die op dit moment uit het zand te voorschijn komt

en naar de kinderen opkijkt.

Alsof de spin wil zeggen: "Waar wachten jullie op?"

En ook de zieke en halfnaakte mensen rondom Daan

beginnen te knikken en tegen elkaar te smoezen.

Een van hen zegt: "Een vogel op dit uur van de dag en een spin,

die uit het zand kruipt, dat duidt op een wonder.

Het is alsof de oplossing van alle problemen nu al begonnen is."

Enkele kinderen roepen: "Hoera, Hoera!"

Goean zegt: "Over Atlantis had mijn moeder het ook al.

Ze sprak over genezende geuren.

En dat mag ook wel met al die stank hier.

Ik weet niet wat die genezende geuren te maken hebben met de koelkristallen.

Maar ik durf er mijn hele spaarpot bijna op te verwedden,

dat er een verband bestaat."

Pika zegt geschrokken: "Goean, je moet niet zo'n bravourehouding aannemen.

Dat heeft je moeder je vast niet geleerd!"

"Sorry”, haast Goean zich te zeggen.

"Zo heb ik het niet bedoeld."

Daan neemt het woord.

"Wat Goean zegt, is nog niet zo gek.

In Atlantis stond de geneeskunst op een zeer hoog peil.

Ze kenden therapieën, die bij ons nog steeds onbekend zijn.

Een van die therapieën was de geurengeneeskunde.

De Atlantiërs snoven dan een door doktoren voorgeschreven aroma op.

Dat aroma reinigde hun lichaam en geest naar gelang hun ziekte.

In de winkels kon je ook meer algemeen helende aroma's kopen,

die niet door een arts hoefden te worden voorgeschreven.

Deze aroma's waren goed voor iedereen.

Maar voor een bijzondere ziekte moest je toch echt naar de dokter.

En natuurlijk hebben die aroma's krachten in zich,

die verwant zijn aan de krachten van de koelkristallen.

Als we naar Atlantis gaan, lijkt het me verstandig om flessen mee te nemen.

We vragen de Atlantiërs deze met sterk geconcentreerde geuren te vullen,

die ons later bij de bestrijding van het blauwe zweet kunnen helpen.

Misschien moeten we ook een monster van het blauwe zweet meenemen.

Dan kunnen ze nagaan welk aroma wij nodig hebben."

"Daan, wat weet jij veel”, zegt Pika bewonderend.

Maar Kapi wordt helemaal bleek in zijn gezicht en roept:

"Een monster? Moet dat echt?"

Hij ziet al een boeman van blauw zweet in hun gezelschap reizen.

"Het woord monster betekent ook 'een kleine hoeveelheid' “,

legt Daan uit.

"Je hoeft dus niet bang te zijn.

Een klein flesje met enkele druppels blauw zweet is voldoende."

"Gelukkig!" zegt Kapi opgelucht.

 

Met de glazen ring reizen ze in enkele minuten duizenden jaren terug

naar het eilandenrijk van Atlantis.

Ze komen er aan op een mooi plein in het centrum van een stad.

Ze kijken hun ogen uit.

Alle gebouwen lijken heel licht gebouwd te zijn

En ze hebben een zachte blauwgroene aanschijn .  

Er zijn gebouwen die aan de Griekse tempels doen denken

en piramides van glas.

Glazen voertuigen zweven een halve meter boven de grond

zonder hinderlijk lawaai te maken.

Ze zijn vol met mensen.

Dat zijn Atlantiërs, die vanuit het ene stadsdeel naar het andere reizen.

Het is er druk op het plein.

De Atlantiërs maken een vrolijke en zorgeloze indruk.

"Het vervoerssysteem is gebaseerd op Atlantisenergie", zegt Daan.

Hij voelt zich ineens enigszins verantwoordelijk voor het gezelschap,

omdat hij de oudste is en het meeste weet.

"Ik heb nog nooit zo'n stad gezien”, zegt Pika.

"Op school vertellen ze ook heel weinig over Atlantis."

"Wel over de Atlantische Oceaan”, zegt Kapi.

Daan knikt. "Goed zo, Kapi.

De Atlantische Oceaan is genoemd naar Atlantis, waar jullie nu zijn.

Dit rijk zal in de toekomst ondergaan en verdwijnen.

Dat weten de Atlantiërs, die wij nu zien, niet.

Zij kennen hun toekomst niet.

Wij komen uit een andere tijd

en wij kennen de treurige geschiedenis van hun ondergang."

"Waarom waarschuwen we hen niet?" vraagt Pika.

