Rhegie

 

 

Home

 

 

 

 

 

 

Gastpagina

 

Harold Drost

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nieuw: Columns over Interstitiële Cystitis

 

Harold schreef voor het blad Aquarius van de

IC-patiëntenvereniging columns over Interstitiële Cystitis,

ook wel genoemd BPS oftewel het Blaas Pijn Syndroom.

Voor deze columns click hier

 

Bladwijzers

 

Wie is Harold?

 

Zwart-wit

We gaan voor de waarheid

Eenvoud kenmerkt het ware

Leven is ook abrikozenjam

Alles is oplosbaar 

Gefopt ?!                         

Wie zich brandt, moet     

'Wirtschaftswunder'           

Beren op de weg

O, zo bang

Viespeuk(en)

Gewichtig

Underdog

Vliegenpoepje

Vooroordeel bevestigd

Waar is de andere partij?

Ode aan de dode

Valse beloning

Jong van hart

Alarm in het veld

Een land van uitersten

Gaat het Westen ten onder?

 

 

Harold Drost

 

Harold Drost werd geboren in Leiden.

Opleidingen: HBS-A en PA.

Hij werkte in het Vormingswerk en Middelbaar Beroepsonderwijs als docent en manager.

Hij schreef vele onderwijs inhoudelijke programma’s, rapportages en beleidsstukken.

Voor zijn plezier schreef hij ook columns in het personeelsblad.

Hij was redacteur van het tijdschrift voor maatschappijleraren ‘Maatschappij & Politiek’

Tegenwoordig is hij eindredacteur van het patiëntenblad van de Interstitiële Cystitis  Patiëntenvereniging (ICP)   

 

 

 

 

 

Nieuw   3 Columns over Bali

 

 

 

Zwart-wit

 

Bij mijn zoon thuis staat een vissenkom. Met goudvissen erin. Twee. Dat vindt onze kleindochter leuk, ze mag deze ‘huisdieren’ geregeld voeren. Ze leert dat je voor dieren die je houdt, moet zorgen. De Partij voor de Dieren  is fel gekant tegen ‘de goudvis in de kom’. De vissen zouden gedoemd zijn doelloos rondjes te zwemmen, wat ze wel eens een zware depressie zou kunnen opleveren met de dood als gevolg. Alsof vissen het besef, het bewustzijn hebben dat ze in zo’n kleine kom ronddartelen. Alsof ze menselijke gevoelens hebben. De Partij voor de Dieren projecteert menselijke eigenschappen op dieren. Dat is al zo oud als de weg naar Rome. Reintje de Vos en de wolf uit het sprookje van Roodkapje zijn daar voorbeelden van. Wij mensen hebben al gauw de neiging onze persoonskenmerken op dieren te projecteren.

Bali, strand. We stappen in de motorboot om bij het verderop in zee liggende koraalrif te snorkelen. Zwemvliezen aan, bril over neus en ogen, snorkel in de mond. Plons, en dan openbaart zich de wondere wereld van het koraalrif zich aan ons. Koralen als hersenen, als elfenbankjes en boomstammetjes liggen op de bodem. Vissen in de mooiste kleuren ter grootte van de goudvissen van mijn zoon zwemmen tussen de wieren en koralen. Fel geel, blauw, paars en zachtgroen. Barracuda’s met hun grote ogen lijken bewegingloos in de lichte stroming te liggen, zo nu en dan aan het einde van hun lange bruin-grijze lichaam hun staart bewegend. Zachtjes peddelt een snavelvis rond op een meter onder mij. Als we op de boot even uitrusten geeft de bestuurder van de boot ons een banaantje. Dat pellen we half af, zakken weer in het zeewater en houden het banaantje een halve meter voor ons onder water vast. Van alle kanten schieten de zebravissen, zo groot als een kinderhand , bruine vissen van dezelfde grootte, kleinere, langwerpige blauw/paarse en gele visjes af op de banaan en happen er fel stukjes vanaf. Tientallen vissen doen vlak voor mijn neus een aanval op de banaan, soms zich vergissend en bijtend in mijn arm. Het voelt alsof er een schuurpapiertje over de huid van de arm wordt getrokken. Duizenden vissen hangen op de plekken rond de snorkel en duikplatforms rond. Ze weten dat er geregeld bananen of broodjes langskomen. Een niet te versmaden maal. De vissen hier zijn gedomesticeerd. Ze durven tot op 10 à 20 cm van de snorkelaar te komen. Huisdieren als het ware in hun natuurlijke omgeving. Het heeft wel iets kunstmatigs. Maar gelukkig is er geen Partij voor de Dieren op Bali, die het liefst deze excursies naar de van brood en banaan afhankelijke, diepongelukkige en zielige vissen zou willen verbieden. Geen partij die het plezier van snorkelaars en duikers, die met grote verwondering en groot respect naar die schitterende wereld in de zee kijken, vergalt.

 

 

We gaan voor de waarheid

 

Een beeld uit de jaren vijftig. Op het plein voor de katholieke kerk verzamelen zich de parochianen met hun fietsen en solexjes. Ze wachten geduldig. In de deuropening van de kerk verschijnt in zijn zwarte soutane meneer pastoor met een emmertje wijwater en de wijwaterkwast, die toch echt veel weg heeft van een pleeborstel. Meneer pastoor loopt plechtig de trappen voor de kerk af en wandelt naar de groep dorpelingen die keurig naast hun fiets of brommertje opgesteld staan. Nog net niet in de houding als soldaten. Met groot gevoel voor theater en een stem als een klok spreekt meneer pastoor zijn zegen uit over het rijwielpark. Hij doopt de kwast in het wijwater, zwaait als in een vertraagde film zijn arm langzaam richting fietsen. Luid spreekt hij de zegen uit in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Kleine Nico van 7 jaar die op zijn verjaardag een knalrood fietsje heeft gekregen, voelt de wijwaterspetters tegen zijn gezicht vliegen.  Maar oplikken of afvegen durft hij niet. Zijn vader beweert dat je met een gezegende fiets minder ongelukken krijgt.

De eerste dag van ons verblijf op Bali was ‘ijzerdag’. Op deze dag betonen de Balinezen respect voor alles wat van ijzer/metaal is. Het meest in het oog lopend zijn alle auto’s en brommers, die versierd zijn. Waarschijnlijk al dagen van te voren maken duizenden vrouwen vlechtwerkjes van bamboebladeren. Aan het stuur van de brommers of de grill van de auto’s worden de sierlijke kunststukjes vastgemaakt. Vast en zeker zijn er in de duizenden tempels ceremonieën gehouden als eerbetoon voor al het ijzer. Dat veel auto’s vooral uit plastic onderdelen bestaan zullen ze zich wel niet realiseren. De Balinezen kennen nog veel meer van dit soort ceremoniële dagen: de dag van de bomen, van de dieren, enz. En wij kennen ook 4 oktober, dierendag. En de Verenigde Naties hebben vele dagen in het jaar tot speciale aandachtsdagen gemaakt: de dag van het kind, van het onderwijs, de armoede, gezondheidsdag, enz. Als geseculariseerde en rationeel denkende Westerlingen lijken we dit soort ‘heilige dagen’ grote flauwekul te vinden. Maar zou de waarheid achter de viering ervan of de aandacht die we eraan willen geven niet al eeuwen vastgeroest zitten in het collectieve bewustzijn van de mens? 

 

 

Eenvoud kenmerkt het ware

 

Een vrouw met brede, uitgezakte voeten en knokige, ijzersterke werkmanshanden begint de massage. Ze ziet er mager en fragiel uit. Gekleed in een eenvoudige jurk en met een John Lennon brilletje op heeft deze 70-jarige vrouw er 25 jaar massagepraktijk op zitten. Madé is haar naam. Ze kent de spiermassa’s in het menselijk lichaam als geen ander. Madé geeft een traditionele Balinese massage, die ongeveer een uur duurt. Ze kneedt, duwt en drukt op spieren in het hele lichaam, van teen tot kruin. Met uitzondering van de genitale zones.

Terwijl mijn echtgenote als een homp ontspannen vlees op het eenvoudige matrasje op massagetafel ligt – aan de rand van het strand onder de bomen – krijg ik een oude plastic tuinstoel toegewezen, in een hoekje een paar meter van de masserende Madé. Om me heen speelt zich het drukke strandleven van de plaatselijke bevolking op een vrije zondag af.

Terwijl de oude, krachtige vrouw vakkundig de voeten en kuiten van mijn vrouw bewerkt, spelen er zich allerlei alledaagse tafereeltjes af in mijn omgeving. Enkele vrouwen die vooral toeristen een pedicure- of manicurebehandeling geven of een massage, zitten naast me op een houten bank te kletsen. Een volwassen zoon van één van hen komt met een grote kartonnen doos vol mandarijntjes in rode netjes aanzetten. Hij heeft koopwaar op de kop getikt en begint meteen de mandarijnen aan de man te brengen. Al gauw peuzelen enkele mensen in mijn buurt een mandarijntje op.  Een 8-jarig jongetje komt uit het zeewater gerend. Vraagt aan zijn moeder om geld voor een kleurig bandje om op te drijven in zee en om mee te spelen. De moeder geeft 1000 roepia, 7 eurocent, dat is genoeg.  Op het strand verhuren twee mannen voor kleine bedragen bandjes en drijfplanken aan kinderen en volwassenen. Zo verdienen ze in het weekend iets extra’s met hun opblaasspulletjes.

Een jonge moeder laat trots haar kind, een meisje van anderhalf jaar, de kennissenkring rondgaan. Het kleine ding gaat in haar blootje met moeder de zee in. Gewikkeld in een grote badhanddoek krijgt ze daarna op moeders schoot kleine hapjes te eten. Het jongetje van de band komt aangerend, blijkbaar heeft hij genoeg van het zwemmen. Pa, een stevige 30-tiger met kortgeknipt haar, vangt hem op en zet hem op een krukje. Zwembroekje uit, en even staat hij in zijn nakie als een klein standbeeld uit de Jugendstil te bibberen, pa droogt hem af, T-shirtje en broekje aan. Sateetje voor de trek en nog één. Een einde verder komt de koffie- en theeman aangelopen. Een zwaargebouwde, tamelijk kleine gedrongen jongeman met een zwarte sik en een rode pet op. Hij sleept drie grote thermoskannen met warm water, plastic bekertjes, zakjes thee en oploskoffie en allerlei nootjes en chips in kleine zakjes met zich mee. Alle families om me heen kopen iets van hem. Knabbelend op de nootjes en de chips, drinken ze ondertussen hun koffie of thee op. Een vrouw biedt mij heel gastvrij ook een kopje koffie aan, maar ik durf dat gezien de kwaliteit van het water niet te accepteren. Intussen wankelt het peutertje tussen haar oudere zusje en haar met open armen zittende moeder heen en weer. Ze kan geen genoeg krijgen van haar net verworven loopvaardigheid. Totdat moeder haar oppakt en rust gunt. Madé is intussen aan de rug van mijn vrouw begonnen. Naast me schuift een nieuwe familie aan op de bank. Inschikken dus, krukjes erbij. Een meisje van een jaar of zes en haar puberzusje zitten er wat verlegen bij tot het mobieltje van het oudere zusje overgaat. Dan kwebbelt ze er op los, net als haar moeder met de vrouwen op de bank doet. Het jongetje ligt stil met zijn hoofd op zijn vaders schoot. Hij wordt zorgvuldig door pa ontluisd. Het zoute water van de zee is niet afdoende om van de luis af te komen. ‘De eitjes, hè’, zegt een vrouw als ik ernaar vraag. De massage is gevorderd tot de armen van mijn vrouw. Op het voetpad dat langs onze plek loopt, komt een vrouw aan met een complete tafel van een meter bij een meter op haar hoofd. Deze is gedekt met pannen, potten en etenswaren. Neergezet op de grond kan de lunch of picknick zó beginnen. Dan opeens enthousiaste kreten. Een jonge vrouw met lang blond haar komt de Balinese vrouwen opzoeken die ze jaren geleden ontmoette toen ze met haar ouders vlakbij in een hotel logeerde. Ze omhelst één van de vrouwen en roept dat haar ouders binnenkort weer in de buurt komen ‘overwinteren’.

Een visser die ik al uren in het zeewater heb zien staan, komt met zijn gevlochten en in felle kleuren geschilderde punthelm een praatje maken. Veel heeft hij niet gevangen: een tiental vliegvisjes. Lekker, na gebakken te zijn op een houtskoolvuurtje. Een andere visser probeert me over te halen een tochtje naar het koraal te maken in zijn glasbodem boot. Madé is bij de hoofdhuid en haren van mijn vrouw, die nu op haar rug ligt, aangeland. Een stevige massage met de vingertoppen zorgt dat de huid daar intensief behandeld wordt en goed doorbloed raakt. Op de boom achter de massagetafel hangt een bord waarop staat dat je met en zonder afspraak hier gemasseerd kunt worden.

Zittend op mijn wankele witte stoel zie ik een groene libelle op een doos naast me landen, de oogjes alle kanten opdraaiend en kauwend op een insect. En hier aan de rand van het witte zandstrand, in de open lucht, onder de schaduwrijke bomen observeer ik de mensen en de gebeurtenissen om me heen. Als het ware aan de zijlijn, nauwelijks meer opgemerkt door de Balinezen krijg ik een unieke kans hun normale dagelijkse leven even te bekijken. Niet als wandelende portemonnee, niet als toerist, maar gewoon als mens onder de mensen, me een uurtje in hun kring en omgeving opgenomen voelend.

