Main page course                                 Home

 

Grammar examples

     spoken1

Singular

zus            

māsa

Plural

zussen

māsas

Singular

meisje

meitene

Plural

meisjes

meitenes

Dative  singular

aan / voor de zus

māsai

Dative  singular

aan / voor het meisje

meitenei

Dative Plural

aan / voor de zussen

māsām

Dative Plural

aan / voor de meisjes

meitenēm

Singular

broer

brālis

Plural

broers

brāļi

Singular

jongen

zēns

Plural

jongens

zēni

Dative  singular

aan / voor de broer

brālim

Dative  singular

aan / voor de jongen

zēnam

Dative Plural

aan / voor de broers

brāļiem

Dative Plural

aan / voor de jongens

zēniem

ir → hebben en zijn

Ilse is een zus

Ilze ir māsa

ir → hebben en zijn

Ilse heeft een zus

Ilzei ir māsa

ir → hebben en zijn

Jij bent een broer

Tu esi brālis

ir → hebben en zijn

Jij hebt een broer

Tev ir brālis

ir → hebben en zijn

De jongens waren vrienden

Zēni bija draugi.

ir → hebben en zijn

De jongens hadden vrienden

Zēniem bija draugi.

ir → hebben en zijn

Het meisje zal leraar zijn

Meitene būs skolotāja

ir → hebben en zijn

Het meisje zal een leraar hebben

Meitenei būs skolotāja.

jautājuma teikums

Heb je boeken?

Vai tev ir grāmatas?

jautājuma teikums

Wie heeft er boeken?

Kam ir grāmatas?

jautājuma teikums

Wat heb je in je tas?

Kas tev ir somā?

jautājums

Waar is het boek?

Kur ir grāmata?

atbilde

Het boek is hier / in de tas.

Grāmata ir te / somā.

jautājums

Wie stelt vragen?

Kas jautā?

atbilde

Piet stelt vragen.

Piet jautā

jautājums

Wie is (er) een jongen?

Kas ir zēns?

atbilde

Wim is een jongen

Wim ir zēns.

jautājums

Wie is Henk?

Kas ir Henk?

atbilde

Henk is een jongen

Henk ir zēns.

jautājums

Aan wie stelt de leraar

vragen?

Kam skolotāja jautā?

atbilde

De leraar stelt vragen aan Jan.

Skolotāja jautā Jānim

jautājums

Wat vraagt de leraar aan Juris?

Ko skolotāja jautā Jurim?

atbilde

De leraar vraagt aan Juris:”Kom je uit Letland?

Skolotaja jautā Jurim:”Kom je uit letland?”

jautājums

Wat doet de leraar?

Ko dara skolotāja ?

atbilde

De leraar stelt vragen.

Skolotāja jautā.

VERB-OBJECT.

inversija

De leraar stelt vragen aan hem.

Skolotāja viņam jautā

VERB-OBJECT.

inversija

De leraar stelt vragen aan Juris.

Skolotāja jautā Jurim.

 

verbs

                spoken2

          meaning

ik loop

I walk

jij loopt

you walk  (sg)

u loopt

you walk politely

hij loopt

he walks

zij loopt

she walks

het loopt

it goes on

wij lopen

we walk

jullie lopen

you walk (pl)

zij lopen

they walk

ik ga

I go

jij gaat

you go  (sg)

u gaat

you go politely

hij gaat

he goes

zij gaat

she goes

het gaat

is is o.k.

wij gaan

we go

jullie gaan

you go (pl)

zij gaan

they go

ik geef

I give

jij geeft

you give (sg)

u geeft

you give politely

hij geeft

he gives

zij geeft

she gives

het geeft

it gives

wij geven

we give

jullie geven

you give (pl)

zij geven

they  give

ik ben

I am

jij bent

you are

u bent

you are polite

hij is

he is

zij is

she is

het is

it is

wij zijn

we are

jullie zijn

you are

zij zijn

they are

 

 

article + adjective  +  noun      

                                                               spoken3                                                                

 

het huis  

 o =onzijdig / neutral

+ mooi

 

 the  house it

 + beautiful

 

de man 

 m =mannelijk / masculine

 

+ oud

 

 the man he

 + old

 

 

de vrouw   

v = vrouwelijk / female

 

+ aardig

 

 the  woman she

 + nice

 