Daan kijkt somber.

"Ze zijn wel gewaarschuwd.

Profeten hebben hen op hun fouten gewezen,

maar zij hebben niet geluisterd.

Ze hebben misbruik gemaakt van de krachtige energie

van de koelkristallen.

Misbruik wordt altijd gestraft,

waar je ook bent, en in welke tijd je ook leeft.

Bij misbruik gaat het op een gegeven moment altijd fout.

En dan is het te laat."

Goean heeft nog niets gezegd, zo lang ze in Atlantis zijn.

Zijn gedachten zijn nog in Venlo

en hij voelt nog de warme, benauwde lucht die daar hangt.

Brrr! Hoe verschrikkelijk is die benauwde warmte voor de Venlonaren?

Hij denkt na over, hoe ze hun taak kunnen vervullen.

De aarde heeft koelkristallen nodig, heeft Daan gezegd.

Maar hoe komen zij aan koelkristallen?

En aan de Atlantisgeuren, waar zijn moeder over sprak.

Het is hier in Atlantis aangenaam koel

en er hangt een prettige, aangename geur.

Zou er in Atlantis een universiteit zijn,

met professoren, die kennis hebben van de geheimen die hier bestaan?

Hij zal het Daan eens vragen, die weet zo veel.

"Daan, ken jij misschien iemand, een professor of zo,

die alles weet van koelkristallen en Atlantisgeuren?

Venlo wacht op ons."

Daan zwaait met zijn hand.

"Kijk eens wie daar aan komt lopen!

Is dat niet professor Kwispel?”

Daan spreekt de man aan.

“Wat een toeval dat ik u hier zie.

Kent u me nog?"

Professor Kwispel kijkt wat verdwaasd om zich heen.

Hij is het niet gewend, dat mensen hem zomaar op het plein aanspreken

Hij zit liever in zijn laboratorium

om de geheimen van Atlantis verder te onderzoeken.

Hij kijkt Daan aan, en ziet de kinderen.

"Eh eh”, mompelt hij.

"Ik geloof dat ik u eerder gezien heb,

waar was dat ook al weer?

Toch niet op mijn instituut? Of toch wel?"

"Vier jaar geleden, Atlantistijd, was ik bij u op uw instituut.

Ik was de vreemde tijdreiziger.

U wilde mij ontmoeten om het reizen in de tijd te bestuderen.

U zei dat tijdreizen voor u een groot raadsel was."

"Ja ja, nu herinner ik het mij weer.

U bent de vreemde tijdreiziger!

Het is vier jaar geleden, maar u lijkt wel dertig jaar ouder geworden.

Wat hebt u toch gedaan?"

"Professor Kwispel, ik kan heel wat vertellen over tijdreizen

en werelden met een andere tijd dan Atlantis.

Niet al die werelden hebben zo veel kennis van de wetenschap zoals in Atlantis.

Er zijn grote rampen gaande.

De kennis die hier in Atlantis bestaat,

zou de mensen daar kunnen helpen de problemen op te lossen.

U mag wel weten, dat dit de reden van onze komst hier is.

Ik zal u de kinderen voorstellen.

Dit is Goean.

Die vroeg mij zojuist al of ik een professor kende,

die de wereld daarginds zou kunnen helpen.

En dit is Pika en dat is Kapi.

Ze lijken als twee druppels water op elkaar,

maar ze zijn geen zus en broer van elkaar,

hoewel ze wel altijd in elkaars gezelschap te vinden zijn."

Professor Kwispel luistert maar half.

Want hij is met zijn gedachten nog bij de meer dan dertig jaar ouder geworden Daan.

"Daan, waarom kom je niet met me mee?

Ik heb nog wel een geurtje, dat je weer achttien kan maken.

Je hoeft slechts even te snuiven

en binnen een half uur ben je weer jong en fris."

Daan schudt nee.

"Professor Kwispel, het is heel vriendelijk van u dat u dit mij aanbiedt,

maar ik ben toch voor een heel andere reden hier gekomen.

Ik voel me trouwens prima in mijn ouder geworden lichaam.

Een ouder geworden lichaam heeft ook zijn charme.

Het is niet goed om je lichaam steeds te laten vertimmeren

en te vergeuren om weer jong te zijn.

Je mist dan het geluk van het ouder wordende lichaam."

"U bent wel wijs geworden”, zegt professor Kwispel bewonderend.

"Dachten maar meer mensen zoals u,

dan zou die hele verjongingsmanie niet bestaan."

Professor Kwispel doet een stapje opzij

en ineens is het duidelijk, waarom de professor zo heet.