 

 

Leven is ook abrikozenjam

 

Zwoegend en zwetend door de modderige zandpaden. Regen plenst met bakken uit de lucht. Regenkleding verwatert tot natte lappen. Bomen langs het zandpad vormen allang geen paraplu’s meer. Buiten adem trap ik in de laagste versnelling mijn fiets door de zuigende modder en diepe, gitzwarte plassen. Een slingerend modderspoor achterlatend. Dan voel ik alle vering onder het zadel verdwijnen. Tot overmaat van ramp een lekke band! Natte sneeuw begint naar beneden te dwarrelen. Bij het verwisselen van de band, heel langzaam met verkleumde handen, daalt mijn lichaamstemperatuur. Tot op het bot toe koud kom ik na anderhalf uur thuis. Dat was gisteren.

Zondagmorgen. Lekker ontspannen in bed, volmaakte temperatuur. Vrije dag, geen gejakker naar mijn werk, geen ergernissen als files, geen stress. Ontbijtje? Mijn vrouw mompelt half slaperig ‘ja, ‘s goed’. Na de nodige rekoefeningen, stap ik met het juiste been uit bed, niets kan mijn goede humeur bederven. Ook het grauwe en druilerige Hollandse weer niet, dat me tegemoet springt als ik de gordijnen openschuift. Echt weer om een erfenisje te verdelen zouden ze vroeger bij mijn vrouw thuis zeggen. Water in de waterkoker voor de pot thee. Water in het steelpannetje voor de zacht te koken eieren. Zelfgebakken brood uit de koelkast.

Verwarming op 21 °C, al snel stroomt een behaaglijke warmte door de woonkamer. En zowaar, er prikt af toe een zonnestraaltje door het grijze wolkendek. Een zacht klassiek muziekje op de radio is een weldaad voor mijn gemoed. Boterhammen springen met een knalletje uit de broodrooster. De piep van de eierwekker geeft de vierminutengrens van een zacht gekookt eitje aan……

Leven is ook abrikozenjam, lust je het niet, je hebt pech, dan valt het tegen. Of je houdt ervan, je hebt geluk, geniet ervan, dan is het lekker.

 

Alles is oplosbaar

 

Boeren hebben altijd geprobeerd de opbrengst van hun land of boomgaarden zo groot mogelijk te maken. Volstrekt logisch als je er van moet leven. Als kind herinner ik me de vogelverschrikkers, zowel op de akkers, als in de kersenboomgaarden. Fladderende oude hemden of afgedankte overalls. Hoog in de bomen in de boomgaarden, met ‘levensgevaar’ op hoge ladders erin gehangen. Maar vogels zijn niet gek, al die ‘mensen’ die maar op dezelfde plaats blijven bewegen, laten genoeg kersen in de overige bomen over om wekenlang een gezonde biologische en vitaminerijke maaltijd te verorberen. Lege blikken met elkaar verbonden door lange touwen naar één punt lopend, rammelend in de wind of in beweging gebracht door de boer en zijn knecht is een andere methode om de vogels te verjagen. Uiteindelijk met weinig resultaat. Een met zijn geweer knallende boer in de boomgaard schrikt de vogels af, ze vliegen weg, maar ook hieraan raken ze gewend. Zit de boer bovendien te schaften dan schransen de vogels hun buikjes vol. Het geluid van geweerschoten via geluidsboxen hebben eenzelfde tijdelijk effect. De vogels laten zich hun feestmaal niet afpakken. En zijn ooit niet vliegers in de vorm van roofvogels geprobeerd? Niets heeft voldoende geholpen in het verleden. Maar nu denkt de boer een nieuw middel te hebben om een maximale opbrengst te garanderen: geluiden van vogels in doodsangst. Geen beweging, geen gefladder, geen enkel gewoon vogelgeluid is er meer te horen in de kersenboomgaard. Mar nu opeens wel verkeersgeluiden die voorheen niet opvallend hoorbaar waren. En een overvloed aan insecten lijkt nu aan de kersen te vreten. Wespen. Wespenvangers ophangen in de boomgaard? Zoals dazenvangers, die steekvliegen weghouden bij paarden in de wei?

Of van die speakertjes die zeer hoge frequentiegeluiden uitzenden op hangplekken, zodat de jongeren die daar samenkomen verjaagd worden? Manipulatie van de omgeving; saneren van alles wat ons niet zint? Maatregel na maatregel. Zogenaamde oplossingen, die een reeks nieuwe problemen scheppen, zodat er weer nieuwe maatregelen genomen dienen te worden, waardoor… Waar zijn we als mensheid toch mee bezig?

In de w.c.zet ik een nieuwe spuitbus met vanillegeur neer. Mijn eigen lucht gaat nog, maar de stank van de andere gezinsleden! Kleindochter van vijf  komt met pa en ma langs. En ja, de w.c. van opa en oma blijft interessant met al die plaatjes. En natuurlijk ze moet direct. Even later komt ze huilend binnengestormd, benauwd en met een wolk vanillegeur om zich heen. En tijdelijk stinkt het hele flatje naar die goedkope w.c.geur van vanille. Wijsgeer Cruijf heeft het, zowel op macro als micro niveau, bij het rechte eind: ‘Elk voordeel heb z’n nadeel’ of was het net andersom?

 

 

Gefopt?!                     24 juli 2008

 

Alles is maakbaar in het leven, denken sommige mensen. Het weer in ieder geval niet. Het regent al enkele dagen. Mijn afspraak met een vriend om te gaan fietsen zie ik letterlijk in het water vallen. De dag voordat we op de fiets zullen stappen laat de telefoon zijn onweerstaanbare klassieke rinkeldeuntje horen. Anticiperend op wat mijn fietsmaatje zal zeggen, vraag ik: ‘Je wilt onze afspraak van morgen zeker afzeggen? Maken we een nieuwe afspraak of doen we dat als er een mooi weer op komst is?  Mis, hij wilde niet afzeggen maar bood, een stuk creatiever denkend dan ik, een alternatief.

‘Niet fietsen, een andere activiteit? Tja, dat lijkt me leuk. Maar je overvalt me ermee, ik weet zo gauw niet iets. Een museum?

Na enig heen en weer gepraat besluiten we naar het Van Abbemuseum in Eindhoven te gaan. Moet architectonisch in ieder geval de moeite waard zijn.

De fraaie tuin vol bloeiende zomerplanten voor het oude roodbakstenen gebouw is veelbelovend. Geen automatisch open zoevende deuren. Gewoon open drukken en we staan in de hal, we kopen kaartjes en maken eerst een rondgang door de zalen van het oude gebouw.

Uit het meegekregen gidsje blijkt dat we in de tentoonstelling ‘Be(com)ing Dutch’ terecht gekomen zijn. Nederlander zijn of worden? Typisch Nederlands om een Engelse titel te verzinnen om te melden dat we op zoek zijn naar onze Nederlandse identiteit.

Het begint met foto’s van Ed van der Elsken aan de muur. Amsterdamse tafereeltjes met veel allochtone landgenoten. Aardig, maar gezien de enorme witte wand geven de paar foto’s wel erg weinig kijkgenot. Een televisie met zich eindeloos herhalende amateuristische videobeelden hangt tegenover de foto’s. Het kunstobject van een Nederlander uit 2001 is geïnspireerd op straattoneel uit Florence. We gaan de hoek om, de volgende zaal in. Vier platte t.v.-schermen,  koptelefoons. De enige die het doet geeft een statisch beeld: een vanuit een huiskamer gefilmd raam met planten. Buiten zie je af en toe iets langskomen. Op dit bij uitstek visuele medium zien we in feite één beeld, een foto. We doen de koptelefoon op en luisteren geconcentreerd naar een ‘radioverslag’ van een vrouw, die over haar dramatische ervaringen met de treinkaping in De Punt vertelt. Dezelfde zaal: oud werk van een Engelsman met een soort communicatieschema's. Een volgende zaal: op twee schermen, één heel groot en één van t.v.-grootte, houden mensen in het beursgebouw monologen en leest de rapper die op Mohammed B. lijkt quasi diepzinnige teksten voor. Next: tientallen witte zuiltjes met paspoorten uit allerlei landen met rode vlekken erin. Op kleine videomonitoren is te zien dat de rode vlekjes bloedvlekken van muggen zijn: de paspoorten zijn in muggenkasten gehouden en toen dichtgeklapt. Er moesten natuurlijk wel muggen tussen de bladen vliegen. Wat dit allemaal te maken heeft met de Nederlandse identiteit? Met de achterhaalde multiculturele samenleving? Mijn vriend en ik kijken elkaar eens aan, zeggen niks, we hebben de moed nog niet opgegeven dat het nog iets kan worden. In de zaal waar een tafelvoetbalspel staat waarvan de poppetjes door klompen zijn vervangen, hebben we even plezier door wat ballen heen en weer te schieten. Klompen of houten voetballertjes, het werkt. Frustraties worden weggeschoten.

Het nieuwe gebouw is inderdaad heel bijzonder qua architectuur. Een open carré tot aan het dak, daaromheen balustrades op elke verdieping. Daarachter liggen allerlei kleine en grotere tentoonstellingsruimten. Enigszins doolhofachtig. Alles is wit geschilderd, het oogt heel licht. Op één van de witte muren staat in grote neonletters knipperend ‘Ha, ha, hi, hi’ en omgekeerd. Is de kunstenaar geïnspireerd door voetbalhooligans: hi, ha, ……….’? Onduidelijk is of deze intelligente tekst iets te maken heeft met de Nederlandse identiteit of er altijd al hing als standaard kunstwerk. Op veel plaatsen en in de kleine ruimtes zijn er videoproducties met pratende mensen. Soms lijken de beelden uit de DDR van voor 1989 te komen, dan uit een collegezaal waar een professor in de Kunstgeschiedenis de ene abstractie na de andere debiteert of twee z.g. allochtonen in het Arabisch tegen je aan staan te preken à la Osama bin Laden. Met een belerend vingertje. In een zaal hangen A-4tjes voor lichtbakjes op maat die geïntegreerd zijn in de wanden. Een zaal vol met naast elkaar hangende ‘lampjes’ waarop het financiële jaarverslag van een firma te lezen is. Interessant? Humor? Typisch Hollands? We kijken elkaar opnieuw aan en vragen ons af of we na al dit ‘moois’ nu echt TON (trots op Nederland) moeten zijn. Waar zadelen kunstenaars ons mee op? In ieder geval niet met een kippenvel-gevoel waarbij we spontaan het Wilhelmus dreigen te gaan zingen. Als we richting kantine langs een kunstobject in een open ruimte lopen, waar te zien is hoe enkele krakers hun troep als het ware vanuit het pand op straat gegooid hebben, staat haast op ons voorhoofd gedrukt: GEFOPT! Gelukkig blijken de cappuccino en het gebakje geen dubbele bodem te hebben. Tegen elkaar zeggen we dat we niets, maar dan ook helemaal niets zouden willen bezitten van wat er in dit museum hangt, flippert, draait, knippert, staat of ligt. Bij de uitgang kunnen we ons nog net inhouden om ons geld terug te vragen.

Maar ja, wat kun je anders verwachten van twee heren op leeftijd, ouderwetse cultuur-barbaren, die blijkbaar helemaal niets snappen van deze ongetwijfeld tot de kern van het menselijk bestaan doordringende kunst. Die geen enkel gevoel kunnen opbrengen voor de idealistische, filosofische en gevoelige creaties van geëngageerde kunstenaars die hun tijd ver vooruit zijn.

 

 

 

Wie zich brandt, moet ….        21 mei 2008

 

Behorend tot de club van de vergrijsde ‘babyboomers’ boeken we regelmatig een reisje naar de zon. Natuurlijk in het goedkope voor- en/of naseizoen. Weg van dat toch dikwijls grauwe, regenachtige en deprimerende Nederland. Het grootste Griekse eiland, Kreta, ruim drie uur vliegen, wordt dit voorjaar ons doel. Een nieuw hotel, pas twee jaar in bedrijf. Een kamer met balkon met zijzicht op de Kretenzische zee. In een vissersdorp, zeer rustig buiten het seizoen. Want ook hier stikt het van de appartementen en hotels. Aangekomen op het ook door militairen in gebruik zijnde vliegveld Chania – fotograferen is absoluut verboden – zien we meteen het Griekse leger in actie: twee F 16’s stijgen op. Bij het uitstappen schijnt de zon, de temperatuur is behaaglijk. Precies wat we willen. De volgende dag maakt een Griekse Rus die goed Engels en Duits spreekt naast zijn moedertaal en Grieks, ons wegwijs bij het uitgebreide ontbijtbuffet. Een compleet Engels en Grieks ontbijt met bacon, worstjes, eieren en ‘cereals’ en soorten yoghurt, fruit, tomaten, olijven, komkommers, pannenkoekjes, wafels, verschillende jamsoorten, honing en andere lekkernijen. In de enorme eetzaal met meer dan zestig tafeltjes zijn wij met nog enkele toeristen de enige gasten die zitten te schransen. Het is echter wat veel gevraagd om het buffet leeg te eten. Weliswaar zijn we van de nooit-wat-weggooien-generatie, maar onze maagcapaciteit kent ook zijn grenzen.