1

het mooie huis

 

the beautiful house

1

de oude man

 

the old man

1

de aardige vrouw

 

the nice woman

2

een mooi huis

 

a beautiful house

2

een oude man

 

an old man

2

een aardige vrouw

 

a nice woman

3

het huis is mooi

 

the house is beautiful

3

de man is oud

 

the man is old

3

de vrouw is aardig

 

the woman is nice

 

 

 

adjective  +  more   +   most                   Regular forms                   spoken4

                                                                                                                                 

 

groot

big

 

 

groter

bigger

 

grootst

biggest

 

 

klein

small

 

 

kleiner

smaller

 

kleinst

smallst

 

 

There are some irregular adjectives

 

examples

goed beter best   (good better best)  

veel meer meest ( much more most)

weinig minder minst  ( much more most)

 

 

darbības vārdi regulāri                                                                                     

pagātne = verleden tijd = past tense                               spoken5

 

t, k,f,s,ch,p + te(n)

 

citiem līdzskaņiem + de(n)

pakken   ņemt / to take – atnest / to fetch

 

ik pakte             I took -fetched

jij pakte                    etc.

u pakte

hij pakte

zij pakte

wij pakten

jullie pakten

zij pakten

openen  atvērt / to open

 

 

ik opende

jij opende

u opende

hij opende

zij opende

wij openden

jullie openden

zij openden

boffen  ‘ir laimīgs’/ to be lucky

 

ik bofte

jij bofte

u bofte

hij bofte

zij bofte

wij boften

jullie boften

zij boften

wandelen  staigāt / to walk

 

ik wandelde

jij wandelde

u wandelde

hij wandelde

zij wandelde

wij wandelden

jullie wandelden

zij wandelden

fietsen   Riteņbraukšana /to cycle

 

ik fietste

jij fietste

u fietste

hij fietste

zij fietste

wij fietsten

jullie fietsten

zij fietsten

rennen  skriet / to run

 

ik rende

jij rende

u rende

hij rende

zij rende

wij renden

jullie renden

zij renden

lachen   smiekli  / to laugh

 

ik lachte

jij lachte

etc.

razen  skrieşanās / to race 

 

ik raasde             !! z→s+de

jij raasde

etc.

happen   kodums / to bite

 

ik hapte

jij hapte

etc.

geloven ticēt / to believe

 

ik geloofde           !! v→f+de

jij geloofde

etc.

 

darbības vārdi regulāri                                                                                      

perfectum vtt                                                                                spoken6

 

t, k,f,s,ch,p + t

 

citiem līdzskaņiem + d

pakken   ņemt  atnest/ to take to fetch

 

ik heb gepakt   I have taken-fetched

jij hebt gepakt                 etc

u heeft gepakt

hij heeft gepakt

zij heeft gepakt

wij hebben gepakt

jullie hebben gepakt

zij hebben gepakt

openen  atvērt / to open

 

ik heb geopend

jij hebt geopend

u heeft geopend

hij heeft geopend

zij heeft geopend

wij hebben geopend

jullie hebben geopend

zij hebben geopend

boffen  ‘ir laimīgs’/ to be lucky

 

ik heb geboft

jij hebt geboft

u heeft geboft

hij heeft geboft

zij heeft geboft

wij hebben geboft

jullie hebben geboft

zij hebben geboft

 

wandelen  staigāt / to walk

 

ik heb gewandeld

jij hebt gewandeld

u heeft gewandeld

hij heeft gewandeld

zij heeft gewandeld

wij hebben gewandeld

jullie hebben gewandeld

zij hebben gewandeld

fietsen   Riteņbraukšana /to cycle

 

ik heb gefietst

jij hebt gefietst

u heeft gefietst

hij heeft gefietst

zij heeft gefietst

wij hebben gefietst

jullie hebben gefietst

zij hebben gefietst

rennen  skriet / to run

 

ik heb gerend

jij hebt gerend

u heeft gerend

hij heeft gerend

zij heeft gerend

wij hebben gerend

jullie hebben gerend

zij hebben gerend

kuchen   klepus  / to cough

 

ik heb gekucht

jij hebt gekucht

etc.

razen  skrieşanās / to race 

 

ik heb geraasd             !! z→s+d

jij hebt geraasd

etc.

happen   kodums / to bite

 

ik heb gehapt

jij hebt gehapt

etc.

geloven ticēt / to believe

 

ik heb geloofd           !! v→f+d

jij hebt geloofd

etc.