Zijn professorale kleed wipt wat omhoog,

en het is net of zijn bil kwispelt als een staart van een hond.

Pika denkt: "Als je hem zo ziet is het een heel lieve man.

Hij gaat ons zeker helpen."

"Dus dit is Pika, " en de professor geeft Pika een hand

"En jij moet dan Kapi zijn."

Hij krijgt ook een hand van de professor.

"En tenslotte hebben we dan Goean.

Ja, jij bent de denker.

Jij dacht al, ik heb een professor nodig om problemen op te lossen.

Van zulke mensen houd ik.

Mijn naam is professor Kwispel,

hoogleraar en buitengewoon deskundige op het gebied van de Atlantisgeheimen."

Goean glundert met zijn hele gezicht

wanneer de professor als teken van kameraadschap flink zijn hand drukt.

Daan neemt opnieuw het woord.

"Pika, Kapi en Goean komen uit de wereld van Larilo,

en ik kom uit Venlo, een stadje aan de rivier de Maas in Nederland.

Nederland ligt van hieruit aan de andere kant van het water,

maar wel in een heel andere tijd dan de Atlantistijd.

"Mag ik vragen: Welke tijd is het daar?"

"Het is daar 2040 na Christus."

"Wij weten hier niets van Christus.

Ik denk dat Christus later in de tijd is gekomen.

Nederland moet dus in de toekomst liggen.

Heb ik gelijk of niet?"

"U hebt groot gelijk, professor”, zegt Goean,

die nog steeds glundert, omdat de professor hem zo hartelijk heeft begroet.

Hij gaat verder: "In de stad van Daan is het nu loeiheet.

Iedereen zweet zich een ongeluk,en de kleur van het zweet is vies blauw.

Niemand weet hoe dat komt."

"Ik ken die ziekte. Die ziekte heet indigoïtis”, zegt de professor.

"Wij hebben die vroeger ook gehad.

Als je niet weet wat je moet doen, is het een ernstige ziekte,

waaraan je dood kunt gaan.

Bijna de helft van de bevolking is er indertijd aan bezweken.

Wij dachten dat de ziekte geheel verdwenen zou zijn,

want wij hebben de ziekte kunnen bedwingen.

Ik vind het vreemd, dat ze weer teruggekomen is."

"Hoe hebben jullie de zieke mensen kunnen genezen?" vraagt Pika.

"Een goede vraag, meisje”, complimenteert de professor haar.

"We hebben indertijd een genezende geur kunnen fabriceren.

In ons archief zullen nog wel voorraden zijn.

Misschien kunnen jullie daarvan wel wat meenemen.

Gezondheid is een heel hoog goed in deze wereld."

"Professor, waarom gaat u niet mee”, vraagt Kapi enthousiast.

"U kunt dan met eigen ogen zien, hoe de mensen in Venlo onder de ziekte lijden.

En als ze dan de genezende geur opsnuiven, ziet u ze weer beter worden.

De mensen zullen heel blij zijn.

Misschien krijgt u wel een lintje van de burgemeester."

"Nee jongeman, ik ben hier nodig."

Goean mengt zich in het gesprek.

"Er is op aarde nog een probleem.

Het is er te warm.

De aarde heeft koelkristallen nodig.

De politieke leiders hebben grote fouten gemaakt

en de zaak is vreselijk uit de hand gelopen.

Het klimaat is grondig verknald.

De vraag is of het ooit goed komt met de aarde

als we geen koelkristallen krijgen."

De professor kijkt ineens wat bedremmeld.

"Genezende geuren kunnen jullie krijgen,

maar koelkristallen is toch wel heel wat anders.

Ik kan daar trouwens helemaal niet over beslissen.

De regering gaat daarover.

En er zijn wetten en richtlijnen, die allemaal in acht moeten worden genomen.

Maar ik kan jullie verzoek om koelkristallen

voor de toekomstige aarde beschikbaar te stellen,

wel ondersteunen.

Ik ga met jullie mee, en dan we gaan samen naar de grote vorst.

Zo noemen we hier het hoofd van de regering."

Daan, Goean, Pika en Kapi kijken elkaar vergenoegd aan.

Wat hebben ze een geluk,

dat ze toevallig professor Kwispel op dit plein zijn tegengekomen.

Aan zo'n man heb je wat!

Ze mogen met zijn allen ook in het glazen voertuig van de professor.

Kapi roept bewonderend uit: "Wat is dit keigaaf."

"Ja, supercool”, bevestigt Goean.