Achter de ‘taverne’ ligt een zonneweide met een groot zwembad en een bar. Op de  ligstoelen met parasols brengen we de dag al lezend en luierend door.

Een eindje verderop komt een ouder echtpaar liggen. Engelsen zo te horen. Qua omvang en uiterlijk zien ze er wat ordinair uit. Hij met zijn vette pens in een minizwembroekje, zeker denkend dat hij nog een jonge Griekse god is. Zij in bikini, die de slapte van borsten en buik juist accentueert. En dat ligt maar de hele dag in de zon te bakken als kadetjes in de oven, zich regelmatig omrollend om vooral overal bruin te worden. Zouden ze, net als wij, in de krant gelezen hebben dat de zon vitamine D toevoegt aan het lichaam. Dat hierdoor depressies afnemen. Roder en roder worden ze. Met enig medelijden zien we het gebeuren. De sukkels staan aan het eind van de dag ‘in brand’. Alleen bij de ogen (zonnebril), de binnenkant van de armen en het tegenoverliggend gedeelte van de romp, onder de dubbele kinnen, de hangbuiken en borsten is het merkwaardig bleek gebleven.

Die avond bij het diner voelt het al wat pijnlijk aan bij de achterkant van mijn benen. Geen wonder want voor de spiegel in de hotelkamer staat die avond een gezet figuur zo rood als een kreeft. Draaien in bed is die nacht bepaald geen pretje met de verbrande benen en rug. De afgelopen dag waren die Engelsen met hun zelfgekozen vorm van zelfkastijding dus niet de enige sukkels op die zonneweide!

 

 

‘Wirtschaftswunder’  21 mei 2008

 

In ons knalgele autootje genieten we van de tochten door de bergen van Kreta. Het landschap is zeer afwisselend. In de dalen loofbomen, grove dennen, hoge bloeiende struiken en velden met varens en veldbloemen. Veel geel, paars en rood. Zo tegen de boomgrens bossen laag struikgewas van een zeer harde stekelige soort, prachtig groen met gele of rode bloempjes. Daartussen hellingen roodgekleurd van de nieuwe bladeren die aan de struiken komen. Hoe hoger hoe kaler; zelfs liggen er op de bergtoppen nog sneeuwvelden, die in de loop van het voorjaar bij toenemende temperaturen snel in grootte afnemen.

Vroeg in de avond parkeren we na een paar honderd kilometer enigszins vermoeid van alle indrukken onze geleende kanarie voor ons hotel. Dinerbuffet. Zittend in de late avondzon hebben we goed zicht op de ingang van het restaurant. Zo kunnen we behalve eten de binnenkomende gasten observeren. Mensen kijken is altijd leuk. En dan meteen je oordeel klaar hebben!

We zien een normaal geproportioneerde vrouw met een man …….. een buik die als een gigantische ballon over de broekriem hangt te zwabberen. De man heeft die typische loop van dikke mensen: armen als worsten naast het lichaam zwaaiend, handpalmen naar achteren gekeerd, benen door de enorme dijen een eindje van elkaar waardoor een waggelende gang als van een eend ontstaat. Als we bij onze tweede gang naar het buffet langs de tafel van deze mensen lopen, horen we hem Duits praten tegen zijn vrouw. De man is dus een ‘Wirtschaftswunder’ of zal dat binnenkort worden. Want met deze omvang heeft hij vast verhoogde bloeddruk, aderverkalking, suikerziekte en problemen met de ademhaling en knieën. De medische wirtschaft zal een hele kluif aan hem hebben: instellen op de juiste medicatie om het suikerspiegelgehalte in balans te brengen en te houden, dotteren of bypass kunnen niet uitblijven, medicijnen tegen verhoogde bloeddruk en cholesterolgehalte en uiteindelijk nieuwe knieën want die raken snel versleten bij het ouder worden en zeker bij dit gewicht. Met de kennis van tegenwoordig laat je dit toch niet gebeuren met je lijf? Wie doet zichzelf nu deze vorm van euthanasie aan?

In de hal van ons hotel staat een weegschaal. We kunnen er niet langs zonder er even op te staan: 5 en 7  kg meer dan toen we aan onze vakantie begonnen! Ons begin van het einde?

 

Beren op de weg - 4 december 2007

Een lieve, zorgzame oude vrijster, onderwijzeres van beroep, besluit haar grote hart te volgen en naar de hoofdstad van Soedan te gaan om daar op de Unity Highschool aan kinderen les te geven. Of was het toch het avontuur, het nieuwsgierig zijn naar een geheel andere cultuur, die haar naar dit groot islamitische land deed trekken? Hoe het ook zij, Gilian Gibbons vertrekt in augustus 2007 naar Karthoem en begint daar kinderen te onderwijzen. Ze schept een vertrouwde en warme sfeer in haar klas, de kinderen voelen zich bij haar thuis. En ach, kinderen iets leren is toch het fijnste wat er is, denkt ze vaak. En het maakt niet uit waar dat in de wereld is, of het nu Engeland is of Soedan, kinderen blijven even spontaan, levendig en leergierig. Ze geniet extra omdat ze het gevoel heeft dat ze in dit derde wereldland meer kan betekenen voor de kinderen dan in haar eigen land.

Hij komt zomaar ter sprake in de klas, de teddybeer, het typisch Engelse knuffeldier. Eén kind heeft er thuis een. Juf Gilian vraagt het meisje de beer mee naar school te nemen. Ze heeft in haar hoofd om er een leuk project mee te starten. De leerlinge neemt het beertje de volgende dag mee. Hij mag een tijdje op school blijven. ‘Hoe zullen we hem noemen?’, vraagt juf. De kinderen roepen verschillende namen: Abrahim, Ismael, Ali, Mohammed….. Al gauw zijn de kinderen het erover eens dat het ‘Mohammed’ moet worden. Want dat is de bekendste naam in hun omgeving. Veel jongetjes hebben die voornaam.

De arrestatie van Gilian Gibbons vindt op 25 november 2007 plaats, wegens een bewuste anti- islam-actie. Belediging van geloof en religie heet het. Totaal perplex verdwijnt Gilian een gevangeniscel in. Een ouder van een kind, dat thuis vrijuit over ‘de beer Mohammed op school’ vertelt, heeft de onderwijzeres aangeklaagd. Noch Gilian, noch een van de kinderen legt bij de naamgeving een link met de profeet Mohammed. Sharia-juristen vinden dat de profeet beledigd is door het geven van zijn naam aan een beer. Hoewel sommige van hen vinden dat de kinderen schuldig zijn, wordt Gilian Gibbons als eindverantwoordelijke voor het onderwijsproces veroordeeld tot 15 dagen celstraf en uitzetting uit het land. In de hele wereld wordt met verbijstering gereageerd op deze rechtsgang van dit aartsconservatieve islamitische land. Moslims in de Westerse landen nemen meteen afstand. Misschien de belachelijkheid voelend van dit optreden organiseert en regisseert de overheid grootschalige demonstraties tegen Gilian Gibbons, waarin de doodstraf wordt geëist. Onze sharia-juristen zijn dus nog mild geweest met de straf wil men zeker zeggen?  Maar in de ogen van de wereld maakt deze Soedanese regering zich alleen maar belachelijker.

Ik moet het gevoel dat mij over me komt om begripvol en sympathiek te staan ten opzichte van de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders sterk onderdrukken!

 

*  Naar aanleiding van Brabants Dagblad 27-11-2007: ‘Celstraf in zaak ‘beertje Mohammed’ en journaalbeelden van de NOS.

 

O, zo bang - 4 december 2007

Na zware regenval in juni, raast in november de cycloon Sidr over Bangladesh. Miljoenen mensen dakloos, rijstoogsten totaal vernield. Duizenden mensen omgekomen. Alles kwijt. Angst voor ziekten, gebrek aan voedsel en schoon drinkwater. Gebieden zijn moeilijk bereikbaar. Veel bewoners in het getroffen gebied verliezen gezins- en familieleden. Rouwende, getraumatiseerde Bangladeshi zijn op de televisiebeelden van de ramp te zien. Het land wordt frequent getroffen door natuurrampen. Gedurende twee minuten zien we op de televisie wanhopige mensen uitzinnig hun verdriet uiten en anderen bij hun vernielde huizen ploeteren.

Intussen zit heel Nederland ‘m te knijpen. Het KNIMI kondigt een westerstorm, windkracht 9 aan met opstuwend zeewater en metershoge golven, richting Nederlandse kust. Dijkgraven kunnen eindelijk weer eens stoer met hoge borst, leunend tegen de wind en met woest in de storm wapperende haren de dijken bewaken. En waarachtig de schotten in de Oosterscheldedam gaan uit voorzorg een dag dicht. De pers maakt een ware sensatie van deze relatief onnozele storm. Voorpaginanieuws. De volgende dag: hier en daar wat duinen en wat strand afgekalfd, een dooie boom tegen de grond gegaan, een enkele dakpan van een bouwvallig huis naar beneden gekomen. Het journaal besteedt tien minuten aan het item. Deze keer vraagt de Tweede Kamer bij uitzondering geen spoeddebat aan om na te gaan of de overheid wel goed is voorbereid op dit soort ‘natuurrampen’, die in vergelijking met Bangladesh niets voorstellen.

En o, wat worden we steeds bang gemaakt en wat laten we ons toch heerlijk onderdompelen in onze gegroeide ‘angstcultuur’. Het lijkt op het fenomeen ‘lekker griezelen’ bij kinderen. Paradoxaal: genieten van angst.

Massapsycholoog Jaap van Ginneken: ‘Nederland is nog nooit zo veilig geweest als nu. En toch zijn we met z’n allen nog nooit zo bang geweest. We leven in de illusie dat alle risico’s beheersbaar moeten zijn. Sterker nog, eisen dat alle mogelijke risico’s beheerst worden.’

Eens nagaan of mijn verzekeringen voor auto, caravan, glas, brand - en inboedel, rechtsbijstand, ziektekosten, begrafenis, reizen, ongevallen, opstal, enz. enz. wel ‘up to date’ zijn? En hoe zit het met de rampenplannen van de gemeente, de provincie in mijn woongebied? Zijn alle risico’s wel afgedekt?

In de krant van vandaag stuit ik op een rouwadvertentie van een ex-collega. Hartstilstand. Net met pensioen, van mijn leeftijd, 62 jaar

 

* Brabants Dagblad:  “Wij zijn nog nooit zo bang geweest’  17 juni 2007

 

Viespeuk(en) 8 september 2007

Zonnetje buiten, hier en daar witte wolken. Een mooie dag om een paar uur te fietsen. Fietsbroek aan, shirt, handschoentjes, sportschoenen. Helm mee, rugzak met waterflesjes, een appel, sinaasappel, mobieltje en fototoestel. Even de banden op spanning brengen en de ketting smeren. Na een klein halfuur zit ik op mijn hybride fiets en sjees met zo’n 25 km per uur over ’s herenwegen. Ik heb een route uitgezet van een kilometer of 70. In een fietsnetwerk van genummerde knooppunten: van 23 naar 62, naar 45, dan 46 en zo voort. De meeste routes lopen over fietspaden. Langs B-wegen, maar ook dwars door bossen, langs slingerende beekjes of over dijken van grote rivieren. Vandaag veel bomen en bos. Het fietspad schampt een aantal dorpen en stadjes, het loopt er als het ware ‘achterlangs’. Zonlicht en schaduw van de bomen wisselen elkaar af op het fietspad. Af en toe komt een tegenligger me tegemoet. Ik passeer enkele voetgangers en mensen die hun hond uitlaten. De temperatuur wordt steeds aangenamer. Ik geniet van de bloemen in de bermen, het vele groen van de bomen, de merels die een prachtig repertoire fluiten en soms opgeschrikt, me laat ontdekkend, een duikvlucht voor mijn voorwiel maken. Van het eekhoorntje dat vliegensvlug een boom in klimt en zich achter de stam verschuilt. Op een stukje open veld bij een beek scheert een grutto vlak over mijn hoofd, luidkeels schreeuwend dat ik bij zijn nest weg moet blijven. Koeien liggen lui te herkauwen, paarden trekken een sprintje door hun weilanden, schapen kijken vermoeid naar hun rondspringende, dartele lammetjes. Ik adem eens diep de plattelandslucht, af en toe vermengd met de doordringende ammoniakgeur van varkensstallen of de minder penetrante van koeienmest, in en verheug me op de rest van de tocht. Op de route ligt een fietscafé waar ik ga ‘aanleggen’ om een cappuccino te drinken en broodje te eten.

