Wim Rhebergen

 

Gedichten en verhalen

Home

 

Contact: info@rhegie.com

 

Gedichten

 

De kleine dingen

 

 

 

 

Inhoud
Slaapt in zijn handen
De kleine dingen zijn gestorven
Portret
Mien va

 

 

Slaapt in zijn handen

 

Slaapt in zijn handen

het gewicht van zijn hoofd,

het gesloten gezicht,

het gedicht verborgen,

verdoofd.

 

Hij is het die iets draagt,

iets dat hij zelf is en moe is geworden

en somber.

 

Hij is een kind, een eeuwig kind,

maar nu bezocht door vreemde tijd,

beroofd van groene liefde.

Niemand die nog wat zegt.

Geen woorden, geen bloemen.

 

En hij ziet de krijtstrepen van zijn  jeugd,

de hinkelpassen en de wilde sprongen,

de radslagen van de levensloop

in een oogwenk,

de gevechten, de gezichten van de vijand,

de oordelen,

de kleine vrezen en later de grote verzen

van de oorlog en de waanzin,

het verwoeste landschap.

De kerk staat in het midden van het dorp,

de school daarachter en op het plein de kroeg,

waar de overlevenden een uitweg zoeken.

 

Hij ziet en alles wat hij ziet, is gedacht.

 

Slaapt in zijn handen….

 

De kleine dingen zijn gestorven

 

De kleine dingen zijn gestorven. Over is

de wind die balkt in holle huizen,

de schimmelzwarte hemelbedden

van het verleden. Opa loopt op krukken.

 

Een gek houwt zijn hand af.

De zon staat stil en de bom

is een surrogaatbloem met dik garen

van geuren. Opa laat een vogel

vliegen.

 

Opa wil uit. Zegt hij:

“Na de oorlog komt de vrede.”

Opa zegt dat de mens

moet geloven en timmert

een hok van de tijd.

 

Ik wil niet dat op god wordt.

Ik vermoord hem. Wat ik doe,

is van alle tijden.

 

De wind kruipt in de zon,

de zon staat in de bloem,

de bloem bloedt in mijn oog.

Ik ben stekeblind.

 

Opa is reeds hoog en breed

dood.

 

Portret

 

 I

 

Een man, een jongen,

een jongen op de fiets,

een jongen op weg naar zijn meisje.

 

Een slinger in de kop,

een vliegend visioen,

knalrood, zeiknat,

wind en regen,

een uur, een half uur.

 

II

 

Een man,

het gezicht van een man;

ogen, zie

de ogen gaan,

de ogen verdonkeren zich.

 

Nog een laatste gedachte:

een slak in een jongenshand

die zijn huis uittrekt

en al te vlug lijdt

aan de zucht naar de grote stad

en de fabriek

die zijn leukste dromen

weg takelt.

 

De eerste gedachte:

heiligen in de hemel,

wilde vrouwen in het weke licht

van de avond, processies,

préhistorische orgasmen.

Stemmen: “Spinnen, sla ze dood!”

“Ik heb zin in moedermelk!”

 

Hij wast zijn voeten,

zijn voeten met zijn kinderen

die kringen in het zand tekenen

en spelend zich aan elkaar meten.

 

Een latere ontwikkeling:

recessie, oorlog, wereldondergang.

Later is het vergeefse graven

naar vroeger.

 

Hij doet goed.

Hij is meer mens dan reus.

 

Een man,

een fatale man,

zie de ogen...

 

III

 

Jij bent de oudste mens,

ouder dan de donkere dagen van de ouderdom.

Jij lacht. Jij bent zo oud geworden

dat er wolken in je hoofd zijn

en winden die van ver zijn gekomen.

Het verlangen naar het leven

is verraderlijk door zij eenvoud.

Jij hebt de voet in de aarde gezet,

jij hebt de hand uitgestrekt

naar hen die je lief had.

De zon is hoog geklommen,

van je buik naar je hart

naar je hoofd. De zon stijgt hoger

nu het avond is.

 

Mien va

 

Hee was neet bange vuur de dood

en hee veulde aan zien lichaam

dat het ook neet tegen te holden was.

“Old worden is mooi”, zee hee dan,

“maor old zien nee.”

Hee heeld van ons

en wilde bie ons bliem’n.

Hee was stark

en hee dee eigenlijk niks

dan bie ons bliem’n.

Op het laatst ging het toch bienoa neet meer

en ie kon aan hem zeen dat het zo afgelopen kon wèn.

Hee stak de hand op om oe te groeten,

want praoten deed hee neet meer

en er was ook neet völle meer om te zeggen.

Toen was het dan zo wied.

Het was eigenlijk niks biezonders.

Hee lag er zo rustig bie

da’j eigenlijk neet deur had

dat hee al vertrokken was.

Maor misschien was hee dat ook nee.

Dat geveul kwam pas later.

Soms hebt leu wal eens

dat ze dagelijks nog contact hebt

met iemand die dood is - veertig dagen -,

maor als ik bie miezelf nôgoa,

bunt er dat moar dree. 

Toen zag ik hem nog in de kiste liggen.

ik raakte hem nog an - mien eigen vader -,

maor hee was er neet meer.

Wat doo/j dan? Huul’n,

en dan weer proberen flink te wèn

en te denken dat hee verlost is van de piene en zo.

En later zeiden ze ook wal

dat het zo neet langer deur had kunnen gaon

en ik gaf ze groot geliek.

Maor ja, noo ik dit schrief,

staot mie de treune weer in de ogen

en denk ik weer van alles.