 

darbības vārdi neregulāri  

                                                                                  

imperfectum  past tense

                                    spoken7

 

perfectum

 

beginnen – to begin –sākt

ik begon              I began etc.

ik ben begonnen    I have begun

jij begon

jij bent begonnen              etc.

u begon

u bent begonnen

hij begon

hij is begonnen

zij begon

zij is begonnen

het begon

het is begonnen

wij begonnen

wij zijn begonnen

jullie begonnen

jullie zijn begonnen

zij begonnen

zij zijn begonnen

 

bezoeken – to visit – apmēklet

ik bezocht

ik heb bezocht

jij bezocht

jij hebt bezocht

u bezocht

u heeft bezocht

hij bezocht

hij heeft bezocht

zij bezocht

zij hebben bezocht

het bezocht

het heeft bezocht

wij bezochten

wij hebben bezocht

jullie bezochten

jullie hebben bezocht

zij bezochten

zij hebben bezocht

 

 

 

         Locative                                                                   spoken8

 

in  de/ een boom               

kokā

de = specific    een = indefinite

 

in de / een kast

skapī

de = specific    een = indefinite

 

in ( het) ijs

ledū

het = specific   een = indefinite

 

in (de) huizen

mājās

de = specific    Ř = indefinite

 

in (de) kasten

skapjos

de = specific    Ř = indefinite

 

in (de)ijsschotsen

ledos

de = specific    Ř = indefinite

 

 

Some other locatives

in een groot huis  lielā mājā 
in twee huizen-  divās mājās
in mijn boom - manā kokā  
in alle bomen - visos kokos
in hem/haar - viņā  
in hen - viņos  / viņās

in mij - manī
in jou / in u -  tevī 
in ons - mūsos 
in jullie - jūsos 
in deze
male pl.- šajos
in deze
feminine pl. - šajās 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

The accusative in Latvian has mostly a form different from the nominative

In Dutch only the singularis and pluralis differ

 

                                                                                                 spoken9

 

Latvian declination of nouns

nominative and accusative

 

1 form for

nominative and accusative

Dutch

 

māte  māti

acs  aci

brālis  brāli

māsa  māsu

zēns zēnu

ledus  ledu

zēni zēnus

ledi ledus

brāļi brāļus

māsas

mātes

acis

  moeder

  oog

  broer

  zus

  jongen

  ijs

  jongens

  ijsschotsen

  broers

  zussen

  moeders

  ogen

Some sentences

 

 

Ik lees een boek

 

 

Es lasu grāmatu

 

 

Hij at vlees

 

 

Viņš ēda gaļu

 

 

Zie jij het meisje?

 

 

Vai tu redzi meiteni?

 

 

Ja, ik zie haar.

 

 

Jā, es viņu redzu

 

 

De meisjes lezen een boek

 

 

Meitenes lasa grāmatas

 

 

Wat at hij?

 

 

Ko viņš ēda?

 

 

Was je oren!

 

 

Mazgā ausis!

 

 

 

 

Definite and indefinite constructions         spoken10

 

male and female words

definite singular

have the article de

male and female words

indefinite singular

have the article een

 

neutral words

definite singular

have the article het

neutral words

indefinite singular

have the article een

de nieuwe handschoen

 

jaunais cimds

 

een nieuwe handschoen

 

jauns cimds

het nieuwe huis

 

 

jaunā māja

een nieuw huis

 

 

jauna māja

van de nieuwe handschoen

 

jaunā cimda

 

van een nieuwe handschoen

 

jauna cimda

van het nieuwe huis

 

jaunās mājas

van een nieuw huis

 

 

jaunas mājas

aan/voor de nieuwe handschoen

 

jaunājam cimdam

 

aan/voor een nieuwe handschoen

 

jaunam cimdam

aan / voor het nieuwe huis

 

jaunajai mājai

aan / voor een nieuw huis

 

jaunai mājai

de nieuwe handschoen

 

jauno cimdu

 

een nieuwe handschoen

 

jaunu cimdu

het nieuwe huis

 

 

jauno māju

een nieuw huis

 

 

jaunu māju

in de nieuwe handschoen

 

jaunajā cimdā

 

in een nieuwe handschoen

 

jaunā cimdā

in het nieuwe huis

 

 

jaunajā mājā

in een nieuw huis

 

 

jaunā mājā

de nieuwe handschoen !

 

jaunais cimds!

 

 

het nieuwe huis

 

 

jaunā māja!