Met een tussen ruimte van enkele meters zijn de drie vuilniszakken gedumpt, net naast het fietspad. Eén opengescheurd: afgedankte kleren. Een ander open gepikt door kraaien of open gekrabd door katten bevat restafval. Geërgerd vraag ik met af wat dit soort klojo’s bezielt om het milieu zo verpesten. Is het aan de weg zetten of wegbrengen van de vuilniszakken te veel gevraagd? Helaas begin ik al fietsend nu te letten op andere ‘wegwerpartikelen’. Irritaties nemen toe bij het zien van de lege blikjes bier, de weggeworpen plastic waterflesjes, ijspapiertjes, lege sigarettenpakjes met vette opdruk ‘Roken is dodelijk’, hoopjes sigarettenpeuken. Met enige stuurmanskunst omzeil ik de op het asfalt liggende scherven van een kapot gegooide bierfles. En hoewel de schillen van bananen, appels en sinaasappels, zij het langzaam, verteren in de natuur kan ik er toch niet goed bij dat sommige mensen zulke viespeuken zijn. Maar het toppunt is wel de puinhoop die ik tegenkom als ik een zandweg indraai. Over bijna de volle breedte van de zandweg ligt het afval van een doe-het-zelver: lege verfblikken, gesloopte planken met spijkers, van de muurverwijderd behangselpapier, lege cementzakken, resten cement en grint, ingedroogde harde kwasten, enz. Iemand die voor honderden euro’s zijn huis opknapt, spaart enkele tientjes uit door zijn afval in de natuur te storten. Wat gun je zo iemand een forse boete. Maar de pakkans is nihil. Wat een mentaliteit!

Nijdig spuug ik mijn kauwgom tussen de brandnetels, manoeuvreer langs de puinhoop en vervolg mijn fietstocht.

 

Gewichtig 10 augustus 2007

Een griezelig anorexia type loopt langs het terrasje waarop ik een cappuccino zit te drinken. Akelige dunne beentjes, smal niet onaardig gezichtje. Van boven plat als een dubbeltje, twee erwtjes op een plank, schreef eens een mij ontschoten schrijver. Als je met zo’n meisje een dansje zou maken heb je een bundel botten in je armen. Kippenvel krijg ik ervan. En zo’n meisje leeft met het idee-fixe dat ze dik is, ze lijkt geïndoctrineerd door het heersende modebeeld.

Nee, dan die smulpapen aan een familietafel een eindje verderop op het terras. Het bekende AVRO-gezinnetje van vader, moeder en twee kindertjes, een jongen en een meisje. Harmonieuzer kan toch niet? De tafel staat volgepakt. Een halve liter bier voor pa, een zoete witte wijn voor ma en de kinderen van 7 en 9 jaar, elk een groot glas cola. Iedereen een bak Vlaamse patatten voor zich, frikadellen en kroketten op een groot bord, een frites-sausfles in het midden. Pa werkt inmiddels een dubbele uitsmijter naar binnen, ma verorbert haar laatste varkenssaté.  De kinderen roepen al om een volgende cola. De ober loopt onder het roepen dat hij eraan komt, naar binnen. Na enkele minuten verschijnt hij, neemt opnieuw een rondje drinken op, vraagt of alles smaakt en of ze er toch niet wat salades bij willen hebben. Maar de familie is niet dol op konijnenvoer. Wel willen ze zo meteen een flinke sorbet.

Ik zit dat zo eens aan te kijken. Pa heeft een enorme bierbuik, zit noodgedwongen op enige afstand van de tafel, morst daardoor steeds op zijn T-shirt en al snel ontstaat er een landschap van vetvlekken. Hij moet zeker 120 kg wegen. Ma doet iets onder voor hem, ik schat dat ze tegen de 100 kg zal zijn. Helaas worden vrouwen op iets oudere leeftijd en na het baren van kinderen erg ruim in de heupen. Deze vrouw past nauwelijks in de krappe rieten stoel, waar ze in zit. Nieuwsgierig vraag ik me af of ze straks bij het weggaan niet de hele stoel zal meenemen. Ook zij eet niet vlekkeloos: op de gele blouse die gedrapeerd ligt over haar volumineuze boezem vormen pindasausspatten een uniek patroon. En dan de kinderen. Opgeblazen gezichtjes, worstarmpjes en –benen, speklappenlijfjes nu al toe aan liposuctie. Logge bewegingen. Om medelijden mee te krijgen.

Ik bestel een tweede kopje cappuccino om te zien wat er verder gebeurt. Getoeter, een auto stopt, vlak voor het terras. Knipperlichten aan. Uitstappen … het is niet waar …. twee met vetrollen bedekte personen. Ze waggelen naar het gezin. Er wordt in de lucht gezoend, nog een hele opgave met die dikke buiken ertussen. Ik kan niet horen wat ze zeggen, maar

blijkbaar zijn het vrienden. Ze lijken een afspraak te maken. Om samen ergens copieus te gaan eten? In ganzenpas terug naar de auto, vol gas en weg zijn ze weer. De sorbets met dotten room arriveren. Die zijn in mum van tijd tot op de bodem leeg. Het gezin heeft een flinke maaltijd achter de kiezen, zou je eufemistisch kunnen zeggen. Maar ach dat fietsen ze er wel weer af, denk ik. Heerlijk in het zonnetje, net zoals ik naar dit cafeetje gefietst ben. Aan de overkant op de parkeerplaats zie ik ze echter in een grote Mercedes stappen.

Het is warm in de zon. Ik bestel een halve liter bier. Vouw de krant, die zo blijft liggen op mijn bierbuik, open.  Mijn oog valt op een toepasselijk bericht: ‘Overgewicht blijkt nu besmettelijk te zijn’*. Amerikaans onderzoek heeft aangetoond: ‘Mensen hebben grotere kans op overgewicht, als hun vrienden te dik zijn. Dan is het risico op zwaarlijvigheid, 57 procent hoger’. Allemachtig, als ik gewicht en omvang in mijn vriendenkring naga, dan moet ik deze nodig uitbreiden met een paar anorexia figuren!

 

* Brabants Dagblad 27- 07- 2007

 

Underdog 4 april 2007

Van schrik zit ik één seconde verstijfd achter het stuur. Uit een straat links stuift een sportwagen de voorrangsweg op. Het scheelt maar een haar, een bijna botsing! In een reactie geef ik een dreun op mijn claxon. De sportwagen remt af. Duidelijk zichtbaar geeft de bestuurder te kennen dat ik gek ben en steekt zijn middelvinger uit het raam. Om vervolgens ervandoor te scheuren.

Het lijkt er verdacht veel op dat hij vindt dat ik de verkeerfout maak.

 

Vandaag staat er in de krant dat een arrestant de politie heeft aangeklaagd. "Ze hebben hem in elkaar getrimd bij zijn arrestatie, beweert hij.

Op de foto is de man te zien met opgezwollen gezicht. Maar dat de man stomdronken was, zich daardoor verbaal uiterst agressief gedroeg tegenover de agenten en zich met geweld verzette, vermeldt het bericht niet. Had de man misschien zelfs al voor zijn aanhouding een pak slaag gehad? 

 

Aan dit soort voorbeelden moet ik denken als er een lamenterende Geert Wilders in de kranten verschijnt. Hij zou gedemoniseerd worden. Een term, die Pim Fortuyn ook bezigde toen hij de kritiek op zich af zag komen.

Het is verbazingwekkend dat Wilders, en velen met hem, de consequenties van eigen gedrag niet wil dragen. Andere zijn fout, niet hijzelf! Anderen gaan buiten hun boekje, anderen stappen over grenzen heen, anderen houden zich niet aan normen en waarden.

Wilders, die zo trots is op zijn vaderland, kent zijn eigen oer Nederlandse gezegden blijkbaar niet: ‘Wie kaatst moet de bal verwachten’ en ‘Wie wind zaait zal storm oogsten’.

 

Vanwaar dit gedrag? Waarom niet reëel zijn en zeggen: ‘Oké, ik heb met mijn uitspraken (of mijn acties/handelingen) zelf die reacties opgeroepen, ik draag daarvoor de verantwoordelijkheid, wat zal ik anderen dus verwijten’.

 

Kunnen mensen niet meer tegen kritiek of feedback? Ontbreekt het ze aan mogelijkheden tot reflectie, tot nadenken over eigen handelen? Is het dommigheid of gebrek aan intellect?

Zijn de lontjes te kort, zijn de tenen te lang? Werkt de menselijke geest zo dat alleen de laatste gebeurtenissen, de gevolgen, er toe doen en worden de gebeurtenissen daarvoor, de oorzaken, (gemakshalve) vergeten? Het lijkt een geweldige truc om vol emotie en sentiment de onderliggende partij te spelen door alleen de gevolgen te benadrukken.

 

Even een vraag: Heeft ex-partijleider van de PvdA, Wouter Bos, niet definitief de verkiezingen van 2006 verloren toen hij begon zielig begon te doen en te klagen over andere partijen, die hem zogenaamd te hard aanpakten? Wat mij betreft mag Geert Wilders nog veel meer klagen en zielig doen!

 

Vliegenpoepje 4 april 2007

 

Jou heb ik nooit naar de kleuterschool willen doen. Je was zo’n lekker ventje, dat ik je tussen het huishoudelijk werk door af en toe even op schoot trok om te knuffelen.

 

Mijn moeder hield van kinderen. Zelf was ze in haar jeugd kleuterjuf geweest en zij wilde mij bij zich houden tot de eerste klas van de lagere school. Ze had geluk, mijn verjaardag was na half oktober, dus voordat ik in die tijd naar school mocht was ik bijna zeven jaar.

Behalve door mijn karaktereigenschappen heeft dit trage, maar onbezorgde begin van mijn leven mij mede tot een laatbloeier gemaakt. Niet minder succesvol overigens.

 

Nu, bijna 60 jaar later, stelt de premier van ons land voor kinderen waarvan vermoed wordt dat zij een (taal)achterstand hebben met hun derde jaar naar school te sturen om taalonderwijs en voorbereidend rekenen te volgen. Natuurlijk niet hele dagen, maar in vorm vergelijkbaar met de schoolgang van de huidige 4-jarigen. Ik voorspel: "Het zal niet lang duren of alle 3-jarigen gaan naar school."

 

Geschift of geniaal? Mijn moeder zou het antwoord weten: geschift!

Kinderen zijn er om liefde en warmte aan te geven, zodat zij in de eerste vier jaar van hun bestaan een basisvertrouwen opbouwen. Kinderen moeten spelend in een veilig klimaat in de nabijheid van ouders en huis de wereld verkennen. Buiten spelen in de natuur. In het gezin en van ouders leren wat mag en niet mag en leren met anderen om te gaan. Pas na deze ‘vrije’ periode komt het gerichte leren op school aan bod. Tot ze  eenmaal opgeleid zich als volwassene in de wereld kunnen handhaven en als burger in onze samenleving kunnen participeren.

 

De premier vindt het op 3 jaar naar school sturen van (achterstands)kinderen een vooruitstrevend en noodzakelijk plan. Het gezin blijft natuurlijk een steunpilaar in de opvoeding, maar we mogen kinderen niet al vroeg in hun leven een achterstand laten oplopen, die ze volgens ‘deskundigen’ nooit meer inhalen.

En hoe zit het met het spelen in de natuur? Met al dat verkeer op straat?

Het eenvoudige leven met beperkte keuzemogelijkheden in de huidige door informatie overspoelde maatschappij is verleden tijd. We leven in een zo langzamerhand zeer complexe samenleving, waar je kinderen niet vroeg genoeg op kunt voorbereiden.

Dus toch een geniaal of op zijn minst voor de lange termijn bedacht plan? Waarbij het ‘leren’ niet naar achteren (tot 18 jaar) maar naar voren is geschoven?

 

Vraag: welke betekenis heeft zo’n vliegende start voor kinderen, als we bedenken dat mensen in het Westen steeds maar ouder worden. Een vliegenpoepje, nauwelijks van betekenis,  in een heel mensenleven?

 

Vooroordeel bevestigd?! 17 november 2006

 Passeigh de Cracia. Na anderhalf uur treinen stappen mijn vrouw en ik  bijna midden in het centrum van Barcelona uit.

Lekkere temperatuur, een echte nazomerdag.

Even lopen we onwennig in de brede straat rond, eten wat en zoeken een halte van de open dubbeldeksbussen op. We nemen een van de rode bussen die de noordelijke route door Barcelona rijdt.

Het is druk, het hele open bovendek zit vol met toeristen. Vanuit het onderste deel van de bus moeten de passagiers moeite doen om echt wat te zien van de vaak prachtige kerken, huizen en gebouwen, waar de bus langs rijdt. Ik wring me als het ware in allerlei bochten om door de laagliggende ramen van de bus iets te zien van al dat fraais. Staand is dat ondoenlijk, zittend zie je nog wat.

Terwijl we beneden in de bus wachten tot er mensen van het bovendek uitstappen, ontmoeten we een groep Amerikanen. Nou ja, ontmoeten. Een groep van vier echtparen zit en staat in het achterste gedeelte van de bus. Twee plaatsen naast een Amerikaan zijn vrij. Wij daarheen. Nauwelijks zit ik of de Amerikaan begint te ‘communiceren’.

‘Hallo, nice to meet you, how are you?’

Ik knik maar eens vriendelijk, want op deze manier aangesproken worden in bussen en treinen is in Nederland zeldzaam. Misschien met uitzondering van Brabant.

Voor ik antwoord heb kunnen geven op zijn retorische vraag, vraagt hij: ‘Where do you come from?

Na mijn antwoord. The Netherlands?’

Snel wordt hij geholpen door een vrouw uit het gezelschap: 'Amsterdam! Ah, Amsterdam!’.

En dan volgt natuurlijk de vraag waar ik in Nederland woon.

Als ik zeg in het Zuiden van Nederland, ‘s-Hertogenbosch, dan heeft hij geen idee waar dat ligt.