Voordat ze het beseffen, zweeft het hele gezelschap door de stad met zijn merkwaardige gebouwen en bijzondere kleuren.

En plotseling staan ze voor het paleis van de Grote Vorst.

 

"Wij stellen het zeer op prijs om de toekomstige mens te helpen”,

zegt de Grote Vorst plechtig.

Daan slaak een zucht van verlichting.

De manier waarop professor Kwispel had gesproken,

had hem wat bang gemaakt.

Stel je voor dat de toekomstige aarde geen koelkristallen zou krijgen.

"Wij geven jullie dozen met koelkristallen mee”, zegt de Grote Vorst.

"Vijftig porties koelkristallen zijn voldoende om het klimaat op aarde te stabiliseren.

Per jaar mogen er zes koelkristallen gebruikt worden.

Voor elk werelddeel een.

Als jullie je aan dit voorschrift houden, kan er niets misgaan."

Nu worden er rekensommen gemaakt.

Vijftig keer zes is driehonderd.

Er gaan in een doos zestig koelkristallen.

Driehonderd gedeeld door zestig is 5.

Er zijn dus vijf dozen nodig om 300 koelkristallen te vervoeren.

"Ik heb er alle vertrouwen in ,

dat de vorst van uw stad de koelkristallen op een zorgvuldige manier zal bewaren”,

zegt de Grote Vorst.

"Zo is mijn besluit, en daar zult gij het mee moeten doen."

De Grote Vorst wil de zaal verlaten, maar Pika springt naar voren en roept:

"Ik wil u namens de mensen van Venlo heel erg bedanken.

En wat u zegt over het bewaren: de vorst van Venlo is een heel goede man.

Ze noemen hem de burgemeester van de stad.

Hij heeft ook heel veel steun van zijn wethouders.

Ik denk dat het bij hen in goede handen is."

"De burgemeester, wat is dat voor een mooi woord.

De burgemeester is de meester van de burgers.

Ik vind dat heel chique gezegd."

De Grote Vorst kijkt Pika aan, en hij mag dit pittige meisje wel.

"Doe die burgemeester maar de groeten van mij.

Ik moet nu weg, want er zijn veel zaken om af te handelen.

Maar ik heb nog wel een klein vraagje.

Als jullie uit de toekomst komen,

dan weten jullie ook hoe de toekomst van Atlantis zal zijn."

De kinderen schrikken.

Ze weten er niet alles van,

maar wat Daan heeft gezegd over de ondergang van Atlantis,

hebben ze goed onthouden.

Gelukkig springt Daan naar voren

en zegt bijna net zo plechtig als de Grote Vorst spreekt:

"Geachte Vorst, helaas moet ik u teleurstellen.

Er zijn weinig bronnen over de geschiedenis van Atlantis.

De tijd waarin Venlo leeft,

is zo ver verwijderd van de tijd waarin u leeft,

dat bijna alles verloren is gegaan.

Maar de naam Atlantis wordt nog wel gekend."

"Onze naam is dus niet verloren gegaan”, stelt de Grote Vorst tevreden vast,

en hij verlaat de zaal.

Professor Kwispel, die door zijn contacten het hele onderhoud geregeld heeft,

is ook blij.

"Gefeliciteerd, vrienden, met dit mooie resultaat.

Ja jullie horen het goed. Ik noem jullie vrienden.

Omdat wij vrienden van elkaar moeten zijn, ook al leven we in verschillende landen,

en in verschillende tijden.

Als we elkaar kunnen helpen, moeten we dat doen.”

 

Als Daan op de terugweg naar de aarde

weer met de kinderen alleen is, zegt hij:

"Ik kon de Grote Vorst niet vertellen

over hoe eens het water van de oceaan Atlantis zal verzwelgen.

Dat kun je zo'n man niet aandoen.

Hij kan er niets aan doen om dat te verhinderen.

Hij zou er alleen maar verdriet over hebben.

Hij is een grootmoedig man.

Na hem komen de mensen, die alles in de soep laten lopen.

Iedereen heeft zijn plaats in de geschiedenis

en is verantwoordelijk voor wat hij dan doet.

Aan wat er voor of na hem gebeurt,

kan hij niets doen."

"Of zij”, zegt Pika. "Dit geldt toch niet alleen voor mannen?"

Ze reizen met de glazen ring.

En dan staan ze in een wip op het vertrouwde stadsplein in Venlo.

 

Het plein is vol met zieke mensen.

Ze willen dat burgemeester Eppo iets doet om het leed te verhelpen,

maar wat moet burgemeester Eppo doen?