 

male and female words

definite plural

have the article de

 

male and female words

indefinite plural

have no article

neutral words

definite plural

have the article de

neutral words

indefinite plural

have no article

de nieuwe handschoenen

 

jaunie cimdi

 

nieuwe handschoenen

 

jauni cimdi

de nieuwe huizen

 

 

jaunās mājas

nieuwe huizen

 

 

jaunas mājas

van de nieuwe handschoenen

 

jauno cimdu

van nieuwe handschoenen

 

jaunu cimdu

 

van de nieuwe huizen

 

jauno māju

van nieuwe huizen

 

 

jaunu māju

aan/voor de nieuwe handschoenen

 

jaunajiem

cimdiem

 

aan  /voor nieuwe handschoenen

 

jauniem cimdiem

 

aan/voor de nieuwe huizen

 

jaunajām mājām

aan /voor nieuwe huizen

 

jaunām mājām

de nieuwe handschoenen

 

jaunos cimdus

 

nieuwe handschoenen

 

jaunus cimdus

de nieuwe huizen

 

 

jaunās mājas

nieuwe huizen

 

 

jaunas mājas

in de nieuwe handschoenen

 

jaunajos cimdos

 

In nieuwe handschoenen

 

jaunos cimdos

in de nieuwe huizen

 

 

jaunajās mājās

in nieuwe huizen

 

 

jaunās mājās

de nieuwe handschoenen!

 

jaunie cimdi!

 

de nieuwe huizen

 

 

jaunās mājas!

 

 

 

Active sentences

 

spoken11

 

 

Passive sentences

 

Ik roep.

 

I call.

Ik word geroepen.

I am called.

Ik roep mijn broer.

I call my brother

 

 

Mijn broer wordt geroepen door mij.

My brother is called by me.

De man bezorgt het boek.

The man delivers the book.

 

Het boek wordt bezorgd door de man.

The  book is delivered by the man.

De man bezorgde het boek.

The man delivered the book.

 

Het boek werd door  de man bezorgd.

The book was delivered by the man.

De man heeft het boek bezorgd.

The man has delivered the book.

 

Het boek is door de man bezorgd.

The book has been delivered by the man.

De man had het boek bezorgd.

The man had delivered the book.

 

Het boek was door de man bezorgd.

The book had been delivered by the man.

De man zal het boek bezorgen.

The man will deliver the book.

 

Het boek zal worden bezorgd door de man.

The book will be delivered by the man.

Jan steelt veel fietsen.

John steals many bikes.

 

 

Er * worden veel fietsen gestolen door Jan.

Many bikes are stolen by John.

Men werkt.

People work.

 

Er wordt gewerkt.

Work is being done.

 

 

* If the subject is indefinite, the sentence often start with er in Dutch.

 

 

 

personal pronouns

persoonlijke voornaamwoorden

spoken12

 

 

nominative

 

dative

 

accusative

I

ik

(aan/voor) mij /me

mij  / me

You (singular)

jij

(aan/voor) jou / je

jou / je

you politely

u

(aan/voor) u

u

he

hij

(aan/voor) hem

hem

she

zij

(aan/voor haar)

haar

it

het

eraan

ervoor

het

we

wij

(aan/voor) ons

ons

you (plural)

Jullie

 

(aan/voor) jullie

jullie

they

zij

(aan/voor) hen

 

hun

 

hen

 

 

 

possessive pronouns

bezittelijke voornaamwoorden

spoken13

 

 

Ik ben in mijn huis

I am in my house

 

Het huis is van mij

The house belongs to me

 

Het huis is het mijne

The house is mine

 

my

 

mijn

 

van mij

 

het mijne

 

yours

 

jouw

 

van jou

 

het jouwe

 

your politely

 

uw

 

van u

 

het uwe

 

his

 

zijn

 

van hem

 

het zijne

 

her

 

haar

 

van haar

 

het hare

 

its

 

ervan

 

ervan

 

 

our

 

ons

 

 

van ons

 

het onze

 

your plural

 

jullie

 

van jullie

 

van jullie

 

their

 

hun

 

van hen

 

het hunne

 

 

 

aanwijzende voornaamwoorden

indicant pronouns

singular

plural

dit    neutral words  (het-words)

deze – female & masculine words

               (de - woorden)

this

deze       all words

these

dat    neutral words  (het-woorden)

die    female & masculine words

               (de – words)

that

die      all words

those

 

In preparation:

more pronouns

 

CheckStat