Einde communicatie. Plicht vervuld. Repertoire uitgeput?

Ik heb het gevoel dat er zonder enige echte interesse een aantal standaardvragen gesteld zijn. Zo hoort dat blijkbaar in Amerika. Luisteren en doorvragen waaruit belangstelling voor de andere persoon naar voren komt, zijn afwezig.

Maar verschilt dat nu erg veel van hoe wij dat doen: ‘Hoe gaat het?’ of het Franse ‘Ça va? Verwachten ook wij niet een ‘Goed’of ‘Très bien’? Zijn wij evenmin echt geïnteresseerd in het antwoord?

En zou ik weten waar hij vandaan kwam als hij ergens in Virginia een plaats noemde?

Ik weet al niet eens waar Virginia ligt in de USA. Boter op mijn hoofd?

Ongetwijfeld, maar toch heb ik het gevoel dat er iets niet klopt in contacten met Amerikanen. Lichaamstaal, houding? Paradoxaal aan wat zij vragen en zeggen?

Bij de volgende halte kunnen we naar het bovendek. In die tussentijd hebben de Amerikanen geen enkele belangstelling voor de omgeving, ze kijken niet naar buiten. Hoe blijf ik slank of op zijn minst op een goed gewicht lijkt hun enige zorg. Volkomen op elkaar gericht wisselen zij allerlei ‘waarheden’ over gezonde voeding en eetgewoontes uit. Het verpakte mueslireepje dat een vrouw tevoorschijn tovert leidt tot een minutenlange discussie.

Verbaasd vraag ik me af of je daar nu voor naar Barcelona komt.

Op het bovendek genieten wij van de prachtige stad. We komen langs alle grote

bezienswaardigheden zoals Sagrada Familia, de wijk Cracia, bijzondere kerken en kloosters, universiteit, stadion FC Barcelona, de Via Diagonal, place Catalunya.

De Amerikanen zien we niet meer terug, laat staan dat ze naar het bovendek komen. Niet eens om ons hun, helaas ook in Nederland ingeburgerde ‘Have a nice day’ toe te wensen.

 

Waar is de andere partij? 14 juli 2006

Een alarmerend artikel in het Brabants Dagblad van begin juni 2006. Kort door de bocht: een kwart van de Nederlanders is racist en de helft van de Nederlanders is negatief over de Islam. De Gemeenschappelijke Persdienst (GPD) liet een representatieve enquête uitvoeren onder 1020 Nederlanders. De focus van het onderzoek ligt uitsluitend bij mening en gedrag van de Nederlanders. Maar waar is de andere partij?

 

Irritatie

Maar liefst vijf keer komt het onderzoek ter sprake in de krant van 3 juni 2006. Op de voorpagina van het Brabants Dagblad staan twee artikelen over het onderwerp, op de tweede pagina nog eens twee plus een redactioneel commentaar. Kop van het hoofdartikel: ‘Kwart heeft afkeer van allochtonen’. Andere koppen: ‘Intolerantie funest voor samenleving’, ‘Ze hebben schijt aan onze maatschappij’ en ‘Islam heeft in Nederland een heel slecht imago’.

Kernpunten uit de verschillende artikelen waarvan inhouden elkaar vaak overlappen: Nederland is intolerant geworden. Wat vroeger gedacht werd, wordt nu ronduit gezegd.

Betreffende journalisten schrijven daar in afkeurende zin over in de trant van ‘schande Nederlanders’. Ongeveer 25% wijst allochtonen keihard af, is racistisch. Allochtonen worden beoordeeld op gedrag van een zeer kleine groepering die wij rechtse, extremistische Islamisten zouden noemen. De Islam is geen vredelievende godsdienst vindt de helft van de Nederlanders. Nederland is xenofoob geworden, het koloniale denken ‘wij zijn superieur’ is weer terug, vooral in het denken van rechts extremistische Nederlanders.

Na het lezen van de artikelen groeit mijn ergernis over het enorm opblazen van een onderzoek waarvan de gegevens overeenkomen met die van eenzelfde onderzoek uit 1970. Er is niets nieuws onder de zon en toch wordt het gepresenteerd als groot nieuws. De vraag is of een representatieve steekproef  in welk ander (Westers) land dan ook niet ongeveer dezelfde resultaten opgeleverd zou hebben. Horen vormen van vreemdelingenhaat niet bij de mensheid? Zit het in de biologie van de mens verankerd? Niet dat daarmee racisme goed te praten is, maar het relativeert zo’n onderzoek wel. Irritatie dus over de weinig genuanceerde berichtgeving. Welke vragen zijn er gesteld? Zijn ondervraagden daardoor ‘gestuurd’ bij hun beantwoording?. En waarom trekken journalisten bij voorkeur conclusies die negatief van aard zijn. Een lezer van de krant vraagt zich de volgende dag af waarom de kop van het hoofdartikel niet luidde: ‘Ruime meerderheid heeft niets tegen allochtonen’. Het lijkt erop dat Nederlanders alleen de schuld hebben aan de beroerde integratie van allochtonen en dat allochtonen opnieuw in de slachtofferrol gedrukt worden i.p.v. als serieuze medeburgers worden gezien. Is dat nu politiek correcte denken? 

 

Anti-Westerse cultuur

Veel in het GPD-onderzoek richt zich op moslims in onze samenleving. In het vervolg van mijn relaas bepaal ik me tot die groep allochtonen. Met enige interesse las ik kortgeleden het al wat oudere boek van Joris Luyendijk ‘Een goede man slaat soms zijn vrouw’. Een jaar lang verblijft Luyendijk in het kader van zijn studie Arabisch in Egypte. Hij probeert daar vrienden te worden met andere studenten van de universiteit van Caïro. Dat lukt hem maar gedeeltelijk. Met zijn beschrijvingen en conclusies geeft hij een beeld van hoe de gewone Egyptenaar leeft en denkt. Behalve dat Egyptenaren net zo hypocriet zijn als Europeanen wat onder meer hun seksuele moraal en religieuze tradities betreft, is er één punt in hun socialisatie zeer opvallend: ze worden anti Westers opgevoed. Gevoed door religieuze interpretaties van de Koran zijn mensen uit het Westen zondige, minderwaardige mensen, tegen wie je mag liegen, die je mag bedriegen, zelfs als ongelovigen mag doden, vinden de extremistische Jihad-terroristen.

Het beeld dat Luyendijk schetst is niet uniek voor Egypte, het heerst ongetwijfeld in andere Arabische landen. Kortom: de anti Westerse propaganda wordt door moslims als deel van hun cultuur ervaren, als ‘de’ waarheid beleefd en gevoeld. Hoe lang werkt dit door, ook al wonen en werken moslims al generaties in Westerse landen? En ligt hier ook niet een kiem voor het terrorisme van moslim jongeren die, op zoek naar hun identiteit, zich bekeren tot fanatieke, religieuze stromingen van de Islam?

Ik las nog een ander boek, volkomen in lijn met deze cultuur die het Westen minacht. ‘De terroristen jaagster’ van Rita Katz. Deze jodin die hals over kop uit Irak gevlucht is toen haar vader volkomen ten onrechte tijdens het regiem van Saddam Hoessein als zionistische spion met een aantal andere Joodse mannen werd opgehangen, kwam na jaren in Israël gewoond te hebben, uiteindelijk met haar gezin in Amerika terecht. Via verschillende banen komt ze bij een bureau terecht dat de activiteiten van o.a. Islamitische Liefdadigheidsorganisaties onderzoekt. Ze is het Arabisch machtig, leest Arabische tijdschriften, brochures, e.d. en volgt Arabische zenders. Dat gecombineerd met alle openbare gegevens uit databanken, die ze minutieus uitpluist, brengt haar tot het inzicht dat talloze Islamitische Liefdadigheidsorganisaties in Amerika gigantische bedragen ophalen en deze besteden aan terreurorganisaties zoals Hamas en Hezbollah. Vanuit deze fondsen worden later waarschijnlijk ook de terroristische acties van Al Qaïda en Takfir gefinancierd. Katz is regelmatig volledig gesluierd aanwezig op conferenties over de Islam, waar Arabische intellectuelen uit binnen- en buitenland sterk anti-Westerse speeches en lezingen houden, mensen rekruteren voor de Jihad en veel geld ophalen. Lang voor 11 september 2001 waarschuwt zij met haar bureau voor het gevaar van aanslagen in Amerika. Door zinloze competentiestrijd van verschillende FBI-afdelingen onderling, tussen FBI en CIA en andere instanties als de douane, vreemdelingenpolitie en het niet luisteren naar particuliere bureaus als die van Katz zijn deze waarschuwingen nooit serieus genomen. Misschien zou je kunnen zeggen dat de aanslag op de Twin Towers door de Amerikanen zelf gefinancierd is, via de in Amerika actieve Islamitische liefdadigheidsorganisaties.

 

Twee partijen

Natuurlijk zijn vooroordelen en is racisme van Nederlanders t.a.v. allochtonen verwerpelijk. Maar evenzeer zijn dat de vooroordelen van soms al generaties lang in het Westen wonende allochtonen t.o.v. de Westerse cultuur. Hopelijk leidt het GPD-onderzoek tot discussie tussen autochtonen en allochtonen. Want er zijn twee partijen in het geding, die elk hun bijdrage zullen moeten leveren aan een multiculturele samenleving. Allochtonen zouden zich bewust moeten worden/zijn van de in hun cultuur verankerde anti-Westerse mentaliteit. En zich daartegen verzetten als ze in het Westen willen leven. Vooral allochtone jongeren die minder belast zijn met de tradities en cultuur van hun ouders kunnen de cirkel doorbreken.

Een hoopgevende ontwikkeling is de folder van een Tilburgse moskee van de salafistische stroming, een soort ‘zwarte kousenkerk’ van de Islam. De salafisten worden aangemerkt als grondleggers van de Moslim Brothers, de organisatie die later vertakkingen van terroristische groeperingen als Al Qaïda en Takfir voortbrengt. Maar in principe is het een sterk orthodoxe groepering die zich niet met terrorisme bezighoudt. De folder verwerpt zelfmoordaanslagen en beargumenteert dit aan de hand van algemeen geaccepteerde teksten uit de Koran. De bij moslimjongeren populaire moskee probeert zo de radicalisering van deze jongeren te voorkomen. Een ‘eerste’ zinvolle actie uit eigen gelederen, hopelijk nog lang niet de laatste.

 

Bronnen:

  • Brabants Dagblad  van 3 en 4 juni 2006
  • Rita Katz – De terroristen jaagster – Zilver pocket – ISBN 90 417 6108X NUR 406
  • Joris Luyendijk - Een goede man slaat soms zijn vrouw – Rainbow Pocket

ISBN 90 417 01516 NUR 320/508

 

 

Ode aan de dode 8 mei 2006

Honderdvijftien is ze geworden. Ze was eens de oudste van Nederland. Tot haar laatste dagen was ze nog zeer bij de pinken, zich bewust van het feit dat ze ieder moment kan sterven. Daar was ze niet bang voor: ‘Ik leef al zo lang in reservetijd’. Lichamelijk bleef ze opmerkelijk fit voor haar leeftijd en ze vond dat haar tijd gekomen was. In haar slaap is ze vredig overleden. Boven verwachting had ze lang geleefd.

 

Op 91e jarige leeftijd stierf moeder. Na een lang en veelal oppervlakkig leven. Geveld door ouderdomskanker, die zij in haar laatste levensjaren niet wenste te laten behandelen. Dit tot ontsteltenis van de specialisten die al een lang chemobehandelingstraject hadden klaarliggen. Deze frivole vrouw, die niets meer te verliezen had en niets meer ‘hoog te houden’, ze veranderde op 89-jarige leeftijd nog van 16-jarig meisje in een wijze oude vrouw. Moest ze zo lang leven om die ‘move’ te maken? Haar dood is verdrietig, maar in lijn met de verwachtingen.

 

Zestig jaar was hij, mijn ex-collega. De ene dag stond hij nog voor de klas, de andere dag lag hij thuis opgebaard. Een hartstilstand. Een prachtige dood voor hem. Vreselijk voor de achterblijvers. Veel te jong is hij gestorven. Hij wilde nog zoveel, zat vol idealen. Zijn leerlingen en collega’s waren dagenlang van slag. Plotseling, onverwacht werd hij uit het leven weggenomen. Hoofdoorzaak longkanker. Geen wonder: hij rookte als een ketter. In die tijd waren de fatale gevolgen van het roken nauwelijks bekend.

 

De zenuwenbaan met grote verantwoordelijkheid droeg bij aan het ziek worden. Hij had te veel hart voor de zaak, was te serieus, had te veel stress, was een workaholic. Hij was uitgeteerd. Toen hij zijn laatste adem uitblies. was er slechts een skelet van deze forse man over, mijn vader. Drie en vijftig jaar. Was de missie volbracht? Niemand verwachtte dat hij zo vroeg zou gaan. Voor mij betekende het een groot gemis. Deze empatische, gevoelige man die sterk met zijn tijd meeleefde, leefde voor mij te kort. Nooit heb ik diepgaande gesprekken met hem kunnen voeren. Dat lag aan het tijdsgewricht, de afstand tussen ouders en kinderen, mijn leeftijd, mijn (en misschien zijn) verlegenheid en onvermogen over gevoelens te praten.