Burgemeester Eppo weet het niet

en hij kijkt radeloos vanaf het stadhuisportaal naar de menigte voor zich.

Hij heeft zijn wethouders bij zich, maar ook die weten het niet

en ze kijken somber voor zich heen.

Plotseling ziet burgemeester Eppo de stadsdichter Daan en drie gezonde kinderen aan komen lopen.

Daan, Goean, Pika en Kapi moeten meteen in het stadhuis komen.

En daar vertellen ze over hun reis naar Atlantis.

Burgemeester Eppo is ogenblikkelijk overtuigd.

Dat kan ook niet anders,

want hij heeft in de archieven van burgemeester Hubert alles gelezen

over de verhalen rond de wachters van de brug.

Daan kent hij natuurlijk, maar nu ziet hij ook de kinderen uit Larilo.

Het is voor hem wel een beetje verwarrend,

want Daan is nu al in de vijftig en de kinderen zijn niet veel ouder dan toen.

"We beginnen vandaag al met een koelkristal in werking te zetten.

Eerst voor Europa en daarna ook voor de andere werelddelen,

precies zoals het is voorgeschreven."

Burgemeester Eppo is een doortastend man.

Op het bordes van het stadhuis wordt een enorme schaal neergezet.

Plechtig legt de burgemeester met een zilveren pincet het koelkristal op de schaal.

Onmiddellijk verdampt het ijskristal,

en tegelijkertijd verspreidt zich een heerlijke koelte vanuit Venlo over heel Europa.

In een mum reikt de koelte van Spanje en Portugal tot aan Finland en Rusland.

Overal vallen de mensen elkaar snikkend in de armen.

Eindelijk is er een aangename temperatuur.

De warmtestress kunnen ze loslaten,

en ze kunnen zuivere koele lucht inademen.

De aarde wordt als het ware opnieuw geboren.

Maar er moet nog meer gebeuren.

Daan en de kinderen hebben ook de genezende geuren uit Atlantis meegenomen.

Burgemeester Eppo verzoekt Daan om de flessen met de genezende geuren

aan de directeur van het ziekenhuis te overhandigen.

De directeur is blij met deze nieuwe therapie.

Hij gelooft, dat deze zeker zal werken.

Hij haalt de stop van de fles.

Het hele plein wordt vervuld met een bijzondere geur.

"Wat is dat een geconcentreerde geur”, roept de ziekenhuisdirecteur verbaasd.

"Het is nog maar een halve seconde geleden, dat ik de stop van de fles haalde,

en nu ruikt de hele stad er al naar.

Hoe bestaat het!"

Ze zien dat de mensen op het plein, die zich zo ziek en ellendig voelden,

zich uitrekken en heen en weer beginnen te lopen.

Ineens voelen ze zich een stuk beter.

De burgemeester ziet vanaf het bordes wat er allemaal in zijn stad gebeurt.

En hij roept vergenoegd: "Onze stad staat nu definitief op de kaart.

Uit Venlo komt leven en geluk."

Hij kijkt vervolgens naar Daan en zijn vrienden.

"We kunnen jullie ereburgers van de stad maken”, zegt hij.

Daan zegt beleefd: "Kapi en Pika zijn al ereburger van de stad Venlo.

Ze hebben in 2007 met oma Knot en Joep de glazen koffer naar de stad gebracht.

Goean kunt u wel ereburger maken."

Burgemeester Eppo houdt niet van foutjes maken

en kijkt nog eens goed naar de beide kinderen.

Hij begint te blozen en zegt:

"Wat ben ik verstrooid.

Ik besef nu ineens pas echt, dat jullie het zijn,

die op de oude grote foto staan, in onze raadszaal.

Maar jullie zijn ook helemaal niet veranderd.

Dat heeft mij kennelijk in verwarring gebracht

Hoe kan dat toch? We leven nu 33  jaar later.

Larilo moet toch wel een fantastisch dorp zijn."

Kortom, dit is de meest verwarrende toespraak,

die burgemeester Eppo ooit gehouden heeft.

De burgemeester herstelt zich:

"Wij maken Goean tot ereburger van Venlo."

De mensen op het stadsplein klappen zo hard,

als ze maar kunnen voor de nieuwe ereburger.

"Mag ik wat vragen, lieve burgemeester?" vraagt Pika.

"Kunnen jullie dat lied van de sterren, die stralen, eens voor ons zingen?

We hebben het vorige keer hier in deze stad geleerd

en nu zingen we het ook in Larilo.”

Pika had het niet hoeven te vragen.