 

Hoe onrechtvaardig is dat! Waarom krijgt een jong mens een hersentumor?  Dat druist in tegen het ‘normale’ leven, waar ouders eerder horen dood te gaan dan hun kinderen. Mijn neef stierf op een absurd vroege leeftijd. Slechts 39 jaar is hij geworden. Twaalf jaar na de constatering van de dodelijke tumor in zijn hersenen gaf hij de geest. Operaties, bestralingen en chemokuren lieten hem nog die tijd in - zoals hij het zelf noemde in ‘blessuretijd’ - leven. Mysterie van leven en dood. De ‘waarom-vraag’. Waarom treft zo’n energieke, levenslustige, hardwerkende jongeman een dergelijk lot? En wat bezielt hem om toch een zo normaal mogelijk leven te leiden? Om vanuit de positie van de overwinnaar van zijn ziekte een gezin te stichten? Neen, de drift tot voortplanting en door je kinderen voortleven kan niet alleen de drijfveer zijn. De mens is heel wat meer dan een biologisch reagerend zoogdier. En zijn vrouw, wat had ze een lef om met een vermoedelijk, uiteindelijk ten dode opgeschreven echtgenoot in zee te gaan. Samen met hem kinderen te krijgen. Het is wonderbaarlijk, een wonder? Voor me zie ik het reguliere levensloopplaatje van de mens: geboorte, baby, kleuter, schoolkind, adolescent, volwassene in de kracht van zijn leven, volwassene langzaamaan op weg naar het afnemen van zijn krachten, bejaarde, sterven. Mijn neef haalde nooit de fase van de volwassene in de kracht van zijn leven, ondanks zijn steeds verwoede pogingen na zijn hersenoperaties. Tot zijn grote teleurstelling, maar zijn fysiek grote ongemak brak hem vaak mentaal.

Als het leven een spel is, met regelmatig te verwerken teleurstellingen en verlies, maar ook overwinningen, vreugde en geluk, waarom zijn de regels dan zo verschillend voor iedereen? Hoe bitter is dan die vroege dood van mijn neef!

Zal de mensheid ooit het raadsel van leven en dood ontrafelen? Hoe paradoxaal het ook klinkt, hopelijk nooit!

 

Valse beloning 17 april 2006

Met mijn kipkroket en slaatje ga ik in de kantine bij Ad zitten. Hij ziet er bleek en afgetobd uit. Onvoldoende slaap? Ik weet dat hij voor de tweede keer vader is geworden.

‘Moe Ad? Huilt de baby ’s nachts veel?’

‘Nee hoor, Evelientje slaapt ’s nachts al lekker door. Geen klagen dus. Dat was met Sander, onze oudste, wel anders.’ Als hij zijn kopje koffie optilt, trilt zijn hand.

Ik ken Ad al jaren, vraag door: ‘Je ziet er niet best uit, hoe komt dat?’

Ad zucht: ‘Sinds Sander is geboren rook ik thuis heel bewust alleen nog in de tuin. Nu bij Evelientje wil ik echt stoppen. Ik ben nu twee weken bezig, met kauwgom, magnetische pleisters. Boek van Carr gelezen. Maar ik voel me geregeld knap beroerd. Afkickverschijnselen, denk ik. Maar ik zet door! Ik ben toch zeker sterker dat die rottige nicotineverslaving’, spreekt hij zichzelf moed in.

Evert komt aan ons tafeltje zitten. Een stinkende walm van sigarettenrook hangt als een kamerjas om hem heen. Ik zie Ad snuffen en nog witter wegtrekken.

Tegen Evert zeg ik: ‘Je bent laat, de pauze is zo om’.

‘Ach ja, ik moest aan mijn verslaving toegeven. Buiten drie sigaretten gerookt. Op mijn werkplek kan dat sinds Joke er ook zit, niet meer’.

‘Drie sigaretten in tien minuten?’

‘Ja, er nog even van genieten. Binnenkort ga ik een maand stoppen met roken. Kan geld opbrengen.'

‘O, vast, spaart flink wat dure pakjes sigaretten uit, je hebt zo een kapitaaltje bij elkaar’.

‘Nee, dat bedoel ik niet. Heb je het dan niet in de krant gelezen? Het kankerfonds schrijft een wedstrijd uit. Rokers die een maand stoppen, kunnen € 100,- winnen. Start op 1 mei, einde op 31 mei, op Wereld-Niet-Rook-Dag. Controle van je urine als je in de prijzen valt, want je zou kunnen sjoemelen. En het advies is: zoek een buddy om je te steunen. Ad, ik wil je vragen mijn buddy te worden, je bent toch gestopt met roken?’

Ad krimpt in elkaar, de weerzin is van zijn gezicht te lezen. Elke confrontatie met dit overgevoelige onderwerp wil hij vermijden.

Ik denk terug aan mijn eigen stoppen met roken en de keuze van Ad. Wij hadden geen buddy’s. Nodig voor aids-patiënten, maar voor rokers die stoppen? Wij waren op eigen wilskracht en doorzettingsvermogen aangewezen.

Vertwijfeld vraag ik me af hoe ver we in onze maatschappij willen gaan om normaal gedrag financieel te belonen?

Omdat je niemand beroofd hebt deze week verdien je € 50,- Omdat je in de tram opstaat voor die negentigjarige mevrouw: € 25,- Omdat je de brommer van rechts voorrang gegeven hebt: € 15,- Omdat je gewoon naar school ging van de week, een bonus van € 20,-  Omdat je geen rommel op straat gegooid hebt: € 12,-

Geld lijkt nog de enige bron van motivatie. Waarom staat de vraag ‘wat schuift het?’ zo centraal? Waar zijn die aai over de bol, dat schouderklopje, die waarderende opmerking en positief stimulerende reactie gebleven? Of is dat tegenwoordig ‘not done’, ouderwets?

 

Jong van hart * 17 april 2006

‘Nee opa, sodemieter op, geen Netwerk op de t.v., ik ben met een spannend computerspel bezig’. Mijn 14-jarige kleinzoon commandeert mij, zijn opa, naar de plaats waar hij hoort. Waar hoor ik?

Tsja, boven de 65 ben je oud. Een afgeschreven en seksloos wezen. Je huid raakt verkreukeld. In de ogen van jongeren ben je lelijk. En meteen twijfelen ze aan je geestelijke vermogens. Bovendien ben je minder gezond, laten de zintuigen het geleidelijk afweten. Leesbril, 

oorapparatuur, steunkous. Regelmatig ziek. Waardeloos voor de maatschappij. Een potverteerder, die de reserves van de samenleving opgebruikt, terwijl jongeren de kost voor ouderen verdienen. Moet niet te lang blijven leven.

Mijn buurvrouw van 70 jaar hoort me aan. “Ach, trek het je niet aan, het joch is in de pubertijd. De jeugd van tegenwoordig, je kent ze toch? Ze zijn mondiger en grover in hun taalgebruik. Dat hoort bij deze tijd”.

Het volgende kwartier brengt ze verslag uit van al haar kwalen. Reumatische handen, opspelende maag, obstipatie, ogen die slechter worden. Ik luister maar half, denk intussen: Kwalen? Het lichaam doet het inderdaad wat minder dan vroeger. Minder gezond? Onzin, ik fiets elke week meer dan 150 km, ik eet gezonder en minder haastig, heb geen stress meer. Ik verveel me nooit, lees, schrijf, klus, computer, doe vrijwilligerswerk. Met mijn vrouw maak ik verre reizen, breng maanden door in voor- en najaar in warme landen. Onderhoud mijn relaties met vrienden en kennissen beter dan voorheen. Heb tijd en aandacht voor de kleinkinderen. Ik voel me gezond en nog heel jong van hart.

Buurvrouw Loes is nog steeds aan het woord: ‘……ik zorg dus elke dinsdag en donderdag voor mijn kleinkinderen Jantje en Roos. Zo ben ik nog ergens goed voor!’ Door die laatste opmerking valt bij mij het kwartje.

Mijn god, zij gelooft er zelf in. In het beeld van zielige, eenzame, seniele oudjes waartoe onze samenleving ons veroordeelt. In het stereotype dat in onze cultuur alleen jeugd, seks, schoonheid, vitaliteit van jonge mensen telt. In het vooroordeel dat ouderen nergens meer toe dienen, waardoor ze in de slachtofferrol gedrukt worden en meer een last dan lust zijn voor de gemeenschap. En een samenleving die er nota bene in slaagt ouderen daarin zelf te laten geloven!

Ik bedank mijn buurvrouw voor de koffie, loop naar huis. Als een gek zit kleinzoon Joris op de knoppen te drukken van zijn game-afstands-bediening. Resoluut loop ik naar de televisie, druk de UIT knop in. Verontwaardigd roept kleinzoon enkele krachttermen, begint mij uit te schelden. Ik kijk streng en boos, steek mijn hand op -‘STOP’- als hij weer wil schelden en druk hem terug in zijn stoel als hij kwaad wil weglopen. ‘Wij gaan eerst met elkaar praten’, deel ik Joris mee. Ik ga pal tegenover hem zitten, ontsnappen is voor hem niet meer mogelijk.

Na anderhalf uur, veel langer dan ik verwachtte, vraagt Joris met twinkelende oogjes, verbaasd en nieuwsgierig: ‘Heb je dat allemaal gedaan in je leven? En heb je dat vorig jaar beleefd? En..en..’stottert hij, even is hij weer kind in plaats van machopuber, mag ik dan een keertje mee op reis?

 

* Column naar aanleiding van het boek “Het Methusalem complot” van Frank Schirrmacher. Uitgeverij Byblos te Amsterdam. ISBN 9058473201 NUR 741.

 

Alarm in het veld 31 maart 2006

 Een stralende dag. Eindelijk, na een grijze, grauwe winter. Fiets gepakt, naar de stacaravan op de nabijgelegen camping. Tuinstoelen op het terras gezet, muf ruikende kussens erin. In de al warme lentezon kijk ik de van huis meegenomen post door. Rekeningen, een fraaie reiscatalogus, de zoveelste fabelachtig goedkope aanbieding van weer een zorgverzekeraar (hoe komen ze toch aan mijn adres?) en een brochure (wat is dat nou?) van de overheid ’Wat wordt er gedaan tegen terrorisme?

 

En wat kunt u doen?

Mijn eerste associatie: niet weer dat blokhoofdengedoe uit de periode van de Koude Oorlog? Toen betrof het preventieve maatregelen voor het geval er een kernbom op Nederland gegooid zou worden. Toentertijd was het ook: wat moeten burgers doen en hoe organiseren we dat het dagelijkse leven weer hervat kan worden.

Weinig mensen namen de overheidsmaatregelen serieus.

Ze beschouwden een kernexplosie als fataal, het einde van hun bestaan. En nu dat terrorisme?

 

Ik mik de post in het gras, schakel om. Ik ben hier heen gegaan om te genieten. Ik adem de plattelands lucht in, laat het prachtige uitzicht op akkers en bossen op me inwerken, hoor het kabbelen van de snelstromende beek en zie in een flits het blauwe ijsvogeltje voorbij vliegen. Hoog boven me cirkelt een buizerd, hoge kreten uitstotend. Ik koester me in de warme zon, zet mijn stoel in ligstand, dommel weg.

Met een schok schrik ik wakker uit mijn hazenslaapje. Sirenes van politie- en brandweerwagens gieren langs de camping. Hoor ik ook een ambulance? Nieuwsgierig haast ik me naar de weg waar de camping aan ligt. Bij het tuincentrum ‘Bos en Ven’, 500 meter verderop, zie ik zwaailichten. Een groepje dorpsbewoners en cliënten worden op afstand gehouden. Normaal gesproken komen klanten in kleine aantallen planten kopen in het zeer rustige tuincentrum, dat midden in de bossen en weilanden ligt. De anders zo norse en weinig spraakzame eigenaar staat druk gebarend tussen de toegestroomde mensen. Hij voert het hoogste woord. Ik vang op dat hij een weekendtas tussen zijn zomerplanten ontdekt heeft. Die stond er al de hele dag. Niemand kwam de tas ophalen. Verdacht, verdacht! Dus belde hij 1-1-2.

In de regionale krant staat de volgende dag een berichtje over loos alarm in het tuincentrum.

 

Ik kijk de overheidsbrochure nog eens door. Daar staat een alinea:

 

‘Wat is verdacht?’

 

‘Het is moeilijk in het algemeen te zeggen wat verdacht is en wat niet. Dat hangt af van de situatie. Een aantal voorbeelden:

 

Ziet u een achtergelaten koffer op een trein- of metroperron, dan kan dat verdacht zijn. Waarschijnlijk was iemand vergeetachtig en is er niets aan de hand. Toch is het beter om meteen een medewerker van het openbaar vervoer te waarschuwen of de politie te bellen’.

 

Ik vraag me vertwijfeld af: blokhoofdengedoe, het veroorzaken van gekte en opgefokte angst? Is het middel erger dan de kwaal?

 

Een land van uitersten Februari 2006

Veel Nederlanders hebben een zwak voor Indonesië. Er liggen gevoelsmatige banden met de ex-kolonie.

Dat geldt niet alleen voor de Nederlanders die in dat land geboren zijn of die van afkomst Indonesisch zijn.