De bewoners op het plein beginnen al uit volle borst te zingen.

En ook burgemeester Eppo, die een mooie schallende stem heeft, zingt mee.

En dan is het afgelopen met de officiële plechtigheden.

Ze lopen met zijn allen nog even door de oude stad.

Er is veel veranderd.

De oude stadsbrug is vervangen door een nieuwe brug.

En de wachters van Tajiri staan op deze brug opnieuw,

als trotse vechters voor de vrede, de stad te bewaken.

De oude treinen zijn vervangen door magneettreinen.

Alle mensen hebben een geïmplanteerde chip in hun lichaam.

Met die chip kunnen ze zich identificeren en betalen.

Ze kunnen zelfs door middel van die chip bellen.

Je hoeft maar te zeggen, wie je wilt bellen.

De chip herkent je stem en gaat aan het werk.

Het is wonderbaarlijk, hoe zo’n kleine chip

ook een luidsprekertje heeft.

Bij mensen met hartproblemen is er

vaak ook nog een pacemaker in de chip geprogrammeerd.

Hetzelfde geldt voor andere ziekten,

waarbij zenuwgeleiding een rol speelt, zoals Parkinson.

 

“De burgemeester heeft een cadeau voor jullie”, zegt Daan.

Ze lopen weer in de richting van het stadhuis.

In de hal ligt een indigo steen van glas.

Hoe wonderbaarlijk, dat is net wat hen ontbreekt.

“We zijn nu bijna compleet. 

We hebben alleen nog violet nodig”, zegt Kapi enthousiast.

Ze krijgen ook een fotoboek mee van Venlo.

Het is een boek met holografische foto’s,

zoals dat normaal is in het jaar 2040.

“Alweer iets nieuws”, zegt Pika. "De wereld gaat vooruit."

 

“Dit was het dan”, zegt Daan, “

"We zullen elkaar nooit meer zien tijdens dit leven.

Het vervult mij nu al met heimwee.

Ik ben blij dat we elkaar weer gezien hebben.”

Het afscheid van Daan is moeilijk.

Daan geeft zijn laatste groet:

“GeDAAN is geDAAN”.

En dat is het kortste gedicht, dat hij ooit gemaakt heeft.

 

De kinderen stappen enkele ogenblikken later weer het prentenboek uit.

Asteria en Joep zijn ontroerd door wat de kinderen hebben meegemaakt.

En Joep bladert voortdurend in het fotoboek van Venlo.

 

 

Hoofdstuk 10   De glazen poort

 

“Kijk”, zegt Goean.

“Die rode, die oranje en die gele steen passen precies op elkaar.

En die andere drie passen ook weer op elkaar."

Hij wijst de kleuren groen, lichtblauw en indigo aan.

“Dat klopt met de volgorde van een regenboog.

We hebben nu twee stapels, die passen.

Maar hoe past de laatste steen daar weer op?

Dat moet een violette steen zijn.”

“Laten we gauw aan ons laatste avontuur beginnen”,

zegt Pika. Ze hunkert naar een nieuw avontuur.

“Des te eerder weten we hoe het zit.”

 

Het boek wordt opengeslagen.

De kinderen turen naar de laatste prent,

die in het magisch boek staat afgedrukt.

Op de prent is een grote sterrenhemel getekend.

Het hemels firmament, waar miljoenen mensen door de tijden heen naar hebben gekeken.

En die mensen vroegen zich af, welke kosmische geheimen verscholen waren

in het patroon van de sterrenloop.

Midden in de verre sterrenhemel is een stralend witte boog te zien.

Die wordt bij aandachtig kijken steeds helderder.

De boog is een soort poort met mooie versieringen en flonkerende edelstenen.

“Daar gaan we heen”, zegt Goean beslist.

 

Na enkele seconden, die ook eeuwen lijken,

bevinden de kinderen zich in het heelal

bij een oogverblindende, glasachtige poort.

De poort ziet er ook wat uit,

of zij voor een science-fiction-film gemaakt is.

“Wie maakt nu midden in het heelal,

zo ergens tussen de sterren zo’n poort?", zegt Kapi verbaasd.

"Ik zie geen weg met mensen, die door de poort gaan.

Wat heb je aan zo’n poort, als er geen weg is, die naar de poort voert?

Ik ga er niet in.

Misschien is achter de poort wel een soort zwart gat met antimaterie”

“Ik durf wel”, zegt Goean zelfverzekerd.

"We staan hier heus niet voor niets. Ik ben niet bang.

Als Pika tenminste weer voor het licht zorgt.