Ook ik boekte een reis: Sumatra, Java, Bali. Ruim dertig dagen. Een impressie.

 

Gedisciplineerde chaos

Vertrokken om 11.00 uur vlieg ik ’s middags om half vier de nacht in, om er acht uur later weer uit te vliegen.

In Singapore is de volgende dag al aangebroken. We gaan door naar Medan op Sumatra. Vanuit het vliegtuig lijkt deze stad  één bonk roest. Overal zie je geoxideerde golfplaten daken in een stad met 3 miljoen inwoners.

Buiten het vliegveld staat een oude bus die ons naar het hotel rijdt.

Voor het eerst op de weg in Indonesië beleef je spectaculaire momenten .

Links rijden is al griezelig, maar bij een voortdurende verkeerschaos kom je ogen te kort en ik sta doodsangsten uit. Auto’s, duizenden brommers, vrachtwagens, bussen, fiets- en bromfietstaxi’s, paard en wagen, zelfs voetgangers, alles krioelt door elkaar.

Voor in de bus gezeten zie ik het ene bijna-ongeluk na het andere op me afkomen. Onwillekeurig sluit ik af en toe mijn ogen.

En toch, tijdens de gehele reis heb ik geen enkel ongeval gezien.

Ondanks dat er vrijwel alleen tweebaanswegen zijn, waar inhalen gevaarlijk is, haalt iedereen als er maar even een gaatje is in.

Vrachtwagens en bussen hebben bijrijders die de chauffeurs helpen bij alle verrichtingen op de weg.

Als de bus een vrachtwagen begint in te halen, terwijl op 200 meter een tegenligger in aantocht is,

steekt de bijrijder zijn arm uit het raam en gebaart de vrachtwagen naast de bus vaart te verminderen.

Intussen zwaait hij door de voorruit naar de tegenligger om hem te laten afremmen ( terwijl die allang geanticipeerd heeft door langzamer te gaan rijden).

Net op tijd voegt de bus in en rijden de wagens zonder problemen langs elkaar.

Geen poeha, geen middelvingers, geen agressie, soms wat opflikkerende koplampen ter waarschuwing of een gebruikmaking van de claxon. En hoe chaotisch het verkeer zich ook beweegt, iedereen houdt ‘gedisciplineerd’ rekening met de andere verkeersdeelnemers. Is dit volksaard of is er nog zoveel gemeenschapsgevoel dat de discipline een tweede natuur is?

 

Straatverkoop

Indonesië is een ontwikkelingsland, een lage lonen land. Alles is er in de ogen van de Europeaan spotgoedkoop, behalve wijn en sterke drank.

Een Indonesiër betaalt 80% minder voor kleding, sieraden, voedsel, DVD’s, enz in vergelijking met een Europeaan.

Al voor € 0,10 tot € 0,50 koopt een Indonesiër een rijstmaaltijd op straat.

De meeste Indonesiërs eten drie keer op een dag rijst.

In elke stad rijden straatkarren met etenswaren rond.

De één met rijst en gehaktballetjes, kip of rundvlees als hoofdmaaltijd, de andere met mie en vis, een volgende met fruit, ijs of allerlei drankjes.

Is er geen geld voor een kar, dan hangen er twee vierkanten blikken met de etenswaren aan de uiteinden van een bamboestok over de schouder van de verkoper. Als bij de koelies op de ‘oude’ schoolplaten.

De karretjes en blikken bevatten als het om rijstmaaltijden gaat, een compartimentje waar gloeiende houtskool in ligt om het eten warm te houden.

De meeste straatventers zijn arm, hebben geen kapitaal om een wagentje of voedsel aan te schaffen.

Ze krijgen alles van een baas. Van de dagopbrengst mogen ze 20% zelf houden.

Dit principe geldt voor alle verkopers. Of ze nu kleding, benen lepels, kaarten, pennen, vliegers, horloges, houtsnijwerk, sieraden, of wat dan ook maar verkopen, ze mogen een vijfde deel als inkomen houden.

En dat is geen vetpot in het huidige Indonesië. De dip in de wereldeconomie, de corruptie, de enorme terugloop in het toerisme (smerig milieu, bomaanslagen), de werkloosheid, de sterk gestegen olieprijzen (de benzineprijs is verdrievoudigd), maken dat het land er economisch slecht voor staat.

Als je op straat of in winkeltjes langs de weg koopt, is het afdingen geblazen, want aan de toerist worden tienvoudige bedragen gevraagd van wat goederen kosten. Afdingen zien handelaren als een sport.

Maar soms gaat het om zulke kleine bedragen dat ik dan het schaamrood naar mijn hoofd voel stijgen.

Iedere Indonesiër lijkt wel een handeltje te hebben om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.

Langs wegen staan op de meest onwaarschijnlijke plaatsen stalletjes met goederen uitgestald om toch maar iets te verdienen. Veel fruit.

Overal waar toeristen zijn, worden zij omzwermd door verkopers die meestal heel aardig, maar opdringerig hun koopwaar proberen te slijten. Soms zijn verkopers ronduit agressief, met een averechts effect. Maar over het algemeen blijven zij buiten de vervoermiddelen, buiten de winkels en hotels en spreken ze je aan op de openbare weg.

In Indonesië zijn Chinezen vaak succesvolle bezitters van grote winkelcentra, restaurants en hotels.

Veel Chinese families behoren tot de rijken van het land. In plaats van de overheid is deze groep echter af en toe het mikpunt als er onlusten zijn naar aanleiding van prijsverhogingen en inflatie.

 

Volksaard

Indonesiërs lopen niet de hele dag met een glimlach op hun gezicht. Maar maak je contact dan is die lach of glimlach er al gauw. Vriendelijkheid, een zekere mate van bescheidenheid, een omzichtige openheid zijn kenmerkende eigenschappen.

Jammer genoeg zien kinderen in de kampongs en ook handelaren toeristen als wandelende portemonnees. Stinkend rijk, die moet je wat aftroggelen.

Elk contact op straat begint met: “Hallo, how are you? What is your name?”

Dat irriteert, omdat achter elk gesprekje dat je voert altijd de commercie opduikt: ik wil wat aan je verdienen! Voor wat hoort wat. Elk gesprekje kost zo geld.

Maar zou je niet hetzelfde doen als je daardoor je familie te eten kunt geven? En zijn wij als Westerlingen met ons kapitalisme en materialisme niet zelf de oorzaak van dit gedrag?

Op een middag bij het Tobameer in Sumatra lopen mijn vrouw en ik rond in het nabijgelegen dorp. Vier middelbaar scholieren op mountainbikes rijden ons achterop. Ze stappen af en beginnen een praatje. Eerst om wat ‘money’ te krijgen, maar al gauw raken ze geïnteresseerd in ‘die blanken’. Hoe leven die in Europa?

Bovendien is het een mooie gelegenheid om Engels te oefenen, dat op scholen in Indonesië wordt gegeven als wereldtaal.

Ze zitten op het voortgezet onderwijs en lopen stage, vanuit hun school in Medan, in hotels.

De jongens stellen zich voor en willen onze namen weten. We wisselen uit hoe het onderwijssysteem werkt in hun en ons land. Ze zijn geïnteresseerd in ons geloof en hun mond valt open als we zeggen dat we dat niet hebben. Maar dat je een goed mens kan zijn zonder iets te geloven, is na enig praten volgens hen misschien mogelijk.

We leggen uit dat we welgesteld zijn, maar dat alles in ons land duur is, dat onze welvaart relatief is.

We komen samen tot de conclusie dat zij en wij behoren tot de middenklasse van onze landen.

De jongens hebben moderne kleding aan, mountainbikes, horloges en zelfs een mobiele telefoon van recente datum. Natuurlijk moeten we met hen op de foto, zo vaak komen ze geen Europeanen tegen, waarmee ze een praatje kunnen maken.

Het lukt vaker om zonder bijbedoelingen met gewone mensen te praten. Ciska, serveerster in een van de hotels, vertelt dat ze heel hard moet werken voor haar  € 25,00 per maand.

Ze heeft dan wel kost en inwoning, maar is van ’s morgens vroeg (06.00 uur) tot ’s avonds (22.00 uur of later) in touw.

Het huis van haar ouders bestaat uit één ruimte: woonkamer, keuken, slaapkamer. Het komt goed uit dat ze in het hotel slaapt en eet. En een deel van haar inkomsten gaat naar haar ouders.

Op Bali rijden we met Steven, de chauffeur die we een halve dag hebben ingehuurd om ons het gewone Balinese leven te laten zien.

De locale markt bijvoorbeeld, het kunstpark, plaatselijke warenhuizen, zilversmeden, houtsnijwerkers, beeldenmakers. Nergens zijn toeristen te zien. Met hem praat ik over van alles, de bomaanslagen, terroristen, welke desastreuze gevolgen die hebben gehad voor winkels, toeristencentra. Hij vertelt dat hij het met € 100,- per maand kan redden met vrouw en kind, maar dat het uitkijken geblazen is.

Het inkomen van de jongste winkelmeisjes is maar € 10,00 per maand. In veel winkels zie ik meer personeel dan klanten lopen. Hij zegt dat hij jaren geleden verbaasd stond toen hij door toeristen in aanraking kwam met homofielen. Dat hij voor die tijd geen besef had dat er homo’s bestonden, dat dit in zijn cultuur volkomen wordt doodgezwegen. 

 

Eli, afkomstig uit Jakarta, is reisleidster en gids tijdens onze reis. Zij zit vol humor en is een bron van informatie over gebruiken en gewoonten van de Indonesische bevolking. Ook zij spreekt onverbloemd over de problemen waarmee haar land te kampen heeft.

 

Religies

Nederlanders gelden als een tolerant volk, de Indonesiërs zijn dat ook. Vele godsdiensten in dit land leven al eeuwen vreedzaam samen. Hindoeïsme, Boeddhisme, Christelijke geloven, de leer van de voorvaderverering (Chinezen) en de hoofdreligie, de Islam.

Deze laatste godsdienst wint terrein, maar wordt op een milde manier beleden. Anders dan wel eens het geval is in de Arabische wereld. Toch heeft de massale bouw van moskeeën in steden en dorpen, waarvoor midden op wegen vernauwingen worden aangebracht om bij de langskomende voertuigen geld op te halen, voor westerlingen iets benauwends. Vooral als het gaat om moskeeën die soms niet verder dan 500 meter van elkaar gebouwd worden.

Het straatbeeld wordt maar gedeeltelijk bepaald door gesluierde vrouwen. Het hangt van de regio af en lang niet alle Indonesische vrouwen dragen hoofddoeken. Maar voor ons Europeanen is het toch wel een vreemd gezicht als een baby al volledig gesluierd op de arm van de moeder wordt gedragen. Dat zijn echter uitzonderingen.

Geloven worden niet zonder bijgeloven uit vroegere eeuwen beleden. Bataks hebben het christelijk geloof overgenomen, maar geloven nog steeds in een boven, midden en onder God, die het goede, normale en duistere vertegenwoordigt. Zo is de Islam op Java beïnvloed door het Hindoeïsme dat voorheen de hoofdgodsdienst was. Vandaar de milde vorm, met uitzondering van de Molukken, waar aangetoond wordt dat het ook zo weer mis kan gaan.

 

Paradoxale samenleving?

In de pluriforme samenleving in Indonesië herken ik elementen uit onze samenleving van ruim 50 jaar geleden. Ambachten die verloren gegaan zijn in het Westen, zijn daar nog volop aanwezig. Het van vader op zoon leren en uitoefenen van beroepen is nog gangbaar. De gemeenschapszin is nog groot, verzorgingshuizen zijn er niet.

Het leven is doortrokken van tradities, gewoonten en gebruiken die enerzijds veiligheid en vastigheid geven, maar anderzijds knellen en benauwen. De arme bevolking gaat bijvoorbeeld vaak levenslang gebukt onder de lasten van begrafenissen en bruiloften.

Een groot dilemma is dat het toerisme welvaart brengt, maar de traditionele cultuur lijkt te vernietigen.

Het is deerniswekkend om te zien hoe de economische recessie een groot deel van de bevolking treft, terwijl de rijken rijker worden en de corruptie welig tiert.

En dan al die paradoxale beelden. Koken op houtvuur, maar wel een televisie in huis. Volledig gesluierde jonge vrouwen op snelle bromscooters. Een stad vol fietstaxi’s, naast moderne Japanse auto’s. Slapende, werkloze mannen in de steden en dorpen contra de keihard werkende plattelanders in de rijstvelden.

De ongelooflijk mooie, groene natuur naast de gigantische vervuilde en onhygiënische straten en markten.

Indonesië, wat een land! Nog steeds ben ik de beelden en ervaringen aan het verwerken.

Maar in mijn achterhoofd blijft de vraag spelen: moeten we in het Westen niet met spoed werk maken van hulp en ondersteuning aan derde wereld landen zoals Indonesië?

 

Gaat het Westen ten onder aan het fundamentele gelijk?

 

Een recensie over:

 

Ian Buruma en Avishai Margalit

 

 'Occidentalisme. Het Westen in de ogen van zijn vijanden.'

 

Zit u ook met kromme tenen in uw schoenen als er weer gruwelijke berichten of beelden op radio en televisie langskomen van bomaanslagen, gijzelingen of moorden, gepleegd door moslimfundamentalisten.