Pika, als jij nu eens een lichtje maakt,

want in het midden van de poort lijkt het erg donker te zijn."

Goean en Pika gaan de poort binnen, en Kapi volgt aarzelend.

Hij wil zijn metgezellen niet in de steek laten,

maar hij vertrouwt het nog steeds niet.

Als ze midden in de poort staan, is het zwarter dan zwart rondom hen heen.

Ze zien geen hand voor ogen.

Het zwart is heel anders dan bij het halve dorp,

dat in de antimaterie hing in een vorig avontuur van hen.

Dit zwart is een soort zwart, waarin alle kleuren verborgen lijken.

"We moeten er met een standvastige geest verder doorheen gaan," zegt Goean.

Het lijkt wel of iemand hem die woorden influistert,

want hij gebruikt zulke ouderwetse woorden .

Goean neemt de anderen mee bij de hand,

en voor ze het weten, stappen ze helemaal de glazen poort door.

Eigenlijk is er nauwelijks iets engs aan.

“Wat grappig”, zegt Pika, als ze aan de andere kant van de poort staan.

“Hier is ook een sterrenhemel,

maar de ruimte is niet zwart. Die lijkt wel violet."

De kinderen kijken naar alle kanten,

en zijn sterk onder de indruk van wat ze zien.

"Wat ongelooflijk superkeigaaf", roept Kapi uit.

Zijn aanvankelijke bangheid is helemaal verdwenen.

"Dankjewel, Goean, dat je hebt doorgezet.

Zonder jou hadden we hier niet gestaan," complimenteert hij zijn vriend.

Goean gnuift van plezier.

Bij de uitgang van de poort bevindt zich

een grote glazen steen, waar je heerlijk op kunt zitten.

Op de steen zien ze een jonge vrouw zitten.

En het lijkt wel, of ze een doorschijnend lichaam heeft.

Naast haar zit een jongeman met een veer op het hoofd.

Hij is ook weer licht doorschijnend.

Wie zijn die mensen toch?

Het lijkt wel of het bekenden zijn, maar dat kan toch niet?

De kinderen zijn hier nooit eerder geweest.

“Dag kinderen, daar zijn jullie dan.

Wat ben ik blij dat ik jullie weer zie.

Hoe was de reis hiernaartoe?”

Het is de stem van Oma Knot, zoals die klonk toen ze nog jong was.

Ze kijkt de kinderen met een hartelijke blik aan.

“Dag kleinzoon, daar ben je dan", zegt de jongeman.

"Samen met je vrienden, onze moedige glasketiers.

Dit is het laatste avontuur, en dan zit jullie taak er weer op."

Goean herkent ineens de jongeman, die daar bij oma Knot zit.

“Dat is mijn Opa”, zegt Goean geëmotioneerd.

De tranen lopen over zijn wangen.

“Wat heb ik u in al die jaren gemist.

Ik dacht dat u weg was, en nu bent u hier.”

“In je dromen ben ik altijd bij je, jongen,” zegt de jongeman troostend.

Kapi en Pika zijn helemaal uitzinnig van vreugde, dat ze Oma terugzien.

En die is nog wel zo jong. Ze is nu net een zusje.

Ze vergeten gewoon op welke uitzonderlijke plek ze zich bevinden.

 

“Jullie zijn nu even in een ander heelal”, zegt Opa Gozal ongevraagd.

“Er zijn ontelbaar veel universums.

Het heelal waar we nu zijn, loopt bijna parallel aan jullie huidige heelal.

Je kunt er alleen door de glazen poort binnenkomen."

"Maar niemand weet de weg hier naar toe," zegt Kapi wijs.

"Ik heb geen weg gezien, en ook geen mensen, die door de poort gingen.

Ik vond het heel griezelig om de poort door te gaan.

Er moeten handwijzers komen en kaarten,

waarop je kunt zien hoe je moet lopen."

"Lieve Kapi. Als je je ogen een beetje dichtknijpt,

zodat het licht begint te trillen, dan zie je veel reizigers door de poort gaan. 

Kijk, daar komt een mooie ziel uit de poort.

Deze ziel heeft haar leven in jullie heelal voltooid,

en ze komt in dit heelal om verder te rijpen."

Kapi en ook Pika en Goean knijpen de ogen een beetje dicht, zoals Opa Gozal aangaf.

En warempel, nu zien zij het ook.

Dat ze zo blind konden zijn, en niets opmerkten van het drukke verkeer

van al die zielen, die door de poort willen.