Of laten ze u onverschillig?

Worden vooroordelen over moslims niet voortdurend bevestigd door de media? Of is er echt een nieuwe vijand voor het Westen opgestaan?

En wat hebben de vijanden van het Westen tegen onze Westerse cultuur? Hoe kijken zij naar ons?

 

Twee auteurs, waaronder een in de USA wonende Nederlander Ian Burema, gaan op zoek naar de oorzaken en achtergronden van occidentalisme, zoals zij dat in hun boek noemen. Occidentaal = Westers. Zij omschrijven het occidentalisme als ‘Het onmenselijke beeld van het Westen zoals dat door zijn vijanden wordt geschilderd’.

Zoekend naar de wortels van het occidentalisme, dat in deze tijd vooral gepraktiseerd wordt door moslimfundamentalisten, geven zij betekenis aan het begrip. In principe zou occidentalisme een neutraal begrip moeten zijn: zoals niet Westerlingen denken over de Westerse wereld.

Als tegenhanger van oriëntalisme: zoals westerlingen denken over de Oosterse wereld. Maar zoals westerlingen met al hun vooroordelen al eeuwen dachten en handelden m.b.t. ‘de oosterlingen’, vanuit een sterk superioriteitsgevoel, zo lijken oosterlingen nu op dezelfde wijze het Westen te willen zien en behandelen.

Occidentalisten zijn anti-Westers, zij zien het Westen als goddeloos en inhumaan en zijn overtuigd van het eigen (religieuze) gelijk. Moslimfundamentalisten denken en zeggen dat niet alleen, maar zij handelen ernaar. 

 

Hier een recensie en commentaar, want het is toch wat ingewikkelder dan hierboven beschreven.

 

Nieuw vijandbeeld

Eerst iets uit de eigen ervaring van de recensieschrijver. Het leger-onderdeel, waartoe ik behoorde, was de Marechaussee, 1964.

De vervulling van de dienstplicht duurde 21 maanden.  Taken: chauffeur, radiotelegrafist, politiedienst en tolk. Voor de vervulling van die laatste taak ging ik naar de kazerne van de Militaire Inlichtingen Dienst in Harderwijk.

Drie maanden kreeg ik les in het Russisch. Dag in, dag uit zat ik achter de cassetterecorder om de taal goed te leren en uit te spreken.

Want de Sovjet-Unie  met zijn communistische systeem stond aan de grenzen te trappelen om de na de Tweede Wereldoorlog overgeschoten landen in het Westen onder de voet te lopen. En bij een oorlog had de marechaussee de taak krijgsgevangenen het eerste oppervlakkige verhoor af te nemen: naam, rang, legeronderdeel, e.d. Het ging om een welhaast tastbare vijand in een Koude Oorlog.

In 1989  valt de Berlijnse muur. Weg vijand, wat nu? Gelukkig zijn er nieuwe (door het Westen zelf verklaarde?) vijanden voor in de plaats gekomen: de occidentalisten.

 

Omkering van het beeld

De kern van zowel het occidentalisme als het oriëntalisme lijkt gelegen in de algemeen menselijke eigenschap dat mensen zichzelf ten opzichte andere mensen graag zien als ‘beter’ en ‘intelligenter’.

Dat geldt niet alleen voor individuen, maar meestal ook voor de eigen cultuur, het eigen volk, de eigen soort of het eigen ras. Dat fenomeen leidt steeds tot het ‘zie-je-wel'-effect. Voortdurend worden gebeurtenissen, omstandigheden en gedragingen van anderen zodanig uitgelegd dat de eigen superioriteit wordt bevestigd. Er ontstaat een groot gebied met blinde vlekken. Het heilig geloven in het eigen gelijk, de eigen opvattingen, visie, ideologie laat weinig of geen ruimte voor nuanceringen of kritische beschouwingen. Het versterkt vooroordelen en stereotypen.

In sommige oriëntalistische vooroordelen beschouwt men niet-westerse mensen als onvolwaardige menselijke wezens. Ze hebben de geest van een kind en kunnen daardoor als minderwaardige schepsels worden behandeld. Op basis hiervan ontwikkelde zich bijvoorbeeld een omvangrijke slavenhandel.

Omgekeerd kan men zeggen dat het occidentalistische vooroordeel een hele samenleving of beschaving tot een massa zielloze, decadente, inhalige, ontwortelde, ongelovige, ongevoelige parasieten reduceert,  een vorm van intellectuele destructie.

Als het alleen maar een kwestie van afkeer of vooroordeel was, zo zou men kunnen zeggen, zou het niet zo belangrijk zijn. Vooroordelen horen nu eenmaal bij het menselijk bestaan.

Maar als het idee om anderen van hun menselijkheid te ontdoen revolutionaire krachten oproept, leidt het tot de vernietiging van menselijke wezens (pag. 16, Burema en Margalit) en kan men daar niet achteloos aan voorbijgaan.

 

Stad en platteland

In zijn boek ‘Vliegen zonder vleugels’ schrijft Tiziano Terzani met spijt en een zekere weemoed over het verdwijnen van de oorspronkelijke culturen in Aziatische landen als China, Vietnam, Thailand, waar hij woonde en voor ‘Der Spiegel’ jarenlang correspondent was.

Al deze culturen hebben te lijden onder het vanuit het Westen oprukkende kapitalisme en materialisme. Het steeds verder groeien van steden, waar werk en een zekere welvaart te vinden zou zijn voor de arme plattelanders, maakt jaloers, maar boezemt ook angst in.

De grote stad wordt gezien als een reusachtig marktplein waar alles om handel draait, waar alles en iedereen te koop is. Steden worden geïdentificeerd met goddeloosheid, prostitutie, leugenachtigheid, oplichterij, verdorvenheid, massaliteit en anonimiteit.

Schrijvers, filosofen, ideologen uit Europa, zelf westerlingen, leveren vaak forse kritiek op de verstedelijking.

“Friedrich Engels zag iets ‘afstotelijk’ in de stedelijke massa’s van Manchester en Londen, ‘iets waartegen de menselijke natuur rebelleert’. De stad is waar mensen van ‘alle rangen en standen langs elkaar heen drommen’, lukraak, willekeurig en vooral onverschillig.

Wat weerzin bij Engels opriep was het gebrek aan solidariteit in deze samenleving van ‘geatomiseerde’ individuen, die ieder hun eigen ’zelfzuchtige’ belang najoegen’ (Buruma en Margalit,  blz. 30).

De ‘strijd’ tussen platteland en de stad is iets universeels, het is de botsing tussen oud en nieuw, authentieke culturen tegenover afkeurenswaardige handelwijzen en gewiekstheid.

In verschillende landen in Azië hebben leiders geprobeerd de verstedelijking tegen te gaan. Voorbeelden daarvan zijn de culturele revolutie in China onder Mao, het Rode Khmer regiem in Cambodja onder Pol Pot en het totalitaire bewind van de Taliban in Afghanistan. Occidentalisten zijn geneigd de wereld vanuit de plattelandsoptiek te bekijken, waarvan de basiselementen vertrouwde, eerlijke relaties, van zuiverheid, saamhorigheid, bezieling en geloof zijn.

 

Zonder idealen

Europa raakte na de Franse Revolutie en de Verlichting meer en meer in twee kampen verdeeld. Oorlogen zoals die in de 19e en 20e eeuw worden uitgevochten zijn daar het gevolg van. Duitsland met zijn agrarische bevolking en plattelands mentaliteit zette zich eind 18e eeuw en begin 19e eeuw sterk af tegen ‘alles wat ook maar zweemt naar Engels of West-Europees denken en voelen’ (Buruma en Margalit,  blz. 55).

De sociaalwetenschapper Werner Sombart schreef in het tweede jaar van de Eerste Wereldoorlog ‘Händler en Helden’, waarin hij op de strijd tussen stad en platteland uitvoerig ingaat.

Volgens de Burema en Margalit vormt de tegenstelling stad en platteland  één van de kernen van het occidentalisme en ze gebruiken in hun analyse de ideeën die door Sombart zijn uitgewerkt. . 

Het rationele op wetenschap gebaseerde denken van het Westen, zo kan men stellen,  ontdoet het leven van idealen. Daarin is geen plaats meer voor het sterven voor hogere doelen en het zich opofferen voor volk en vaderland. Duitse denkers uit die tijd ‘hebben nog de meeste minachting voor de laffe gewoonte van de bourgeois zich aan het leven vast te klampen, niet voor hoge idealen te willen sterven, gewelddadige conflicten te mijden en de tragische kant van het leven te ontkennen.

Sterker nog, de handelaar (stereotype van de Westerse mens - H D) hééft geen idealen. Hij is in elk opzicht oppervlakkig. Handelaren, of ze nu tot de petit bourgeoisie behoren of tot de altijd bezige mannen van de wereld, zijn slechts geïnteresseerd in de bevrediging van individuele verlangens, iets wat ‘een hoger moreel besef van de wereld en het geloof in idealen’ ondermijnt’ (Burema en Margalit, blz. 57).

Deze denkwijzen zijn door fundamentalistische Islambewegingen overgenomen en daar gemeengoed geworden. Maar, zo tonen de auteurs van dit boek aan, deze denkwijzen zijn bepaald niet nieuw. Ze kwamen en komen in allerlei culturen over de hele wereld voor.

‘We zouden het occidentalisme als uiting van bittere wrok kunnen zien jegens een agressief vertoon van westerse superioriteit, die is gebaseerd op de vermeende superioriteit van de rede. Want nog destructiever dan militair imperialisme is het imperialisme van de geest: het Westen verspreidt het sciëntisme, het geloof in de wetenschap als de enige manier om kennis te vergaren’ (Buruma en Margalit blz. 96)

Het Islamisme is dus deels beïnvloed door westerse ideeën, maar bepaalde richtingen in de Islam voegen een geheel eigen bijdrage toe aan het occidentalisme.

Ze karakteriseren het Westen niet alleen als hebzuchtig, verslaafd aan geld en materie, rationeel en onmenselijk, maar ook als een vorm van barbaarse afgoderij (idolatrie) In de ogen van de diepreligieuze stromingen is de idolatrie ‘de meest gruwelijke religieuze zonde en moet daarom met alle kracht en vergeldingsmaatregelen worden bestreden die de ware gelovige ter beschikking staan’ (Burema en Margalit, blz. 102)

 

Reflectie

Occidentalisme is een boek dat tot nadenken stemt. De (historische) analyses zijn buitengewoon interessant en veelomvattend.

Het boek moet in feite verschillende keren gelezen worden om uit de grote hoeveelheid met voorbeelden geïllustreerde informatie de kernen van het occidentalisme te destilleren.

Verhelderend is te lezen dat de denkbeelden van het Westen, bewust of onbewust zijn overgenomen door het Oosten. Enerzijds is het voor ‘het Oosten’ een enorm dilemma dat het Westerse denken, het kapitalisme en de vrije markt een grote aantrekkingskracht uitoefenen op hun volkeren (die b.v. via de televisie zien hoe welvarend mensen in het Westen leven), anderzijds lijkt hierdoor de eigen (spirituele) cultuur te verdwijnen.

Occidentalisten verzetten zich hier uit alle macht tegen, waarbij ze hun religie en tradities als instrumenten gebruiken, of moeten we zeggen misbruiken.

Maar zitten er ook geen kernen van waarheid in de kritiek en het verzet van de occidentalisten? Worden onze westerse samenlevingen niet overheerst door economische belangen? Waarom hebben spirituele belangen geen prioriteit in ons politiek handelen?

En van waar die ontevredenheid en het ongenoegen dat bij grote groepen in die Westerse bevolkingen heerst, terwijl zij het materieel zo goed hebben? Waar zijn de waarden en normen van voorheen? En waartoe heeft de nog steeds voordurende secularisatie geleid? Gaat het leven alleen om ‘carpe diem’?

Vragen die we ons nu in het westen willen stellen omdat we ons ervan bewust zijn dat er meer ‘waarheden’ zijn dan alleen die wij aanhangen. Dat in tegenstelling tot occidentalisten die maar één waarheid kennen of willen zien.

‘Occidentalisme wordt pas gevaarlijk als het politieke macht wordt. Wanneer de bron van de politieke macht ook de enige bron van waarheid wordt, ontstaat een dictatuur. En als de ideologie van die dictatuur haat tegen het Westen predikt, krijgen die ideeën iets dodelijks’(Buruma en Margalit, blz. 147)

Het boek eindigt met een zeer moeilijke opgave voor het Westen, die we nu zeker niet in de praktijk gebracht zien. ’We kunnen het ons niet veroorloven onze samenleving af te sluiten bij wijze van verdediging tegen degenen die de hunne hebben afgesloten. Want dan zouden we allemaal occidentalisten worden en zou er niets meer te verdedigen over zijn’ (Burema en Margalit, blz. 148)

 

Ian Buruma en Avishai Margalit, Occidentalisme,

het Westen in de ogen van zijn vijanden.

Uitgeverij Atlas – Amsterdam/Antwerpen, 3e druk januari 2005. ISBN 9045004097.

 

Tiziano Terzanim, Vliegen zonder vleugels, een spirituele trektocht door het Verre Oosten.

Uitgeverij Byblos – Amsterdam, 1e druk 1999. ISBN 9058470016/NUGI 470.