Ze zien nu ook de poortwachters,

die als gidsen het doorgaande verkeer proberen te regelen.

"Het is hier ongelooflijk mooi," gaat Oma verder.

"Wij zijn heel blij, dat we van de Schepper hier mogen zijn.

Wij willen de mensen van Larilo ook iets

van de prachtige energie van dit heelal doorgeven.

Zo zullen zij mooie gedachten krijgen

en opgewekt blijven, als het leven moeilijk is.

Jullie kunnen met de glazen stenen, die jullie verzameld hebben,

een poort bouwen, die lijkt op deze poort.

Waar wij hier op zitten, dat is de laatste steen,

die jullie nodig hebben.

Het is de violette boogsteen, die bovenop de twee staanders komt.

Een dag per jaar mogen jullie de glazen poort opzetten.

Zo gauw de zeven stenen op elkaar gezet zijn,

wordt de gehele glazen poort stralend wit.

En dan komt het violette licht vanaf hier naar Larilo.

Genoeg voor een jaar.”

 “Goean wordt de bewaker van de poort

Hij is erfgenaam van Gozal.

Daarom is hij door de Schepper aangewezen om voor Larilo

de verbinding te leggen met het violette heelal,

waar we ons nu bevinden.”

Goean krijgt een kleur van trots.

“Kijk mij eens”, zegt hij.

“Nou niet verwaand worden, jongeman”, gaat Oma verder.

“Als je verwaand wordt en je boven andere mensen verheft,

blijft er van je bijzondere taak niet veel meer over.

Je roeping smelt door hoogmoed en ijdelheid weg, als sneeuw in de zon.

Je handen zullen stram worden, als je je groter voordoet dan je bent.

Larilo zal dan geen poort meer hebben.”

Goean krijgt een kleur.

Hij voelt zich betrapt.

“Ja, kleinzoon”, zegt Opa Gozal.

“Nederigheid en bescheidenheid zijn de sleutels naar het violette heelal.

Je moet dat nooit vergeten.

Kapi en Pika zullen je daarbij helpen.

Nietwaar kinderen?"

Kapi en Pika knikken om de woorden van Opa Gozal te bevestigen.

Goean kijkt voor zich uit en trekt bleekjes weg.

Ineens begint hij te twijfelen, of hij wel aan die opdracht kan voldoen.

Hij is nog niet eens volwassen, en hij krijgt een opdracht toegemeten,

waar het geluk van de mensen in Larilo van afhangt.

Waarom hebben ze niet iemand anders daarvoor uitgekozen?

Bijvoorbeeld iemand, die ouder is en meer heeft gestudeerd.

Opa Gozal ziet, hoe de twijfel zijn kleinzoon in bezit neemt.

Het is een goed teken.

Mensen die kunnen twijfelen, zijn goede mensen.

Ze laten in hun hoofd ruimte voor vele ideeën.

En dan zullen ze zelden gevangen worden door een waandenkbeeld.

Mensen die kunnen twijfelen, kunnen bij zichzelf te rade gaan,

en dat zal hen behoeden voor de hoogmoed.

Goean is de juiste persoon.

"Goean," zegt Opa Gozal.

"Je hebt net zoals ieder ander mens een grote opdracht in je leven.

Je moet daar niet van schrikken.

Wees moedig, en doe wat je moet doen.

Laat je niet op je daden voorstaan,

want je hebt slechts gedaan wat je moest doen.

En als je gedaan hebt, wat je moest doen, ben je gelukkig,

wat er ook gebeurt.

Soms zullen er momenten zijn dat je het moeilijk hebt.

Het zij zo.

Ik heb slechts een advies: Ga bij jezelf na wat je moet doen en doe dat.

En het overige is genade."

Goean, Pika en Kapi zijn erg onder de indruk van wat Opa Gozal zegt.

Opa Gozal sprak tot zijn kleinzoon,

maar het is net alsof Opa Gozal de woorden ook tegen hen sprak.

Opa Gozal sprak woorden van universele wijsheid,

die in elk heelal geldig zijn.

"Zo kinderen, onze ontmoeting loopt ten einde.

Wij zullen jullie terugzien,

als jullie ziel er rijp voor is.”

“Meldt Joep, dat ik hier op hem wacht”,

zegt Oma .

Er blinkt een kleine traan in haar doorschijnende oog.

Ook in het violette heelal bestaat heimwee.

 

 

Even later gaan de kinderen met de violette boogsteen

door de poort. Ze dragen hem met zijn drieën.

Zo groot is die steen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

CheckStat



[1] Spreek uit: sjeken